Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV8176

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
SBR 11/3381
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inschaling bij herplaatsing in het kader van een gemeentelijke herindeling. Eiseres is ingeschaald in een aanloopschaal. Op grond van het sociaal statuut en de bijlage is dit toegestaan. Het tijdelijke karakter van de waarnemingstoelage stond daarnaast al in rechte vast. Geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel dan wel met artikel 59 Wet Arhi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/3381

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.A.M. van Dieren),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.S.P. Stuiver).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2011 heeft verweerder eiseres meegedeeld haar definitief te plaatsen in de functie van (Beleids)adviseur A beleidsadviezen Maatschappelijke Ontwikkeling (beleidsadviseur A). Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 september 2011 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld op de zitting van 26 januari 2012, waar eiseres in persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en de heer B. Floor. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor beantwoording van de vraag of de door eiseres bij brief van 18 januari 2012 meegestuurde bijlage bij de beoordeling van dit beroep kan worden betrokken. Deze bijlage betreft een e-mail van 5 augustus 2010 van de VNG aan de gemeente Maarssen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daarbij het volgende. De brief is op 18 januari 2012 door de rechtbank ontvangen. Nu de zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012, is het stuk derhalve ingediend buiten de door in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde tien dagen termijn. Er is niet gebleken van een deugdelijke reden om te wachten met het toesturen van de brief tot 18 januari 2012. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld er bezwaar tegen te hebben dat het stuk bij de procedure wordt betrokken en heeft de rechtbank verzocht het stuk buiten de beoordeling te laten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden het stuk bij de beoordeling te betrekken, nu het de keuze van (de gemachtigde van) eiseres is geweest te wachten met overleggen van het stuk totdat de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gegeven termijn voor het indienen van stukken was verstreken, zonder dat daarvoor een geldige reden was. De conclusie is dat de brief van 5 augustus 2011 buiten beschouwing wordt gelaten.

2. Voor de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres was sinds 1 oktober 2007 werkzaam voor de gemeente Maarssen in de functie senior strategisch beleidsmedewerker Welzijn, Jeugd en Onderwijs. Deze functie was ingedeeld in de functieschaal 10A. Eiseres is vanaf de datum van indiensttreding uitbetaald conform uitloopschaal 11. Ten gevolge van de herindeling van de gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen en de daaruit voortvloeiende reorganisatie is de structuur van de nieuw te vormen gemeente Stichtse Vecht opnieuw opgesteld en dienen de medewerkers te worden geplaatst in de nieuwe organisatie Als gevolg van deze gemeentelijke herindeling is eiseres geplaatst in de functie beleidsadviseur A. Dit betreft een functie die is gewaardeerd in schaal 12. Eiseres is per 1 januari 2011 ingeschaald in de aanloopschaal 11. Hiertegen richt zich het beroep.

3. Eiseres heeft – samengevat - aangevoerd dat uit artikel 2.3, tweede lid, van het Sociaal Statuut voor de herindeling van de gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen (sociaal statuut) en bijlage 1 bij het sociaal statuut blijkt dat de schaal waarin eiseres zich bevond als uitgangspunt voor de inschaling moet worden genomen en niet de schaal behorend bij de oude functie. Uit bijlage 1 bij het sociaal statuut blijkt welke regels van toepassing zijn op de inschaling. Daar wordt expliciet gesproken over ‘schaal’ en niet over ‘functieschaal’. Onder het begrip ‘schaal’ valt ook de uitloopschaal. Bij inschaling in de nieuwe functie dient verweerder daardoor uit te gaan van de uitloopschaal 11. Op grond van de regels voor inschaling is dan het verschil in schalen maar één schaal, zodat eiseres per 1 januari 2011 direct diende te worden ingeschaald in schaal 12. Uit het sociaal statuut blijkt onvoldoende hoe de inschaling dient te verlopen, zodat een redelijke uitleg gegeven dient te worden aan de toepasselijke bepalingen. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 oktober 1998 (LJN: ZB7938).

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de toepasselijke regelgeving volgt dat een beslissing over plaatsing eveneens een beslissing over inpassing inhoudt. Op grond van artikel 2.3 van het sociaal statuut dient van de functieschaal te worden uitgegaan. De functieschaal bij de voormalige functie was 10A. De nieuwe functie is gewaardeerd in schaal 12. Uit de toelichting van het sociaal statuut blijkt dat bij een verschil van twee schalen de werknemer in een aanloopschaal dient te worden geplaatst, zodat eiseres terecht is geplaatst in aanloopschaal 11.

