Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV4014

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
16-601076-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling in café.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601076-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [woonplaats].

Raadsvrouw mr. A.Y.M. Jansse, advocaat te Zeist.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 5 november 2011 opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer];

subsidiair: op 5 november 2011 opzettelijk heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer];

meer subsidiair: op 5 november 2011 [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie van acht het subsidiair ten laste gelegde, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft er hierbij op gewezen dat verdachte door aangever twee keer een kopstoot in zijn gezicht te geven bewust het aanmerkelijke risico op zwaar lichamelijk letsel bij aangever heeft aanvaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft vrijspraak bepleit. De verdediging heeft er hierbij op gewezen dat verdachte niet opzettelijk een kopstoot aan [slachtoffer] heeft gegeven. Verdachte werd van zijn kruk getrokken en kwam op de grond terecht. Toen hij probeerde op te staan, kreeg hij een klap op zijn hoofd. Het is mogelijk, aldus de verdediging, dat verdachte toen met zijn hoofd per ongeluk tegen het hoofd van [slachtoffer] aan is gekomen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 5 november 2011 in café [naam] te Utrecht samen met verdachte en de vriendin van verdachte aan de bar op een barkruk zat. Toen verdachte en zijn vriendin ruzie kregen, trok aangever verdachte van zijn vriendin af, waardoor verdachte uit balans raakte en op de grond viel. Toen aangever naar voren leunde om verdachte te helpen met opstaan, kwam verdachte iets omhoog en gaf aangever met opzet en met kracht een kopstoot. Het hoofd van verdachte kwam tegen de mond en neus van aangever aan. Aangever zag en hoorde dat verdachte weer overeind kwam en voelde dat verdachte hem met kracht een tweede kopstoot gaf. Het hoofd van verdachte kwam weer tegen zijn mond en neus aan. Aangever voelde een enorme pijnscheut in zijn mond en voelde dat zijn voortand knapte. De voortand lag los op zijn tong. Door een tandarts is door middel van een röntgenfoto vastgesteld dat de tand van aangever er tot aan de wortel uit was.

De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van [getuige], bedrijfsleider in café [naam]. Hij heeft verklaard dat hij op 5 november 2011 zag dat verdachte aangever twee of drie maal met kracht en kennelijk opzettelijk een kopstoot gaf. Hij zag dat aangever op zijn bovenlip geraakt werd. [getuige] zag dat aangever en verdachte op een halve meter afstand van elkaar stonden en dat verdachte die halve meter moest overbruggen om aangever een kopstoot te geven.

De verklaring van aangever wordt eveneens ondersteund door de verklaring van [getuige 2]. Zij was op 5 november 2011 als barmedewerkster werkzaam in café [naam]. Ze zag dat verdachte aangever met beide handen bij de schouders vasthield en twee keer achter elkaar een kopstoot gaf. Verdachte raakte aangever bij zijn neus en mond. Ze zag dat aangever onder het bloed zat bij zijn mond.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat het bovengenoemde niet is te kwalificeren als zware mishandeling danwel een poging tot zware mishandeling en overweegt daartoe als volgt.

Het afbreken van een voortand is niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Voorts valt uit het dossier niet af te leiden dat verdachte zich door het geven van de betreffende kopstoten willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen het meer subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de verdediging dat verdachte niet opzettelijk een kopstoot aan aangever zou hebben gegeven wordt verworpen. Gelet op de verklaringen van aangever, [getuige] en [getuige 2] kan het niet anders dan dat sprake is geweest van het opzettelijk geven van de kopstoten door verdachte.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (meer subsidiar) op 5 november 2011 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tweemaal, een kopstoot tegen diens mond en neus heeft gegeven, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] een afgebroken voortand heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

meer subsidiair: mishandeling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Daarnaast heeft zij het opleggen van een werkstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, gevorderd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is primair verzocht verdachte vrij te spreken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht, mocht de rechtbank aanleiding zien een straf op te leggen, te volstaan met het opleggen van een werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in het uitgaansleven -in een café- schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] door hem tot tweemaal toe een kopstoot te geven. Als gevolg hiervan is een voortand van aangever afgebroken. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweld nog lang last kunnen hebben van angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid. Dit soort geweld in het uitgaansleven heeft ook een grote invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid wordt hierdoor versterkt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 december 2011, waaruit blijkt dat verdachte meerdere keren is veroordeeld voor mishandeling, laatstelijk door het Gerechtshof Arnhem op 13 februari 2006, voor een zware mishandeling en een poging daartoe, gepleegd in 2002. Voorts houdt de rechtbank voor wat betreft de persoon van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij momenteel in het kader van een persoonsgebonden reïntegratie project bij de gemeente Utrecht een tweetal opleidingen volgt met als doel om uit de bijstand te komen en in zijn eigen inkomen te kunnen voorzien.

Uitgangspunt voor de strafoplegging bij een mishandeling als de onderhavige is een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Gelet op voornoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest van 13 dagen. De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. De rechtbank ziet -in afwijking van de vordering van de officier van justitie en het uitgebrachte reclasseringsrapport- geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijke straf en het in dat kader opleggen van reclasseringstoezicht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van primair en subsidiair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

meer subsidiair: mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 dagen,

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf,

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, en mrs. L.M.G. de Weerd, en A. van Maanen, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 februari 2012.