Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV7439

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
16/601143-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met openlijke geweldpleging. Beroep op noodweer faalt, aangezien naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was van een noodsituatie. Voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601143-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], Dr. [adres].

raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 9 oktober 2011 te Utrecht openlijke geweld heeft gepleegd tegen een persoon.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 9 oktober 2011 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van een incident, waarbij aangever in de vroege ochtend van 9 oktober 2011 te Utrecht tijdens een vechtpartij, waar aangever ook actief aan deelnam, onder meer is geslagen.

Aangever heeft verklaard dat hij zich samen met een vriend, zijnde [A], in de Zadelbar aan de Zadelstraat te Utrecht bevond. Bij het verlaten van die bar, troffen aangever en zijn vriend buiten een drietal jongens aan, waaronder verdachte. In de bar was er al een woordenwisseling geweest tussen [A] en verdachte. Aangever probeerde, aldus zijn verklaring, verdachte zover te krijgen dat verdachte naar huis zou gaan. Aangever liep naar verdachte toe en kreeg toen een zet en een klap tegen zijn arm. Aangever heeft toen teruggeslagen. Verdachte heeft, aldus aangever, hem geslagen, onder andere op de linkerkant van zijn gezicht en op zijn romp. Aangever heeft het meeste gevoeld aan zijn gezicht.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij, toen hij op 9 oktober 2011 de Zadelbar verliet, zag dat aangever en [A] buiten het café weer ruzie kregen met die 3 jongens. Getuige zag dat één van de jongens, jongen 1, en aangever naar elkaar toeliepen. Jongen 1 schreeuwde iets, waarop getuige zag dat aangever naar jongen 1 toeliep, en zag dat zij elkaar aanvlogen en op elkaar insloegen. Hij zag dat jongen 1 aangever volop met zijn vuisten in het gezicht raakte. Jongen 1 heet volgens de getuige ‘[naam] of [verdachte]’en heeft op het Wellandcollege gezeten.

Verdachte heeft verklaard dat hij aangever kent van zijn schooltijd van het Wellandcollege en dat hij op 9 oktober 2011 met aangever heeft gevochten en aangever alleen op zijn gezicht heeft geraakt.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 9 oktober 2011 te Utrecht met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Zadelstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen met kracht slaan en stompen tegen het gezicht van die [slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft betoogd dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, en dat verdachte om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door die kale jongen, zijnde [A], werd beetgepakt en tegen een rolluik werd geduwd, dat die grote jongen, zijnde aangever, wilde gaan vechten en dat hij, verdachte, toen is gaan vechten met aangever.

Eerder heeft verdachte verklaard dat de kale jongen hem pakte en met beide handen bij zijn borst vast pakte, dat de kale jongen verdachte tegen het hek wilde duwen maar dat hem dat niet lukte, dat verdachte de kale jongen wegduwde en dat toen de lange jongen kwam en dat zij toen gingen vechten.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van bovenstaande door verdachte beschreven omstandigheden geen sprake van een noodsituatie. Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat indien het beroep op noodweer niet wordt gehonoreerd, gelet op de omstandigheden, toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in de rede ligt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakte aan openlijke geweldpleging.

Verdachte en zijn mededaders hebben de confrontatie gezocht met aangever, waarbij onder meer stevig is geslagen en gestompt. Hoewel aangever zich ook niet onbetuigd heeft gelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht over te gaan.

Een dergelijke openlijke geweldpleging roept bij omstanders en ook in de samenleving, gevoelens van onrust en onveiligheid op.

Uit de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 januari 2012, blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en derhalve gezien kan worden als een zogenoemde first offender.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf als hierna genoemd, passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. M.S. Koppert en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 februari 2012.

Mr. Y.A.T. Kruijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.