5. Op grond van artikel 1.2 van het sociaal statuut, wordt onder functieschaal verstaan: de, volgens het vastgestelde systeem van functiewaardering, bij de functie behorende salarisschaal, zoals bedoeld in de bijlagen II (oude salarisstructuur) of lia (nieuwe salarisstructuur).

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het sociaal statuut gelden de inhoud van de functies, de functieschaal en het (contractueel overeengekomen) aantal arbeidsuren op 1 januari 2010 als uitgangspunt voor de plaatsing van de medewerkers in de nieuwe organisatie, behoudens voor die functies waarvoor op dat moment nog een traject van (her)beschrijving en (her)waardering loopt.

Op grond van Bijlage 1: Toelichting op het sociaal statuut, onder hoofdstuk 4 en onder ‘voorlopige plaatsing en richtlijnen (voorlopige) inschaling, zijn onderstaande regels van toepassing wat betreft de inschaling in de nieuwe functie in de nieuwe organisatie:

• Indien er sprake is van plaatsing in een nieuwe functie met een lagere (indicatieve)schaal, behoudt de medewerker het recht op het salaris en het salarisperspectief zoals deze voor hem golden in de functie die hij vervulde op de dag voorafgaande aan de datum van de herindeling. Het verschil dat kan ontstaan tussen de oorspronkelijke functie en de nieuwe functie wordt aangemerkt als garantietoelage.

• Indien er sprake is van een plaatsing in een nieuwe functie met een gelijkblijvende (indicatieve)schaal, blijft het salaris gelijk, tenzij er sprake is van een eventuele periodieke verhoging;

• Indien er sprake is van een plaatsing in een nieuwe functie met één hogere (indicatieve)schaal, wordt de medewerker ingeschaald in de functieschaal behorende bij de nieuwe functie;

• Indien er sprake is van plaatsing in een nieuwe functie met twee of meer hogere (indicatieve)schalen, wordt de medewerker ingeschaald in de aanloopschaal van de nieuwe functie, zijnde de schaal direct voorafgaand aan de nieuwe functieschaal.

6. Naar het oordeel van de rechtbank ziet artikel 2.3, tweede lid, van het sociaal statuut, anders dan eiseres heeft betoogd, ook op inpassing in een salarisschaal. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de toepasselijke regels van het sociaal statuut onvoldoende duidelijk zijn en dat uitsluitend van de toelichting uitgegaan dient te worden. Uit artikel 2.3, tweede lid, van het sociaal statuut blijkt dat de functieschaal het uitgangspunt is voor de inschaling in de nieuwe functie. Blijkens de definitie van het begrip ‘functieschaal’ gaat het daarbij om de bij de functie behorende salarisschaal. Op grond van de oude functieomschrijving was schaal 10A de bij de functie behorende salarisschaal. Dat eiseres feitelijk kreeg uitbetaald in een uitloopschaal doet er niet aan af dat de bij de functie behorende salarisschaal, schaal 10A was. Nu de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal schaal 12 betreft, bedraagt het verschil ten opzichte van de oude salarisschaal twee schalen, zodat verweerder eiseres op grond van de regels zoals opgenomen in bijlage 1 bij het sociaal statuut terecht heeft ingeschaald in aanloopschaal 11. De grond slaagt niet.

7. Eiseres heeft voorts naar voren gebracht dat de waarnemingstoelage ten onrechte is geëindigd per 1 januari 2011. Er is naar haar mening sprake van een functiegebonden toelage nu niet een andere functie wordt waargenomen, maar er slechts taken zijn toegevoegd. Eiseres ging er daardoor vanuit dat ze direct in de bij de nieuwe functie behorende schaal 12 zou worden geplaatst dan wel dat zij aanspraak kon maken op een afbouwregeling als bedoeld in artikel 2.3, negende lid, van het sociaal statuut. Door het vervallen van de waarnemingstoelage is bovendien sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, nu zij per 1 januari 2011 financieel gezien terugvalt in de situatie van voor de toekenning van de waarnemingstoelage.

8. Volgens verweerder valt de waarnemingstoelage die aan eiseres is toegekend bij besluit van 25 mei 2010, en is herzien bij besluit van 23 augustus 2010, onder artikel 2.3, tiende lid, van het sociaal statuut. Deze waarnemingstoelage is van rechtswege geëindigd. Volgens verweerder is er evenmin sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, nu eiseres haar bezwaarschrift tegen het besluit van 25 mei 2010 heeft ingetrokken.

