Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV6301

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
SBR 11-1979
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

W0Z-specialisten. Vergoeding kosten taxatierapport. Machtiging. Deskundigheid taxateur. Uurtarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/535
Belastingblad 2012/256
V-N 2012/37.31.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/1979

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.B.A.C. Hasselman),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [P], verweerder

(gemachtigde: W. Schellingerhout).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2011 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet Woz) de waarde van de woning [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor het belastingjaar 2011 vastgesteld op € 402.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2010. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning een aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: de OZB-aanslag) opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsgrondslag is gehanteerd.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2011 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bij de beschikking vastgestelde waarde van de woning verminderd tot een bedrag van € 364.000,-. De OZB-aanslag is in overeenstemming daarmee verminderd. Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken SBR 11/1980 en 11/1981, plaatsgevonden op 12 januari 2012. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de door eiser gemaakte kosten van rechtsbijstand door WOZ-specialisten te [vestigingsplaats] vergoed tot een bedrag van € 218,-. De kosten van het door eiser in bezwaar ingebrachte taxatierapport van 21 maart 2011, opgemaakt door [A] (hierna: [A]), taxateur bij [naam] te [vestigingsplaats], heeft verweerder niet vergoed.

2. In beroep is in geschil of verweerder al dan niet terecht heeft geweigerd de kosten van het in bezwaar uitgebrachte taxatierapport aan eiser te vergoeden. Daarvoor heeft WOZ-specialisten na de bestreden uitspraak een bedrag van € 333,20 inclusief BTW, zijnde € 280,- (3,5 uur à € 80,-) exclusief BTW, aan eiser in rekening gebracht.

3. Verweerder heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de door eiser aan zijn gemachtigde verleende machtiging om beroep in te stellen niet mede het instellen van beroep tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar omvat. De machtiging beperkt zich volgens verweerder tot het beroep tegen de OZB-aanslag en/of de Woz-waardebeschikking. Omdat de waardevaststelling niet in geschil is, heeft eiser geen procesbelang en dient hij niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Eiser heeft naar voren gebracht dat de machtiging ook het instellen van beroep tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar omvat.

4. Bij de machtiging van 26 februari 2011 heeft eiser mr. M.B.A.C. Hasselman, werkzaam bij WOZ-specialisten te [vestigingsplaats], gemachtigd om bezwaar te maken en/of beroep aan te tekenen tegen zijn OZB-aanslag en/of de Woz-beschikking, hem te vertegenwoordigen ter zitting en te verzoeken om een nieuwe Woz-beschikking uit te reiken in het jaar van eigendomverkrijging op basis van artikel 26 van de Wet Woz. Dit alles met het recht van substitutie. Naar het oordeel van de rechtbank is deze machtiging duidelijk en toereikend, omdat onder het instellen van beroep tegen de Woz-beschikking ook het instellen van beroep tegen de bestreden uitspraak moet worden begrepen, waarin vergoeding van (een deel van) de met het bezwaar tegen die beschikking gemoeide proceskosten is afgewezen. Dat het geschil in deze zaak zich slechts beperkt tot de proceskostenvergoeding, doet aan de toereikendheid van de verleende volmacht dus niet af.

5. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat WOZ-specialisten de procedure voor haarzelf voert. Dat geldt ook voor [naam], die zich in deze procedure presenteert als deskundige. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad (HR) van 25 april 2008 (LJN: BD0464) is verweerder van mening dat er geen sprake kan zijn van vergoeding van rechtsbijstand als er geen kosten zijn gemaakt. Dat geldt ook voor de kosten van een taxatierapport. De dienstverlening en taxatie van WOZ-specialisten respectievelijk [naam] zijn kosteloos. Volgens verweerder brengt de procedure voor eiser geen kosten met zich mee.

