Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV8171

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
SBR 11/3375
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Definitieve plaatsing in het kader van een gemeentelijke herindeling. De B-functie is voor eiser de meest logische functie, zodat hij daar redelijkerwijs in geplaatst kon worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/3375

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.S. P. Stuiver).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld hem definitief te plaatsen in de functie van (Beleids)adviseur B ruimtelijke ordening (hierna: beleidsadviseur B). Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en de heer B. Floor. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

1. Eiser is vanaf 1990 werkzaam voor de voormalige gemeente Maarssen, vanaf 1 januari 2002 vervulde eiser de functie strategisch beleidsmedewerker ruimtelijke ordening. De functieschaal van deze functie was schaal 10. Per 1 juli 2002 is eiser ingepast in uitloopschaal 10A. Ten gevolge van de herindeling van de gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen en de daaruit voortvloeiende reorganisatie is de structuur van de nieuw te vormen gemeente Stichtse Vecht opnieuw opgesteld en dienden de medewerkers te worden geplaatst in de nieuwe organisatie. Aan de hand van het Sociaal Statuut voor de herindeling van de gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen (sociaal statuut) heeft verweerder besloten om eiser definitief te plaatsen in de functie van beleidsadviseur B in het team Ruimtelijke Ontwikkeling op de afdeling Ontwikkeling. Deze functie vereist een HBO-opleidingsniveau en ruime aanvullende ervaring en is gewaardeerd op schaal 11.

2. Eiser heeft bezwaar aangetekend tegen het plaatsingsbesluit, omdat hij wenst te worden geplaatst in de functie (Beleids)adviseur A/ ruimtelijke ontwikkeling (hierna: beleidsadviseur A). Deze functie vereist een WO-opleidingsniveau en is gewaardeerd in schaal 12. De bezwaarcommissie heeft verweerder geadviseerd eisers bezwaarschrift gegrond te verklaren, alsnog een functievergelijking uit te voeren en afhankelijk van de uitkomst daarvan het primaire besluit te herroepen dan wel aan te vullen. Verweerder heeft daarop besloten het bezwaarschrift gegrond te verklaren omdat het primaire besluit niet was voorzien van een deugdelijke motivering. Met een aanvullende motivering heeft verweerder het plaatsingsbesluit ongewijzigd gelaten. Hiertegen richt zich het beroep.

3. Op grond van artikel 4.4, vierde lid, van het sociaal statuut wordt elke medewerker overeenkomstig de in artikel 2.1, lid 2, opgenomen intentie een passende dan wel geschikte functie aangeboden. De plaatsing voor wat betreft functieboek 2 in de nieuwe organisatie volgt na vergelijking van de huidige functie met de nieuwe functietyperingen en functie-eisen. Uit dit proces volgt de meest logische nieuwe functie voor de medewerker, waarbij zoveel mogelijk wordt uitgegaan van het principe “mens volgt werk”. Zo nodig worden eisen gesteld aan het volgen van opleiding en/of scholing.

Ingevolge artikel 1.2 van het sociaal statuut is een passende functie een functie waarvoor een werk- en denkniveau nodig is, die de medewerker in verband met zijn competenties, opleiding, ervaring en de voor hem bestaande vooruitzichten in redelijkheid kan worden opgedragen:

a) een passende functie heeft doorgaans dezelfde functieschaal als de oude functie;

b) indien geen functie van dezelfde functieschaal als onder a) beschreven beschikbaar is, dan kan een passende functie één schaal hoger of lager zijn;

Indien geen functie van het niveau onder b) beschreven beschikbaar is, dan kan een passende functie twee schalen hoger of lager zijn. Daar waar sprake is van plaatsing in een lagere schaal heeft de werkgever een inspanningsverplichting om te bevorderen dat de werknemer in een functie wordt geplaatst die overeenkomt met het schaalniveau van de medewerker per 31 december 2010.

Ingevolge artikel 4.4, zevende lid, van het sociaal statuut, voor zover van belang, gelden ingeval meer kandidaten hun voorkeur kenbaar hebben gemaakt voor een functie dan de beschikbare formatieruimte toelaat, bij plaatsing de volgende criteria:

- basisuitgangspunt is ‘mens volgt werk’ (zie artikel 4.4 lid 4);

- medewerker met de langste diensttijd binnen de sector gemeente heeft voorrang;

- de persoonlijke voorkeur van de medewerker. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het door de medewerker overgelegde reflectieformulier.

