Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3691

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-02-2012
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
16/710360-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan onder meer medeplegen van gijzeling, medeplegen van moord, eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710360-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Demersluis te Amsterdam.

Raadsvrouwe mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 31 januari 2012 en 2 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gegijzeld.

Feit 2, primair:samen met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] heeft gedood.

Feit 2, subsidiair: samen met een ander, opzettelijk, [slachtoffer 1] heeft gedood, welk feit werd voorafgegaan van een gijzeling en een diefstal met geweld en/of afpersing.

Feit 3: samen met een ander, met gebruikmaking van een vuurwapen en/of een mes, goederen heeft gestolen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en, samen met een ander, met gebruikmaking van een vuurwapen en/of een mes, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft afgeperst.

Feit 4: samen met een ander XTC-pillen voor handen heeft gehad.

Feit 5: [slachtoffer 1] heeft afgeperst voor een bedrag van € 5.000,00.

Feit 6: een vuurwapen en munitie voor handen heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en, voor wat betreft de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), met name op de door verdachte op 13 januari 2011 en 15 januari 2011 afgelegde verklaringen bij de politie. Uit de bewijsmiddelen volgt, aldus de officier van justitie, dat verdachte zowel op het talud langs de A27, als daaraan voorafgaand in de auto en bij de planning van de ontvoering, weloverwogen, na kalm beraad en rustig overleg, het besluit heeft genomen om [slachtoffer 1] te doden. Verdachte heeft vele momenten in de tijd de gelegenheid gehad en gebruikt om over het feit na te denken en te beslissen over hetgeen hij uiteindelijk ook gedaan heeft, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen onder feit 2 primair en feit 5 aan verdachte ten laste is gelegd. Hiertoe heeft de raadsvrouwe het volgende aangevoerd:

De voorbedachte rade, vereist voor een bewezenverklaring van het onder 2 primair aan verdachte tenlastegelegde medeplegen van moord, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Er is bij verdachte geen sprake geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] om te brengen. Verdachte wilde [slachtoffer 1] enkel zijn geld afnemen en hem daarna vrijlaten. Het plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven is afkomstig van de bestuurder van de auto. Verdachte heeft geen tijd gehad om zich te beraden op het door de bestuurder genomen besluit. Pas na het horen van de woorden ‘onder de grond’, uitgesproken door de bestuurder, wist verdachte wat er stond te gebeuren. Verdachte raakte in paniek en verstijfde. Na het uitstappen uit de auto volgde een snelle aaneenschakeling van gebeurtenissen. De bestuurder sommeerde verdachte te schieten. Verdachte heeft dit niet gedaan. Dat de bestuurder vervolgens het wapen heet gepakt en heeft geschoten, komt volledig voor rekening van de bestuurder.

Ten aanzien van hetgeen onder feit 5 aan verdachte ten laste is gelegd, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er sprake is geweest van ‘bedreiging met geweld’. Verdachte bedreigde [slachtoffer 1] ermee dat hij diens naam bekend zou maken aan de mensen van wie [slachtoffer 1] geld gestolen zou hebben. Het door dwang gebruikte middel is niet geweld, maar dreiging met de openbaarmaking van een geheim. Er is derhalve geen sprake van afpersing, maar van afdreiging, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht. Afdreiging is echter niet aan verdachte tenlastegelegd, zodat vrijspraak dient te volgen, alles aldus de raadsvrouwe.

Gelet op bovenstaande is de verdediging van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van moord en de afpersing in oktober 2010.

De feiten die onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 6 op de tenlastelegging staan vermeld kunnen volgens de verdediging wettig en overtuigend bewezen worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3.1 De verklaringen van verdachte

Voorafgaand aan de bespreking van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het van belang stil te staan bij de verklaringen die verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en ook ten overstaan van de rechtbank, heeft afgelegd.

