Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV7121

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
16/600159-11; 16/600785-09 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onder meer: bedreigingen medewerkers bureau jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600159-11; 16/600785-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1969] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats] bij Duurstede

raadsvrouw mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 mei 2011, 15 augustus 2011, 12 september 2011, 28 november 2011 en 13 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 en 2: [A] (unitleider bij Bureau Jeugdzorg) heeft bedreigd;

feiten 3 en 4: [B] (gezinshoofd bij Bureau Jeugdzorg) heeft bedreigd;

feit 5 primair: heeft geprobeerd [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

subsidiair: die [benadeelde] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het (ten aanzien van feit 5 het primair) ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feiten 1 tot en met 4 niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft hiervoor vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat enkel de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen kan worden verklaard.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feiten 1 tot en met 4

De rechtbank acht op grond van het navolgende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreigingen van [A] en

[B].

Feit 2

Bewijs

[A] heeft verklaard dat hij -na de zitting over de uithuisplaatsing van de kinderen van verdachtes partner [X] en haar ex-man [Y]- in Utrecht op

9 februari 2011 rond 10:40 uur al bellend met [B] naar zijn auto is gelopen. Hij zag vervolgens dat zijn auto klemgezet was door een andere auto en dat verdachte uit die auto stapte. Hij zag verdachte op zich afkomen en door zijn dreigende houding is hij snel in zijn auto gaan zitten. Hij was erg bang dat verdachte hem fysiek wat aan zou doen. [A] hoorde vervolgens verdachte door de ruit van zijn auto zeggen: “Ik vermoord je, ik weet je te vinden, ik weet waar je woont en ik maak ook je kinderen dood.” Vervolgens hoorde [A] verdachte zeggen: “Als jij hier aangifte van doet, dan vermoord ik je zeker.” en “Wat ben je voor lafaard, kom nu uit je auto”. De telefoonverbinding met [B] stond nog open. Nadat [A] aan verdachte had laten zien dat de telefoonverbinding nog open stond, is verdachte weggelopen.

[B] heeft verklaard dat zij die dag omstreeks 10:50 uur met [A] aan het bellen was en dat zij [A] hoorde zeggen: “ik zou het maar niet doen, dit is al de tweede keer dat je me bedreigt” en zij hoorde een tweede mannelijke stem. De verbinding is vervolgens verbroken en [B] heeft direct [A] teruggebeld waarna [A] aan haar vertelde dat verdachte hem had bedreigd met onder meer de woorden: “Zo, nu heb ik je. Als je aangifte doet, weet ik waar je woont en er gebeurt niet alleen iets met jou, maar ook met je kinderen, of woorden van gelijke strekking.”

[Y], de ex-man van [X], die aanwezig was bij de zitting heeft verklaard dat hij zag dat de voorkant van de auto van verdachte vlak voor de voorkant van de auto van [A] stond geparkeerd. Verdachte maakte een agressieve indruk. Hij zag verdachte druk handgebaren maken en zijn mond bewegen. [Y] zag verdachte met zijn gezicht op een paar centimeter afstand van de ruit staan van de auto van [A]. Dit duurde ongeveer 3 à 4 minuten.

Feit 3

Bewijs

[B], werkzaam als gezinsvoogd bij Bureau Jeugdzorg, heeft verklaard dat zij op

9 december 2010 in Utrecht een gesprek heeft gehad waarbij onder meer [Z], verdachte en [X] aanwezig zijn geweest. [B] hoorde verdachte in dat gesprek tegen [Z] zeggen: “De spanning loopt nu op en je weet wat er gebeurt als de spanning oploopt”. “Het zal niet de eerste keer zijn dat er iemand in de kofferbak belandt.” [B] begreep dat deze woorden voor haar bedoeld waren en voelde zich hierdoor bedreigd gezien de dialoog die kort daarvoor plaatsgevonden had tussen verdachte en [B]. [B] wilde niet instemmen met een voorstel van verdachte.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat hij die woorden heeft gezegd tijdens het gesprek, maar dat hij dit had bedoeld als voorbeeld.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden geuit dat bij [B] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Zelfs als verdachte dergelijke bewoordingen ‘slechts’ als voorbeeld zou hebben geuit, dan ontneemt dat naar objectieve maatstaven bezien niet het bedreigende karakter aan de geuite bewoordingen. Het enkele feit dat [B] pas na langere tijd aangifte heeft gedaan doet hieraan evenmin af, temeer niet nu dit incident werd gevolgd door een soortgelijk incident, zoals hierna onder Feit 4 beschreven.