9. Ingevolge artikel 2.3, negende lid, van het sociaal statuut, worden, indien bij benoeming in een functie in de nieuwe organisatie eventueel eerder toegekende functiegebonden toelagen vervallen, niet zijnde garantie- en persoonsgebonden toelagen als voornoemd, dan worden de eventuele gevolgen voor de medewerker wiens bezoldiging – als gevolg van het vervallen van de functiegebonden toelagen – een verlaging ondergaat betrokken bij het vaststellen van het sociaal plan.

Ingevolge artikel 2.3, tiende lid, van het sociaal statuut vallen toelagen die voor bepaalde tijd zijn toegekend niet onder de afbouwregeling zoals voornoemd.

10. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat zij haar bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2010, welke is herzien bij besluit van 23 augustus 2010, heeft ingetrokken. Dat de waarnemingstoelage per 31 december 2010 is komen te vervallen staat dan ook in rechte vast. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit duidelijk dat het gaat om een waarnemingstoelage die voor bepaalde tijd is toegekend, zodat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat een afbouwregeling in deze situatie niet aangewezen was. Dat eiseres haar bezwaarschrift pas heeft ingetrokken nadat zij bekend was met de inhoud van het sociaal statuut doet daar niet aan af. Pas na ontvangst van het definitieve besluit over plaatsing is immers duidelijk hoe de regels uit het sociaal statuut op de individuele rechtspositie van eiseres toegepast zullen worden. De grond slaagt niet. Ook is er door het vervallen van de waarnemingstoelage geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

11. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het oude loongebouw van de gemeente Maarssen bood geen ruimte voor plaatsing in een hogere schaal, hierdoor werd 80% van de medewerkers in een uitloopschaal geplaatst. In andere gemeenten werden de seniormedewerkers in een hogere schaal geplaatst. Door nu bij de herindeling de uitloopschalen buiten beschouwing te laten worden medewerkers die in een zelfde situatie zaten qua beloning nu anders beloond.

Ook het gegeven dat schaal 10A is komen te vervallen leidt tot ongelijke gevallen, nu medewerkers die werkzaam waren in schaal 10, na de herindeling zijn geplaatst in een functie met salarisschaal 11 en dus feitelijk ook twee schalen omhoog gaan, na de herindeling wél direct in schaal 11 worden uitbetaald. Dit terwijl eiseres is geplaatst in een aanloopschaal.

12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen, nu de voormalige gemeenten Loenen en Breukelen elk op zich zelf staande organisaties waren met elk hun eigen organisatiemodel en systeem van functiewaardering.

Verder heeft verweerder betoogd dat het nieuwe beleid ten aanzien alle medewerkers consequent is toegepast, en dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

13. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat een beroep daarop slechts kan slagen wanneer sprake is van rechtens gelijke gevallen. Voor zover eiseres haar situatie heeft vergeleken met de senior medewerkers bij de gemeenten Loenen en Breukelen, kan niet worden gezegd dat sprake is van rechtens gelijke gevallen. De medewerkers die bij die gemeenten werkzaam waren vielen onder andere bestuursorganen.

Ten aanzien van de ongelijkheid als gevolg van het vervallen van schaal 10A overweegt de rechtbank dat eiseres geen concrete gevallen heeft genoemd waaruit de ongelijke behandeling zou moeten blijken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

14. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 59, eerste lid, van de Wet Arhi, omdat zij er in inkomen op achteruit gaat. Voor de herindeling was het salaris van eiseres € 4.800,- en na de indeling € 4.400,-. Het volledige salaris dat eiseres ontving bij de voormalige gemeente Maarssen is ten onrechte niet als ondergrens genomen.

15. Op grond van artikel 59, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling (Arhi) gaan de overige ambtenaren, in dienst van een op te heffen gemeente, op de datum van herindeling voorlopig over in dienst van de gemeente waaraan het gebied van de op te heffen gemeente wordt toegevoegd, dan wel, wanneer dat gebied aan meer dan één gemeente wordt toegevoegd, van de in de betrokken herindelingsregeling aan te wijzen gemeente in dezelfde rang, op dezelfde voet en ook overigens in dezelfde rechtstoestand als op de dag, voorafgaande aan die datum, voor hen golden.

16. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. Ook als de gemeentelijke herindeling niet had plaatsgevonden was de waarnemingstoelage, gezien de expliciete einddatum die genoemd staat in het besluit van 25 mei 2010, welke is herzien op 23 augustus 2010, ook geëindigd. De waarnemingstoelage dient dan ook niet te worden meegenomen in de vergelijking. Om die reden is geen sprake van strijd met artikel 59, eerste lid, van de Wet Arhi. De grond slaagt niet.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T. Pavicevic en in het openbaar uitgesproken op

8 maart 2012.

De griffier: De rechter:

mr. L.N. Foppen mr. T. Pavicevic

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.