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat van de verschillende versies van het gebeurde die verdachte heeft verteld, enkel de versie waarin verdachte verklaart zelf de schutter te zijn geweest, voor het bewijs gebruikt dient te worden. De overige verklaringen van verdachte zijn op geen enkele manier aannemelijk geworden.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht uit te gaan van de verklaring die verdachte d.d. 4 mei 2011 ten overstaan van de politie heeft afgelegd en welke verklaring verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte gedurende het onderzoek verschillende verklaringen over het lossen van het fatale schot heeft afgelegd. Na een eerdere ontkenning heeft verdachte tegenover de politie op 13 en 15 januari 2011 verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Nadien is hij daar onder meer tijdens zijn verhoren op 7 april 2011 en 4 mei 2011 steeds meer op teruggekomen. Zo heeft verdachte d.d. 7 april 2011 verklaard dat hij denkt dat niet hij, maar de bestuurder van de auto [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Tijdens zijn verhoor d.d. 4 mei 2011 heeft verdachte vervolgens verklaard dat hij er weliswaar bij was, maar dat het de bestuurder is geweest die de trekker heeft overgehaald. Ten overstaan van de rechtbank heeft de verdachte zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie d.d. 4 mei 2011 in grote lijnen herhaald: Ze zijn met zijn drieën het talud op gelopen. De bestuurder van de auto heeft [slachtoffer 1] op zijn knieën gedwongen. Duwt vervolgens het vuurwapen in de hand van verdachte en beveelt hem te schieten. Verdachte doet dit niet, waarop de bestuurder van de auto het wapen uit zijn handen pakt en zelf van een afstand van drie of vier meter het fatale schot lost.

Ondanks het feit dat verdachte is teruggekomen op zijn, in eerste instantie afgelegde, verklaringen en zich op het standpunt stelt dat de bestuurder van de auto degene is geweest die [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, acht de rechtbank deze verklaringen niet aannemelijk voor zover zij afwijken van zijn verklaringen, zoals afgelegd bij de politie op 13 en 15 januari 2011. Verdachte heeft op 13 en 15 januari 2011 uitgebreid en gedetailleerd verklaard over het moment waarop [slachtoffer 1] van het leven wordt beroofd.

Deze verklaringen zijn direct na het gebeurde afgelegd. Deze door hem afgelegde verklaringen vinden, anders dan zijn nadien afgelegde verklaringen, steun in andere bewijsmiddelen in het dossier en bevatten voorts op vier punten daderwetenschappen. Daarom gaat de rechtbank uit van deze verklaringen, voor zover zij ondersteund worden door andere bewijsmiddelen in het dossier. Voor zover overige verklaringen van verdachte, waaronder zijn verklaring zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 januari 2012, afwijken van de verklaringen afgelegd d.d. 13 en 15 januari 2011, zijn zij ongeloofwaardig in het licht van de overige onderdelen van het dossier. De verklaring ter terechtzitting wordt met name ook weerlegd door het schotrestenonderzoek waar de schootsafstand uit blijkt.

4.3.2 De bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 2 primair, 3 en 5

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] in oktober 2010 heeft bedreigd met als doel een geldbedrag van [slachtoffer 1] te verkrijgen. De dreiging bestond erin dat verdachte aan de zogenoemde maffia zou vertellen dat [slachtoffer 1] verantwoordelijk was voor de diefstal van een groot geldbedrag uit een woning in Friesland, welk geldbedrag aan deze maffia zou toebehoren. In ruil voor € 5.000,00 zou verdachte een andere naam dan die van [slachtoffer 1] noemen. [slachtoffer 1] heeft dit geldbedrag vervolgens in de brievenbus van de woning van de moeder van verdachte gedaan. Verdachte heeft de € 5.000,00 ontvangen.