4. Op basis van deze systematiek dient eerst aan de hand van artikel 4.4, vierde lid, van het sociaal statuut, te worden vastgesteld wat de meest logische functie voor de betrokken medewerker is. Het uitgangspunt daarbij is ‘mens volgt werk’. Dit criterium is in het sociaal statuut niet gedefinieerd. Volgens verweerder is hier volgens vaste jurisprudentie sprake van wanneer de oude en de nieuwe functie grotendeels overeenkomen. Wanneer plaatsing volgens het criterium ‘mens volgt werk’ niet tot de mogelijkheden behoort, dan dient te worden beoordeeld of er een passende functie voorhanden is, zoals gedefinieerd in artikel 1.2 van het sociaal statuut. Als er een passende functie beschikbaar is, dient deze functie als de meest logische functie te worden aangemerkt. Als er geen passende functie beschikbaar is wordt gekeken of er een geschikte functie beschikbaar is, dan wel dat de betreffende medewerker als herplaatsingskandidaat dient te worden aangemerkt.

5. De vraag die aan de orde is, is of verweerder in redelijkheid tot de definitieve plaatsing van eiser in de functie beleidsadviseur B heeft kunnen komen gelet op de uitgangspunten van het sociaal statuut. Daarvoor is van belang of de functie waarin eiser is geplaatst voor hem de meest logische functie is, hetgeen door eiser wordt betwist.

6. Eiser heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat het criterium ‘mens volgt werk’ ten onrechte niet is toegepast. Volgens eiser is de functie van beleidsadviseur A voor hem een volgfunctie, deze functie sluit aan bij het niveau en de feitelijke werkzaamheden van zijn voorgaande functie. Eiser verricht al jaren gemeentegrensoverstijgende taken, zo heeft hij in zijn voorgaande functie als strategisch beleidsmedewerker ruimtelijke ordening onder andere meegewerkt aan de vijfde nota Ruimtelijke Ordening en geadviseerd over het Streekplan 2005 van de provincie Utrecht. Ook in zijn nieuwe functie is eiser de enige die gemeentegrensoverstijgende taken verricht. Hierdoor is volgens het criterium ‘mens volgt werk’ plaatsing in de functie van beleidsadviseur A de meest logische. In de functie beleidsadviseur B ligt de nadruk op plannen van lokale aard.

7. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat voor zowel de A-functie als de B-functie van het criterium ‘mens volgt werk’ geen sprake is. De functie beleidsadviseur B is voor eiser echter wel een passende functie. Zoals ter zitting toegelicht is eiser in principe ook wel plaatsbaar in de functie beleidsadviseur A, echter dit is voor hem niet de meest logische functie. Hiervoor heeft verweerder gewezen op de definitie van passende functie in het sociaal statuut.

8. Ten aanzien van het criterium ‘mens volgt werk’ is de rechtbank van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt waarom van dat criterium geen sprake is en wat op basis van de artikelen in het sociaal statuut de verhouding en rangorde is tussen de begrippen ‘mens volgt werk’ en ‘passende functie’. Eerst in het verweerschrift en tijdens de zitting is verweerder op dit onderscheid ingegaan. In het bestreden besluit staat slechts vermeld dat voor geen van de betrokkenen sprake was van ‘mens volgt werk’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daardoor niet aan de motiveringsplicht voldaan. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.

De rechtbank zal in het hierna volgende bezien of er aanleiding bestaat om, ingevolge artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven.

9. Wat betreft eisers stelling dat verweerder ten onrechte het criterium ‘mens volgt werk’ niet heeft toegepast overweegt de rechtbank als volgt. Van een volgfunctie is slechts sprake als de functies grotendeels overeenkomen. De functieomschrijvingen van eisers oude functie en de A-functie zijn naar het oordeel van de rechtbank te verschillend van elkaar om uitsluitend op grond daarvan te kunnen spreken van een volgfunctie. Zo komen de taken ‘ontwikkelen van beleids- en beheersinstrumenten’ en het ‘vertegenwoordigen in bezwaar en beroep’ in eisers oude functie niet voor. Ook heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting nader toegelicht dat het voor de oude functie vereiste opleidingsniveau en de daarbij behorende salarisschaal verschillen van het voor de A-functie vereiste opleidingsniveau en de bij die functie behorende salarisschaal. Gelet daarop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank alsnog toereikend gemotiveerd dat plaatsing volgens het principe ‘mens volgt werk’ voor de functie beleidsadviseur A niet aan de orde is.