6. Eiser heeft in beroep uiteengezet dat [A] werkzaam is bij WOZ-diensten B.V. te [vestigingsplaats]. WOZ-diensten B.V. hanteert voor haar juridische werkzaamheden de handelsnaam WOZ-specialisten en voor haar taxatiewerkzaamheden de naam [naam]. De taxateur is niet betrokken bij juridische werkzaamheden, maar heeft de deskundigheid en expertise om de Woz-waarde van een woning te kunnen beoordelen. Een jurist kan dat niet. Er worden geen handelingen vermengd.

7. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. In de woorden ‘redelijkerwijs heeft moeten maken’ wordt tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van bijstand redelijk moet zijn geweest (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 154). In artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

8. Dit is gebeurd bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of artikel 7:28, tweede lid, van de Awb, uitsluitend betrekking hebben op: ‘b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.’. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak of de beslissing op bezwaar als volgt vastgesteld: ‘b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is verschuldigd indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken’.

9. Op grond van artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is de partij die een deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, aan deze een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts) bepaalde is van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wts worden bij algemene maatregel van bestuur de tarieven vastgesteld voor vergoedingen voor: ‘a. werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid’ van de Wts.

10. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit tarieven strafzaken (Bts). Op grond van artikel 6 van het Bts geldt voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wts, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur. In de Nota van Toelichting bij het Bts (Stb. 2003, 330, p. 11) wordt over artikel 6, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: ‘Het artikel stelt het maximum uurtarief vast voor vergoedingen voor werkzaamheden waarvoor elders in het besluit geen speciaal tarief is bepaald. De vraag of voor deze werkzaamheden het maximum uurtarief of een lager tarief geldt, is afhankelijk van de mate van wetenschappelijke of bijzondere aard van de werkzaamheden. Door een maximumtarief op te nemen is er ruimte voor marktwerking; om deze reden is eveneens afgezien van het opnemen van een minimumtarief.’.

Op grond van artikel 15 van het Bts worden de bedragen, genoemd in dit besluit, verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.

11. Uit een arrest van de HR van 27 november 2009 (LJN: BJ7919) vloeit voort dat het mogelijk is om uitsluitend in (hoger) beroep te komen tegen een proceskostenveroordeling. Om voor vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, in aanmerking te kunnen komen, moeten er door eiser wel kosten zijn verschuldigd voor het inschakelen van een deskundige. Uit een arrest van de HR van 7 oktober 2011 (LJN: BT6841) volgt dat rechtsbijstand op basis van no cure no pay niet in de weg staat aan een proceskostenvergoeding. No cure no pay is immers een systeem waarbij, indien de procedure wordt gewonnen, er door de belanghebbende kosten worden gemaakt. Dit geldt ook voor de kosten van het inschakelen van een deskundige, als die kosten op basis van no cure no pay in rekening worden gebracht.

Anders dan verweerder veronderstelt, is eiser bij een gewonnen procedure dus kosten verschuldigd. De omstandigheid dat eiser deze kosten pas na afloop van de procedure - nadat verweerder de vergoeding voor de proceskosten aan hem heeft betaald - verschuldigd is aan WOZ-specialisten en dat de in rekening te brengen kosten gelijk worden gesteld met de toe te wijzen proceskostenvergoeding, maakt niet dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

12. Verweerder heeft verder aangevoerd dat de werkzaamheden van taxateur en gemachtigde zozeer met elkaar verweven zijn, dat zij zich presenteren als één dienstverlener. Zijns inziens komen de kosten van het taxatierapport dan niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking. Ter zitting heeft verweerder in dit verband de vakbekwaamheid van [A] betwijfeld.