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij op 11 januari 2011, samen met een ander naar de woning van [medeverdachte] is gereden, alwaar [slachtoffer 1] aan het pokeren was. Verdachte had een vuurwapen inclusief munitie bij zich. Op het moment dat verdachte [slachtoffer 1], samen met [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en een derde persoon op straat zag lopen, is verdachte, met het vuurwapen in zijn hand, naar hen toegelopen. Hij pakte [slachtoffer 2] vast en sloeg haar daarbij met zijn vuurwapen op haar hoofd. [slachtoffer 2] werd door verdachte de auto in gedwongen. De bestuurder van de auto dwong [slachtoffer 1] de auto in. Zowel [slachtoffer 2] als [A] (hierna: [A]) hebben bevestigd dat zij samen met [slachtoffer 1] in de avond van 10 op 11 januari 2011 hebben gepokerd bij [medeverdachte] te Utrecht. ’s Nachts, 11 januari 2011, liepen zij gedrieën over straat, toen verdachte ineens verscheen. Hij liep op hen af en richtte daarbij een vuurwapen op hen. Hij greep [slachtoffer 2] vast en sloeg met het vuurwapen op haar hoofd. Zij werd door verdachte de auto in gedwongen. De bestuurder van de auto stapte uit, pakte [slachtoffer 1] vast, en duwde hem ook in de auto. De bestuurder had een glimmend voorwerp in zijn rechterhand. Vervolgens reed de auto weg. In de auto richtte verdachte het vuurwapen op het scheenbeen van [slachtoffer 1] en telde tot drie. Hierop hoorde [slachtoffer 2] een ‘klik’. Verdachte heeft eveneens verklaard dat hij in de auto zijn vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft gericht en vervolgens de trekker heeft overgehaald.

Tijdens de autorit richtte verdachte het vuurwapen continu op zowel [slachtoffer 1] als op [slachtoffer 2]. Verdachte sommeerde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hun telefoons af te geven. [slachtoffer 1] gaf verdachte zijn BlackBerry en [slachtoffer 2] gaf hem haar Nokia E72. Na enige tijd gereden te hebben, stopte de auto in een bos, in de buurt van Zeist. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] moesten uit de auto stappen. Verdachte richtte het vuurwapen op [slachtoffer 2]. De bestuurder ging bij [slachtoffer 1] staan en vroeg aan [slachtoffer 1] waar zij woonden. [slachtoffer 1] antwoordde, waarna ze weer in de auto moesten stappen. Tijdens de rit naar de woning aan de [adres] te Hilversum richtte verdachte wederom zijn vuurwapen afwisselend en continu op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Bij de woning aangekomen commandeerde verdachte [slachtoffer 2] uit te stappen. Verdachte gaf het vuurwapen aan de bestuurder en ging met [slachtoffer 2] de woning in. Verdachte had een mes in zijn hand. In de woning pakte verdachte de kluis en bracht deze naar de auto. De kluis werd geopend. Er zat wat geld in. Vervolgens ging verdachte de woning weer in. Verdachte pakte van een nachtkastje een telefoon en stopte deze in zijn zak. [slachtoffer 2] gaf verdachte het spaargeld, ongeveer € 5.000,00. [slachtoffer 2] zag dat verdachte in de auto stapte en dat de auto wegreed. [slachtoffer 1] zat nog in de auto. Die nacht, 11 januari 2011, om 02.25/02.26 uur belt [slachtoffer 2] naar 112 en meldt dat [slachtoffer 1] door twee personen, onder bedreiging van een vuurwapen, in een auto met kenteken [kenteken] wordt vastgehouden. Omstreeks 02:45 uur diezelfde nacht treft verbalisant [verbalisant] het voertuig met kenteken [kenteken] leeg aan op de [adres] te Utrecht. Het voertuig staat op naam van [B], wonende te [adres] te Utrecht.