10. Ten aanzien van de plaatsing in de functie beleidsadviseur B overweegt de rechtbank als volgt. Ook in de B-functie komen de taken ‘ontwikkelen van beleids- en beheersinstrumenten’ en het ‘vertegenwoordigen in bezwaar en beroep’ voor, waar deze niet voorkwamen in eisers voormalige functie. Hierdoor is ook de B-functie geen volgfunctie conform het principe ‘mens volgt werk’.

Voor wat betreft eisers gronden ten aanzien van de gemeentegrensoverschrijdende taken, overweegt de rechtbank dat uit de functieomschrijving van eisers voorgaande functie niet blijkt dat de gemeentegrensoverstijgende taken onderdeel waren van zijn functie. Ook uit de functieomschrijvingen van de A- en de B-functie blijkt niet dat de mate waarin gemeentegrensoverstijgende taken worden verricht een onderscheidend criterium betreft voor de uitoefening van één van beide functies. Beide functies vereisen een relatief hoog niveau en in beide functies krijgt de medewerker te maken met complexe kwesties. Dat de gemeentegrensoverstijgende werkzaamheden uitsluitend thuis horen in de A-functie is de rechtbank dan ook niet gebleken, zodat op grond van het wel of niet verrichten van die taken niet voortvloeit dat de B-functie voor eiser niet passend is. Wel zou het daadwerkelijk verrichten van de gemeentegrensoverstijgende werkzaamheden kunnen duiden op de noodzaak om functieonderhoud te plegen. Echter of die noodzaak bestaat valt buiten de omvang van dit geding.

Verder kan de rechtbank verweerder volgen in de overweging dat uit artikel 1.2 van het sociaal statuut volgt dat, ten opzichte van eisers oude functie, een functie met een verschil van één functieschaal meer voor de hand ligt dan een functie met een verschil van twee functieschalen. Ook het opleidingsniveau behorend bij eisers voormalige functie sluit beter aan bij de B-functie dan bij de A-functie.

Verweerder kon naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid tot de conclusie komen dat de functie beleidsadviseur B voor eiser de meest logische functie is. De enkele omstandigheid dat indeling in de A-functie, die hoger is gewaardeerd, op zichzelf denkbaar en verdedigbaar is doet daar niet aan af. De grond slaagt niet.

11. Voorts heeft eiser – samengevat – aangevoerd dat in de functie beleidsadviseur A, waarvoor in totaal 2,0 fte beschikbaar was, ten onrechte twee projectleiders zijn geplaatst. Uit de door verweerder overgelegde informatie blijkt volgens eiser niet waarom de geplaatste kandidaten geschikter voor de A-functie zijn dan eiser. Ook de bezwaarcommissie is die mening toegedaan. Er is ten onrechte geen aandacht besteed aan de discrepantie tussen de functies van de projectleiders in de vorige gemeenten en de taken in de huidige functie van beleidsadviseur A. Uit de huidige taken die door de geplaatste medewerkers worden verricht, blijkt dat zij zich niet bezig houden met beleidsadviezen maar met het aansturen van projecten. Dit betreffen wezenlijk andere taken dan het maken van beleidsadviezen.

12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. De vraag die beantwoord dient te worden is of verweerder redelijkerwijs tot de conclusie kon komen dat de B-functie de meest logische functie is voor eiser. Uit het voorgaande is gebleken dat deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Slechts wanneer de A-functie voor eiser de meest logische functie zou zijn, komt de vraag aan de orde of de twee geplaatste kandidaten op grond van artikel 4.4, zevende lid van het sociaal statuut daarin op juiste gronden zijn geplaatst. Dat is echter hier niet aan de orde.

13. Voorts heeft eiser betoogd dat de motivering om eiser niet in de functie van beleidsadviseur A te plaatsen omdat hij daarin dan boventallig geplaatst zou moeten worden geen valide argument is, nu er meerdere collega’s boventallig in een functie zijn geplaatst.

Ook deze grond slaagt niet, nu hiervoor reeds is komen vast te staan dat de meest logische functie voor eiser de functie van beleidsadviseur B is. De vraag of eiser al dan niet boventallig in de functie beleidsadviseur A kon worden geplaatst is dan ook niet aan de orde.

14. Uit het voorgaande volgt dat het beroep weliswaar gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtbank aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand worden gelaten. Uit de gegrondverklaring volgt verder dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 152,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 7 september 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavicevic , rechter, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.