Nadere overweging

De verklaring van [X] dat zij niets gehoord heeft over een “kofferbak” en dat verdachte niet boos werd bij het gesprek komt niet overeen met de verklaringen van de overige aanwezigen bij het gesprek, inclusief verdachte zelf. Om die reden schuift de rechtbank haar verklaring ter zijde.

Feit 4

Bewijs

[B] heeft verklaard dat zij op 8 februari 2011 is gebeld door een collega van [C] die haar vertelde over de bedreiging van verdachte aan haar, [B]. [B] werd op dat moment bang en voelde zich onveilig. Op 9 februari 2011 heeft [B] [C] zelf telefonisch gesproken en die vertelde haar dat op 24 januari 2011 tijdens een telefoongesprek met verdachte verdachte zei: “Ik snij dat mens haar keel door, schrijf dat maar op.” Verdachte doelde op [B], aldus [C].

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij gezegd heeft dat hij hoopt dat ze sterft en dat hij daarmee [B] bedoelde. Dit heeft hij in een opwelling gezegd, aldus verdachte.

Bewijsoverweging

Dat verdachte de opmerking in een opwelling zou hebben gemaakt doet aan bovenstaande bedreiging niets af.

Immers, naar objectieve maatstaven bezien kunnen de gebruikte bewoordingen de gerechtvaardigde vrees doen ontstaan dat degene jegens wie ze zijn geuit haar leven zou verliezen. Daarnaast kan ook bij een in opwelling gedane bedreiging bij de bedreigde de redelijke vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Gezien de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder de bedreiging is geuit is de rechtbank van oordeel dat deze vrees door [B] redelijk is.

Feit 1

Bewijs

[A], unitleider bij Bureau Jeugdzorg, heeft verklaard dat hij op 7 februari 2011 na een gesprek met onder andere de gezinsvoogd van het gezin, [B] in [woonplaats], rond 16:30 uur verdachte zag zitten in zijn auto met mevrouw [X]. Verdachte keek in zijn richting.

[A] zag vervolgens dat verdachte hem strak aankeek, zijn hand naar zijn keel bracht en een snijdende beweging langs zijn keel maakte. Hij zag dat verdachte hem hierbij de hele tijd strak aankeek en met zijn vinger in zijn richting wees.

Verdachte heeft verklaard dat hij [A] na het gesprek bij Bureau Jeugdzorg vanuit zijn auto naar buiten heeft zien lopen.

[B] heeft verklaard dat zij die dag rond 16:50 uur is gebeld door [A] en dat hij aan haar heeft verteld dat verdachte een snijbeweging langs zijn keel maakte en naar hem wees.

Bewijsoverweging

Nu de rechtbank geen enkele reden heeft te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van [A], gaat de rechtbank uit van de juistheid van de inhoud van zijn aangifte. Hier komt bij dat [A] net na het incident met [B] heeft gebeld om aan haar te vertellen dat verdachte hem op deze wijze had bedreigd. Dit biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steunbewijs voor de bedreiging zoals verklaard is door [A].

Voorts past dit feit binnen de sfeer en de context van de overige feiten (2 tot en met 4). In combinatie met de overige bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank dit feit dan ook bewezen.

Nadere overweging

De verklaring van verdachte ter zitting dat hij alleen maar zijn hand heeft opgestoken, dat het zou kunnen dat dit verkeerd is opgevat en dat dit het enige gebaar is geweest dat hij heeft gemaakt, acht de rechtbank in deze niet aannemelijk.

De verklaring van [X], de partner van verdachte, legt de rechtbank naast zich neer. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat [X], terwijl zij bij verdachte in de auto zat, op de bijrijdersstoel, [A] (en de bedreigende handeling door verdachte) niet heeft gezien, terwijl zowel verdachte als [A] hebben verklaard dat zij elkaar hebben gezien.

Ten aanzien van feit 5 primair

De rechtbank acht op grond van het navolgende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tot twee keer toe heeft geprobeerd [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Bewijs

Incident in augustus 2007

Op 4 december 2007 heeft [benadeelde] verklaard dat verdachte haar eind augustus 2007 door het vertrek heeft geduwd en haar bij haar nek heeft gegrepen.

Ten aanzien van het voorval in augustus 2007 heeft [benadeelde] verklaard dat verdachte haar probeerde te wurgen. [naam], haar pleegdochter, was op dat moment in huis.

[naam] heeft verklaard dat zij op 14 of 15 augustus 2007 rode en blauwe plekken in de nek van [benadeelde] heeft gezien na het incident met verdachte.