Op 12 januari 2011 omstreeks 12.40 uur wordt door [C] op een talud langs de Rijksweg A27, ter hoogt van hectometerpaal 90,6 links, nabij het hek dat de berm afscheidt van de spoorlijn en nabij treinstation Hollandse Rading, het stoffelijk overschot van, wat later blijkt, [slachtoffer 1] aangetroffen. Op de plaats delict werd, ter hoogte van de plaats waar het hoofd van [slachtoffer 1] had gelegen, een huls (CCI, Luger, 9mm) aangetroffen. Het lichaam is overgebracht naar het mortuarium van het Meander Ziekenhuis te Amersfoort. Het lichaam is hier door een lijkschouwer, forensisch arts, geschouwd, waarbij deze heeft vastgesteld dat links onder het oog, schuin naar boven lopend een huidverwonding zichtbaar was en ook op het achterhoofd een ronde huidopening aanwezig was, wat kan duiden op penetrerend letsel van de schedel. Voorts heeft een patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1]. Bij de sectie werden letsels A (huidperforatie achterhoofd) en B (huidperforatie onder linkeroog) vastgesteld, welke bij leven waren ontstaan ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld passend bij één doorschot waarmee het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard door weefselschade en functieverlies van de hersenen en hersenstam. Het tijdstip van overlijden is vastgesteld in de nacht van 10 op 11 januari 2011. Op 14 januari 2011 is het stoffelijk overschot door de ouders en de vriendin van [slachtoffer 1] geïdentificeerd als zijnde het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1].

Verdachte heeft verschillende keren een verklaring afgelegd bij de politie en ook ter terechtzitting heeft verdachte een verklaring afgelegd. Zo heeft verdachte aangegeven dat ze, nadat ze waren weggereden bij de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in Hilversum, over de snelweg richting Utrecht reden. Op een gegeven moment gingen ze langzamer rijden op de vluchtstrook. De bestuurder zei tegen verdachte dat hij een kogel in het vuurwapen moest doen. Verdachte deed dit. Vervolgens zei hij tegen verdachte ‘onder de grond’, wat volgens verdachte inhield dat [slachtoffer 1] dood moest.

Tijdens zijn verhoor op 13 januari 2011 heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft dood geschoten. Verdachte heeft [slachtoffer 1] meegenomen, ze zijn omhoog gelopen, vervolgens heeft verdachte op de muts van [slachtoffer 1] gericht, en eenmaal geschoten. In zijn verklaring op 15 januari 2011 heeft verdachte nogmaals verklaard dat hij met [slachtoffer 1] omhoog is gelopen. [slachtoffer 1] liep voor hem. Ze stopten. Verdachte wachtte een paar seconden, als een soort voorbereiding. [slachtoffer 1] keek van verdachte af. Verdachte keek en zag dat hij richtte op de muts van [slachtoffer 1]. De afstand tussen het vuurwapen en [slachtoffer 1] was ongeveer één meter. Verdachte schoot. Onderzoek door het NFI heeft uitgewezen dat de schootsafstand tussen de 10 en 100 centimeter lag.

In de woning waar verdachte is aangehouden, werd een gedemonteerd vuurwapen aangetroffen dat in verschillende plastic zakjes was verpakt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het gedemonteerde vuurwapen van hem is. Hij had het zelf uit elkaar gehaald en verstopt. Ook heeft verdachte verklaard dat dit het vuurwapen is waarmee is geschoten en dat de aangetroffen huls op de plaats delict uit zijn vuurwapen afkomstig is. Onderzoek door het NFI heeft uitgewezen dat de hypothese dat de huls, die werd aangetroffen op de plaats delict, is verschoten met het vuurwapen dat toebehoort aan verdachte zeer veel waarschijnlijker is dan wanneer de huls zou zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapen(s) van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het betreffende vuurwapen.

4.3.3 De opgave van bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 4 en 6

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 januari 2012.

- de bevindingen van [D], d.d. 8 februari 2011.

- het relaas van [E] d.d. 21 juni 2011.

- de bevindingen van [F] d.d. 13 januari 2011.

- de bevindingen van Ing. [G] d.d. 21 februari 2011.

- de bevindingen van [E] d.d. 17 januari 2011.