13. Ten aanzien van de deskundigheid van de taxateur stelt de rechtbank vast dat [A] niet is ingeschreven in het VastgoedCert register of het register van de Stichting Certificering Voor Makelaars en taxateurs (SCVM). Wel is [A] ingeschreven in het register Kandidaat Makelaar Wonen (KRMT) van de SVMnivo, de Stichting Vakexamen Makelaardij in Onroerende Goederen, het examenbureau voor de vastgoedbranche. Naar eiser ter zitting heeft verduidelijkt, houdt deze inschrijving in dat [A] bevoegd is tot waardebepaling van woningen, maar niet voor taxaties daarvan ten behoeve van (het verkrijgen van) financieringen. Die laatste taxaties zijn voorbehouden aan de makelaar. De rechtbank is van oordeel dat [A] - evenals de in het VastgoedCert of het SCVM register ingeschreven makelaars - voor de toepassing van het Bpb kan worden aangemerkt als deskundige, omdat hij bevoegd is tot het verrichten van taxaties als hier aan de orde zijn.

14. Ter bepaling of het inroepen van een deskundige redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de bezwaar- of beroepsinstantie van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. De onderliggende zaak heeft betrekking op de waardevaststelling van een woning. Gezien het belang, gelegen in de bepleite waardevermindering, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de vastgestelde waarde onder meer dient als grondslag voor gemeentelijke belastingen, de waterschapsbelasting en de inkomstenbelasting, is het inroepen van een deskundige naar het oordeel van de rechtbank redelijk. De kosten van de deskundige kunnen op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. In dit verband is niet van belang dat verweerder niet om dit rapport heeft gevraagd, zoals hij ter zitting heeft betoogd.

15. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat de deskundige niet onpartijdig is. WOZ-specialisten en [naam] maken namelijk deel uit van dezelfde besloten vennootschap, WOZ-diensten B.V., en hebben belang bij een gegrond beroep. De taxateur heeft een rechtstreeks financieel belang bij de vaststelling van de waarde omdat er pas tot vergoeding van kosten wordt overgegaan bij een verlaging van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat er geen objectief waardeoordeel is.

16. Dat [A] zijn werkzaamheden vooringenomen of niet onpartijdig heeft uitgevoerd, is door verweerder niet nader onderbouwd en is de rechtbank ook niet gebleken. De omstandigheid dat [naam] is gelieerd aan WOZ-specialisten staat er niet aan in de weg om [A] aan te merken als een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder bij de bestreden uitspraak de waardebepaling van [A] heeft gevolgd.

17. Onder verwijzing naar recente uitspraken van het Gerechtshof Arnhem van 7 juni 2011 (LJN: BQ9231), 1 november 2011 (LJN: BU4042), 8 november 2011 (LJN: BU4959) en 6 december 2011 (LJN: BU8361) en de daar gebezigde motivering, acht de rechtbank thans, anders dan voorheen, het door de taxateur gehanteerde uurtarief van € 80,- exclusief BTW in dit geval redelijk. Nu het aantal door de taxateur aan de taxatie bestede uren van 3,5 door verweerder niet wordt betwist, volgt hieruit dat de aan eiser in rekening gebrachte kosten van de taxateur ad € 280,- exclusief BTW (€ 333,20 inclusief BTW) voor vergoeding in aanmerking komen.

18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak in zoverre. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat verweerder, met toepassing van artikel 8:75a van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede lid tot en met vierde lid, van de Awb, wordt veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken voor het door de deskundige uitgebrachte taxatierapport ad € 333,20 inclusief BTW.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

20. Voorts veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-, een wegingsfactor van 0,25 omdat geen beoordeling van het materiële geschil heeft plaats gevonden en slechts de kostenvergoeding in bezwaar in geschil is en het belang gering is).

Omdat deze zaak gevoegd is behandeld met de zaken SBR 11/1980 en 11/1981, verdeelt de rechtbank de in beroep gemaakte proceskosten gelijkelijk over deze zaken. Dit levert een proceskostenvergoeding van € 72,83 per zaak op.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover die ziet op de weigering de kosten van het uitgebrachte taxatierapport aan eiser te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder de kosten van het taxatierapport van € 333,20 inclusief BTW aan eiser vergoedt;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 72,83, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Binsbergen, voorzitter, en mr. M.N. Noorman en mr. P.M.J.H. Muijlaert, leden, in aanwezigheid van mr. J.J.A.G. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.