Incident op 12 september 2007

[benadeelde] heeft op 13 september 2007 aangifte gedaan van mishandeling die avond daarvoor door verdachte. Verdachte heeft haar geslagen, bij haar keel gegrepen en heel hard gedrukt. Hij heeft haar tegen de grond gedrukt en is boven op haar komen zitten, heeft haar neus dichtgeknepen en geprobeerd haar te wurgen. Hij heeft vervolgens haar hoofd in zijn handen genomen en haar meerdere malen tegen de grond en een paar keer tegen de muur geslagen.

Naar aanleiding van het incident is een medische verklaring d.d. 13 september 2007 opgemaakt waaruit volgt dat [benadeelde] de volgende verwondingen had:

- Blauwe plek op de hoofdhuid

- Erytheem op de neuspunt

- Contractuur van de halswervels

- Blauwe plek en schaafwond op de schouder L

- Schrammen op de rug

- Pijn in de ribben rechts

- Vaginale en traumatische bloeding

- Blauwe plek op de voet L

- Schaafwonden op de hand R + L.

Deze verwondingen hebben een tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 3 dagen tot gevolg.

[benadeelde] heeft op 3 augustus 2011 aanvullend verklaard dat op de avond van 12 september 2007 verdachte probeerde haar vingers te breken en dat hij haar met haar hoofd tegen de muur en de grond heeft geslagen. Verdachte heeft haar keel dichtgeknepen en met een hand geprobeerd haar neus dicht te houden. Hij heeft onderaan de trap [benadeelde] in haar kruis getrapt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat gedurende zijn half jaar durende verblijf in Frankrijk twee incidenten hebben plaatsgevonden, één keer op 12 september 2007 en één keer daarvoor. Het zou kunnen dat hij die keer in augustus 2007 de keel van die [benadeelde] heeft afgeknepen en dat hij haar geschopt heeft. Verdachte was beide keren onder invloed van drank.

Bewijsoverweging

De gedetailleerde verklaringen van [benadeelde], in combinatie met het geconstateerde letsel in de medische verklaring en de blauwe en rode plekken in de nek waargenomen door de pleegdochter, maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte beide keren heeft geprobeerd [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook heeft verdachte zelf verklaard dat hij de keel van [benadeelde] heeft dichtgeknepen.

Met name de contractuur (samentrekking of kramp) van de halswervels bij [benadeelde] ondersteunt de verklaring dat verdachte [benadeelde] met kracht bij haar hals heeft gegrepen, haar keel heeft dichtgeknepen, hetgeen naar gewoon spraakgebruik als een poging tot zwaar lichamelijk letsel kan worden beschouwd. Maar ook de overige geweldshandelingen hebben daaraan naar het oordeel van de rechtbank substantieel bijgedragen, waarbij met name ook wordt gewezen op het slaan van het hoofd tegen de grond en de muur.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 07 februari 2011 in het arrondissement Utrecht [A] (unitleider bij bureau jeugdzorg) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend ten overstaan van die [A] zijn hand naar de keel gebracht en daarbij een snijdend gebaar langs de keel/nek gemaakt;

2.

op 09 februari 2011 te Utrecht, [A] (unitleider bij bureau jeugdzorg) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn auto voor de auto van die [A] geparkeerd en de auto van die [A] klemgezet en toen die [A] in zijn auto plaatsnam tegen die [A] gezegd "ik vermoord je, ik weet je te vinden, ik weet waar je woont, en ik maak je kinderen ook dood" en "als je hier aangifte van gaat doen dan vermoord ik je zeker, kom uit je auto, wat ben je voor een lafaard";

3.

op 09 december 2010 te Utrecht [B] (werkzaam als gezinsvoogd bij bureau jeugdzorg) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen mevrouw [Z], in aanwezigheid van die [B] gezegd "je weet wat er gebeurt als de spanningen oplopen" en "het zal niet de eerste keer zijn dat

er iemand in de kofferbak belandt", daarbij doelend op die [B];

4.

omstreeks 8 februari 2011 te Utrecht [B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk mevrouw [C] dreigend de woorden toegevoegd: "ik snij dat mens haar keel door", daarbij doelend op die [B];

5. Primair

meermalen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 13 september 2007 te gemeente Condom, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] telkens opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet één of meermalen met grote kracht in de keel/nek van die [benadeelde] heeft geknepen en gedurende enige tijd de keel van die [benadeelde] dichtgedrukt heeft gehouden en het hoofd van die [benadeelde] tegen muren en op een vloer heeft geslagen en geduwd, en aan/tegen de vingers van die [benadeelde] heeft geduwd of getrokken of omgeklapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feiten 1 tot en met 4: telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 5: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Zowel de psychiater H.L. Keijer (in zijn rapport van 16 mei 2011) als de psycholoog