- de bevindingen van [H] d.d. 26 januari 2011.

4.3.4 Aanvullende bewijsoverwegingen

De bedreiging met de maffia

Door de raadsvrouwe is, ten aanzien van het onder 5 aan verdachte ten laste gelegde feit, aangevoerd dat het door dwang gebruikte middel niet geweld is, maar dreiging met de openbaarmaking van een geheim. Zodoende is er volgens de raadsvrouwe sprake van afdreiging, en niet van afpersing. Nu afdreiging, strafbaar gesteld in artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht, niet ten laste is gelegd, dient verdachte vrij te worden gesproken, aldus de raadsvrouwe.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouwe, van oordeel dat er wel sprake is van afpersing door bedreiging met geweld. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het enkele bekend worden van het geheim, namelijk dat [slachtoffer 1] verantwoordelijk is voor de diefstal, heeft bijgedragen aan het feit dat [slachtoffer 1] daadwerkelijk € 5.000,00 aan verdachte heeft betaald. Dreiging met de maffia impliceert in zichzelf de dreiging met geweld. Het zal juist de angst voor represailles door de maffia geweest zijn die de uiteindelijke afpersing hebben doen slagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] heeft afgeperst door bedreiging met geweld.

De bestuurder van de auto en het medeplegen

De rechtbank acht het van belang stil te staan bij de identiteit van de bestuurder van de auto die betrokken is geweest bij de vrijheidsberoving en de diefstal met geweld en afpersing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], alsmede de uiteindelijke dood van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] en [A] hebben immers beiden verklaard dat naast verdachte, ook een tweede persoon, die door hen als bestuurder van de auto wordt aangeduid, betrokken is geweest bij de gijzeling. Verdachte heeft voorts verklaard dat de auto waarin de betreffende avond en nacht is gereden, werd bestuurd door [B]. De beschrijvingen die [slachtoffer 2] en [A] van de bestuurder geven, lijken deze [B] echter uit te sluiten.

De rechtbank stelt vast dat uit het opsporingsonderzoek rechtens niet is komen vast te staan wie de bestuurder van de auto is geweest. Hiervoor staat thans ook niemand terecht. Wel staat voor de rechtbank vast dat, gelet op de stukken in het dossier, er een bestuurder van de auto in het spel is geweest. Voor de beoordeling van de aan verdachte ten laste gelegde feiten speelt de identiteit van de bestuurder, voor de rechtbank, geen rol.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en de verklaringen van verdachte, leidt de rechtbank af dat er enige druk is geweest van de bestuurder op verdachte. Zo heeft [slachtoffer 2] verklaard dat verdachte, bij de woning in Hilversum, een discussie kreeg met de bestuurder. Zij had de indruk dat verdachte [slachtoffer 1] wilde laten gaan. Hij maakte aanstalten om het portier te openen. Dit mocht niet van de bestuurder. Verdachte keek haar met ‘puppyoogjes’ aan. [slachtoffer 2] had de indruk dat het niet meer volgens plan ging. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij dacht dat de bestuurder de baas was over verdachte. Verdachte besloot niets zelf en wachtte steeds tot de bestuurder een antwoord gaf. Verdachte maakte op [slachtoffer 2] de indruk alsof hij niet wist waar hij aan begonnen was. Hij keek bang uit zijn ogen. Ook verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] vrij wilde laten, maar dat dit niet mocht van de bestuurder.

De rechtbank heeft geen reden om er aan te twijfelen dat verdachte op enigerlei wijze onder druk van de bestuurder heeft gestaan. Te meer nu [slachtoffer 2] er geen enkel belang bij heeft op dit punt niet naar waarheid te verklaren en, daar waar het de discussie bij de auto over de vrijlating van [slachtoffer 1] betreft, zij de verklaring van verdachte ondersteunt.

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 2] en verdachte, alsmede de overige stukken in het dossier – in onderling verband en samenhang gezien – aangaande de bestuurder, is de rechtbank van oordeel dat er een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen verdachte en deze bestuurder. Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat van medeplegen sprake is voor wat betreft de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten.

Het opzet en de voorbedachte rade

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1], tezamen en in vereniging, opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Door een gericht schot te geven op het hoofd van [slachtoffer 1], kan niet anders worden geoordeeld dan dat verdachte heeft gehandeld met het opzet om [slachtoffer 1] te doden, waarmee aan het bestanddeel “opzettelijk” is voldaan.

Volgens vaste jurisprudentie is voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’ vereist dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Ook aan dit bestanddeel is naar het oordeel van de rechtbank voldaan.

Uit de verklaringen van verdachte d.d. 13 januari 2011 en 15 januari 2011 blijkt immers niet alleen dat verdachte de tijd heeft gehad en dat de gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden, maar tevens dat hij daadwerkelijk over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Verdachte heeft, nadat de bestuurder van de auto tegen hem had gezegd een kogel in het vuurwapen te doen, dit ook daadwerkelijk gedaan. Hierop zou de bestuurder tegen verdachte hebben gezegd dat [slachtoffer 1] ‘onder de grond’ moest. Verdachte heeft, zowel ten overstaan van de politie als ter terechtzitting, verklaard dat hij vanaf het moment dat hij de woorden ‘onder de grond’ hoorde, wist dat het niet meer goed zou komen. Hij wist wat er zou gaan gebeuren; [slachtoffer 1] diende gedood te worden. Vervolgens is verdachte, met [slachtoffer 1], het talud langs de A27 opgelopen. Verdachte heeft toen, zoals volgt uit zijn verklaring bij de politie op 15 januari 2011, een paar seconden gewacht ter voorbereiding, alvorens het fatale schot te lossen. Daarbij heeft verdachte gericht op het mutsje dat [slachtoffer 1] droeg. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte, alvorens hij [slachtoffer 1] dwong het talud op te lopen, wist met welk doel zij het talud op gingen. Daarbij heeft verdachte, aangekomen op de plaats waar [slachtoffer 1] uiteindelijk is gedood, de tijd genomen om zich voor te bereiden op het lossen van het schot. Een moment waarop verdachte zich kennelijk beraden heeft op de door hem voorgenomen daad.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte, ook al heeft hij gehandeld onder druk van de bestuurder, kon nadenken en ook heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan ook rekenschap heeft gegeven. Het verweer van de verdediging dat van voorbedachte rade van de zijde van verdachte geen sprake was, wordt dan ook verworpen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 11 januari 2011 te Utrecht en Hilversum en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], te dwingen iets te doen, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, toen aldaar

-die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een mes en een vuurwapen bedreigd en

-die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gezegd dat zij in een auto moesten instappen en

-met die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gedurende langere tijd rondgereden, terwijl

tijdens dat autorijden een vuurwapen afwisselend op die [slachtoffer 2] en De

[slachtoffer 1] werd gericht gehouden en

-die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onder dreiging van een vuurwapen laten zeggen

waar die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wonen en

-in die auto naar de woning van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gereden en

-die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gesommeerd te vertellen wat de kluiscombinatie

is en

-met die [slachtoffer 2] de woning van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ingegaan;

2.

Primair

op 11 januari 2011 te Hilversum of Hollandsche Rading, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft

beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel van korte afstand en gericht afgevuurd op die [slachtoffer 1], waarbij die [slachtoffer 1] door die kogel werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

3.

op 11 januari 2011 te Hilversum en Utrecht en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een geldbedrag en een kluis, toebehorende aan

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld

en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en black berry en een geldbedrag, toebehorende aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

-langdurig een vuurwapen en een mes op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben gericht gehouden en

-die [slachtoffer 2] met dat vuurwapen hebben geslagen en

-dat vuurwapen op het scheenbeen van die [slachtoffer 1] hebben gehouden en daarbij tot drie hebben geteld en daarna de trekker hebben overgehaald;