R.B. Visser (in zijn rapport van 1 augustus 2011) hebben gerapporteerd dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast geven beide deskundigen aan dat er in 2007 sprake was van alcoholmisbruik. De persoonlijkheidsstoornis van verdachte maakt volgens beide deskundigen dat er sprake was van een verminderde controle over woede en agressieve impulsen, zodat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Voor het overige is niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zodat verdachte dus strafbaar is.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 107 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 4 jaar. Als bijzondere voorwaarden vordert de officier van justitie reclasseringstoezicht met duo-begeleiding, en -kort gezegd- een dagbesteding, een behandeling bij Kade 17 of een soortgelijke instelling, een alcohol- en drugsverbod en een contactverbod ten aanzien van medewerkers van Bureau Jeugdzorg.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier forse bedreigingen en een poging zware mishandeling. De bedreigingen zijn gedaan aan medewerkers van Bureau Jeugdzorg, onder meer aan de gezinsvoogd van de drie kinderen van de partner van verdachte.

Dat deze bedreigingen een grote impact hebben gehad op de medewerkers van Bureau Jeugdzorg, blijkt uit hun verklaringen en de angst die zij voor verdachte hadden. En dit terwijl zij gewoon hun werk deden. De rechtbank acht het volstrekt ontoelaatbaar dat personen die hun werk uitvoeren, waarbij zij nota bene juist het belang van anderen voorop stellen, op een dergelijke wijze worden bejegend. Dit maakt het uitvoeren van hun werk vrijwel onmogelijk. Het gedrag van verdachte is dan ook buiten alle perken.

Ook heeft verdachte op indringende wijze geprobeerd een vriendin tijdens twee heftige incidenten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het slachtoffer heeft daarbij ook het nodige letsel opgelopen. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij bij haar gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Ook dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Gelet op de aard en de ernst van deze feiten acht de rechtbank in beginsel dan ook een gevangenisstraf van langere duur een passende straf.

De rechtbank heeft in het kader van de persoon van verdachte acht geslagen op het volgende:

- een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte diverse malen eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

- een verdachte betreffend rapport van de psychiater H.L. Keijer d.d. 16 mei 2011. De deskundige beschrijft daarin de problematiek van verdachte zoals hiervoor onder 5.2 zakelijk is weergegeven en adviseert een behandeling gericht op het impulsieve en agressieve gedrag van verdachte en aanvullende psychiatrische diagnostiek om comorbiditeit uit te sluiten en mogelijk te behandelen.

Een poliklinische behandeling zou het voor verdachte mogelijk maken zijn relatie te onderhouden, hetgeen kans biedt op vermindering van psychopathische trekken.

Het advies is dan ook als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht door een reclasseringsduo en tevens inhoudende een behandeling door De Waag, maar ook een contactverbod met Bureau Jeugdzorg, tenzij dit onder toezicht en onder de voorwaarden van de reclassering gebeurt. Een proeftijd van 4 jaar wordt geadviseerd. Het langdurige en intensieve toezicht wordt noodzakelijk geacht vanwege het te verwachten langdurig verhoogde recidive-risico.

- een verdachte betreffend rapport van (klinisch) psycholoog drs. R.B. Visser d.d. 1 augustus 2011. De deskundige beschrijft daarin de problematiek van verdachte zoals hiervoor onder 5.2 zakelijk is weergegeven en geeft aan dat een klinische behandeling in dit stadium niet is aangewezen vanuit gedragsdeskundig perspectief en evenmin uit veiligheidsoogpunt. Dit zou slechts stress-verhogend werken met contra-productief verzet en ageren tot gevolg en zou verdachte weghalen uit zijn relatie die normaliserend en recidivepreventief werkt. Omdat een behandeling bij De Waag als ambulante behandelvoorziening niet langer in aanmerking komt, adviseert de psycholoog een behandeling bij Kade 17 in Utrecht.

- meerdere de verdachte betreffende voortgangsrapporten van de reclassering. De rechtbank haalt hier het (meest recente) voortgangsverslag van de reclassering d.d. 1 februari 2012 aan, opgemaakt door R. Jens, reclasseringswerker.

De conclusie van de reclassering is dat de behandeling bij Kade 17 vooralsnog niet goed van de grond is gekomen. Allerlei somatische klachten zouden hiervan de reden zijn. Verdachte zegt echter gemotiveerd te zijn om bij Kade 17 in behandeling te blijven en hij wil werken aan zijn agressieproblematiek. De reclassering adviseert om aan verdachte een proeftijd van ten minste 4 jaar op te leggen waarbinnen het reclasseringstoezicht plaats moet vinden.