4.

op 11 tot en met 12 januari 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 285 gram MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

op tijdstippen in de periode van 01 oktober 2010 tot en met 31 oktober 2010 te Utrecht,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van vijfduizend euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, [slachtoffer 1] liet weten dat hij [slachtoffer 1] zou aangeven bij de maffia als de dader van de diefstal van een groot

geldbedrag bij de maffia, en hij, verdachte, die melding achterwege zou laten (en een andere naam zou noemen dan die van [slachtoffer 1]) wanneer die [slachtoffer 1] hem, verdachte, een bedrag van vijfduizend euro zou betalen;

6.

hij in de periode van 01 oktober 2010 tot en met 12 januari 2011 in Nederland,

een wapen van categorie III, te weten een pistool merk Ruger, en munitie van categorie III, te weten meerdere patronen kaliber 9 mm Luger, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Medeplegen van gijzeling.

Feit 2, primair: Medeplegen van moord.

Feit 3: Eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 4: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Feit 5: Afpersing.

Feit 6: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. De rechtbank merkt op dat verdachte bij de feiten 1, 2 primair en 3 onder druk van een derde stond, maar niet is gesteld of anderszins aannemelijk geworden dat sprake was van een zodanige druk dat die van invloed zou moeten zijn op de strafbaarheid.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2 primair en feit 5.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren op te leggen. Voor de feiten 1, 3, 4 en 6 heeft de raadsvrouwe verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal twee jaren op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in oktober 2010 [slachtoffer 1] voor € 5.000,00 afgeperst. In november en december 2010 is verdachte, hoewel dit feit niet aan hem ten laste is gelegd, betrokken geweest bij nog een poging tot afpersing van [slachtoffer 1]. Daarnaast is verdachte actief op zoek gegaan naar [slachtoffer 1]. Zo heeft hij verschillende mensen in zijn omgeving benaderd en geld geboden in ruil voor het woonadres van [slachtoffer 1]. Uiteindelijk heeft dit erin geresulteerd dat verdachte, samen met een ander, [slachtoffer 1] en zijn vriendin [slachtoffer 2], onder bedreiging van een vuurwapen en onder het oog van een vriend van deze [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft gegijzeld. Een gijzeling waarbij werd rondgereden met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en tijdens welke rit zij telkens met een vuurwapen door verdachte bedreigd werden en gedurende welke rit verdachte een schijnschot afvuurde op het been van [slachtoffer 1]. Ook moesten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hun telefoons afgegeven, waardoor zij niet in staat waren hulp in te roepen. Onderweg werd er in een bos gestopt, kennelijk om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog meer angst in te boezemen en hen te dwingen hun woonadres prijs te geven. Vervolgens zijn zij naar de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gereden. Daar heeft verdachte een kluis, mobiele telefoon en een groot geldbedrag uit de woning meegenomen. [slachtoffer 2] werd bij de woning achtergelaten. Verdachte en de bestuurder vervolgden hun weg, met in de auto [slachtoffer 1]. Onderweg naar Utrecht, zijn zij met de auto langs de A27 gestopt. [slachtoffer 1] moest uitstappen. Verdachte dwong [slachtoffer 1] vervolgens het talud langs de A27 op te lopen. Boven aangekomen werd [slachtoffer 1] met één gericht schot op zijn hoofd, door verdachte van het leven beroofd.

Verdachte heeft op geen enkele manier respect getoond voor het leven van [slachtoffer 1], en heeft, door [slachtoffer 1] van het leven te beroven, de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed en verdriet gebracht. Het spreekt voor zich dat dit misdrijf een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen, hetgeen ook blijkt uit de slachtofferverklaring die de vader van [slachtoffer 1] ter terechtzitting heeft voorgelezen.