De reclassering adviseert de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden/aanwijzingen op te nemen in het vonnis:

- Verdachte zal zich begeleidbaar opstellen en zich gedragen naar de aanwijzingen hem te

geven door de reclassering.

- Verdachte zal zijn medewerking verlenen aan een poliklinische behandeling en deze niet

zonder toestemming van de behandelaren en/of de reclassering voortijdig afbreken.

Verdachte geeft de reclassering toestemming om bij de behandelaren te informeren naar de

voortgang van de begeleiding/behandelingsgesprekken.

- Verdachte zal geen drugs gebruiken en zal alcohol met mate en in overleg met de

reclassering gebruiken en zal meewerken aan de controles hierop.

- Verdachte zal op geen enkele wijze zelfstandig, direct of indirect, contact opnemen en

onderhouden met Bureau Jeugdzorg, zonder vooraf uitdrukkelijke toestemming en

aanwezigheid van Reclassering Nederland, zolang Reclassering Nederland dit nodig acht.

- Verdachte zal zich inzetten om naast zijn behandeling en reclasseringscontact een zinvolle

dagbesteding te vinden.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 10 november 2009 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, in verband met huiselijk geweld en afpersing en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een misdrijf (feit 5) voor de hierboven genoemde datum gepleegd.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Gezien vorenstaande overwegingen omtrent de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, ziet de rechtbank in het feit dat verdachte inmiddels reeds gedurende langere tijd uit zijn voorlopige hechtenis is geschorst geen aanleiding hem een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan deze.

Als bijzondere voorwaarden zullen aan de voorwaardelijke op te leggen gevangenisstraf aan verdachte, reclasseringstoezicht worden opgelegd en de voorwaarden zoals vermeld in bovengenoemd voortgangsverslag van de reclassering d.d. 1 februari 2012.

Hoewel het vorige reclasseringstoezicht negatief beëindigd is, gaat de rechtbank uit van het vertrouwen dat het huidige reclasseringsduo heeft geuit dat dit toezicht kans van slagen heeft en dat verdachte hiervoor gemotiveerd blijft.

De rechtbank is voorts van oordeel dat langdurig reclasseringstoezicht met de bijbehorende behandeling en voorwaarden noodzakelijk is, maar weegt mee dat verdachte vanaf 31 mei 2011 als onderdeel van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis reeds onder dit toezicht staat van de reclassering. Aan verdachte zal dan ook een proeftijd worden opgelegd van

3 jaar.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 750,00 voor feit 5.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, opgelegd door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank bij vonnis van

10 november 2009, ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan vier nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde viermaal heeft overtreden. Hierbij komt dat verdachte zich evenmin heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarde. Immers, uit een reclasseringsrapport van 11 februari 2011 blijkt er onveranderlijk sprake is van verzet en het ter discussie stellen van de meldplichtcontacten bij de reclassering.

Bovenstaande in combinatie met herhaalde mededelingen van verdachte dat hij wilde stoppen met het reclasseringstoezicht, is voor de reclassering aanleiding geweest om het advies tot tenuitvoerlegging bij de rechtbank neer te leggen. In het aanvullend rapport d.d.

8 maart 2011 heeft de reclassering dit advies gehandhaafd.

Gelet op het bovenstaande zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 57, 63, 285, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feiten 1 tot en met 4: telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 5: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit of (één van) de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich begeleidbaar door de reclassering moet opstellen;

* dat verdachte zijn medewerking moet verlenen aan een poliklinische behandeling bij de forensisch psychiatrische politiekliniek van Altrecht Aventurijn, Kade 17, of een soortgelijke instelling en deze niet zonder toestemming van de behandelaren en/of de reclassering voortijdig kan afbreken. Verdachte geeft de reclassering toestemming om bij de behandelaren te informeren naar de voortgang van de begeleiding/behandelingsgesprekken;

* verdachte mag geen drugs gebruiken en mag alcohol enkel met mate en in overleg met de reclassering gebruiken en moet meewerken aan de controles hierop;

* verdachte mag op geen enkele wijze zelfstandig, direct of indirect, contact opnemen en onderhouden met Bureau Jeugdzorg, zonder vooraf uitdrukkelijke toestemming en aanwezigheid van Reclassering Nederland, zolang Reclassering Nederland dit nodig acht;

* verdachte moet zich inzetten om naast zijn behandeling en reclasseringscontact een zinvolle dagbesteding te vinden;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij feit 5

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 750,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

13 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde] € 750,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 10 november 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600785-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. A. van Maanen en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 februari 2012.