Ook voor [slachtoffer 2] moet het gebeurde zeer traumatiserend geweest zijn. Naast het feit dat zijzelf ook gegijzeld is, is geslagen met het vuurwapen en onder schot is gehouden, is zij ook haar vriend kwijtgeraakt. Aangenomen mag worden dat [slachtoffer 2] door deze gebeurtenissen nog geruime tijd onder de psychische gevolgen die dit met zich mee heeft gebracht, zal lijden. In haar schriftelijke slachtofferverklaring heeft zij onder andere aangegeven onder behandeling te zijn van een traumapsycholoog.

Naast het verdriet dat verdachte de nabestaanden heeft aangedaan, brengen feiten zoals onderhavige bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. Niet voor niets is de strafdreiging voor de aan verdachte verweten strafbare feiten levenslange gevangenisstraf.

Er zijn ook andere omstandigheden waar rekening mee moet worden gehouden.

Vast staat dat verdachte bij het plegen van de aan hem ten laste gelegde feiten onder druk heeft gestaan van de bestuurder. De rechtbank hecht er aan op te merken dat het Wetboek van Strafrecht ervan uitgaat dat weerstand wordt geboden tegen een dergelijke druk. Verdachte heeft dat niet gedaan. Desalniettemin acht de rechtbank dit een gegeven dat dient te worden betrokken in de strafmaat.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte jong is. Verdachte heeft geen inzicht willen verschaffen in zijn persoon en de relatie tot de aan hem ten laste gelegde feiten. De plaatsing van verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) is voortijdig beëindigd, daar verdachte medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Eveneens heeft verdachte ten overstaan van drs. A.F.H. van Overveld, GZ-psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater geweigerd met hen over de aan hem ten laste gelegde feiten te spreken. Hierdoor weet de rechtbank te weinig over de persoonlijkheid van verdachte.

Wel volgt uit het Pro Justitia rapport van drs. A.F.H. van Overveld, GZ-psycholoog,

d.d. 27 maart 2011, dat bij verdachte sprake is van verharding, zelfoverschatting, opportunisme en beïnvloedbaarheid. Daarnaast is sprake van narcistische en antisociale persoonlijkheidstrekken, aldus het Pro Justitia rapport. In lijn met dit rapport, staat in het rapport van het PBC, d.d. 21 december 2011, vermeld dat een persoonlijkheidsstoornis niet kan worden uitgesloten. Het beeld dat tijdens het –beperkte– onderzoek van verdachte is ontstaan, zou kunnen passen bij een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven) met cluster-B-trekken (borderline, antisociaal en narcistisch), aldus de rapporteurs van het PBC. Resumerend wordt in het PBC-rapport eveneens gesteld dat bij verdachte sprake is van antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in het PBC-rapport, als ook in het Pro Justitia rapport van drs. A.F.H. van Overveld staat vermeld, terug te zien is in het handelen van verdachte en zijn gedrag zoals getoond ter terechtzitting. Zo heeft verdachte ter terechtzitting wel expliciet spijt betuigd en berouw getoond ten aanzien van de dood van [slachtoffer 1], doch lijkt hij voorbij te gaan aan de gevolgen voor de slachtoffers van de overige strafbare feiten die hij begaan heeft. Hierin toont hij geen werkelijk inzicht.

Verdachte is zich in 2010 gaan focussen op het geld dat [slachtoffer 1] bezat. [slachtoffer 1] liet velen in zijn omgeving hierin meedelen. Verdachte moest echter klusjes doen om iets te krijgen. Verdachte kon dit kennelijk moeilijk verteren. Daarbij had [slachtoffer 1] een goede relatie met de ex-vriendin van verdachte. Ook dit was voor verdachte niet zomaar te accepteren. Van een vriendschap ontwikkelde er zich een haat jegens [slachtoffer 1]. Tegen deze achtergrond en gelet op de reeks van gebeurtenissen, beginnende bij een afpersing, dan het actief zoeken naar [slachtoffer 1] en vervolgens de dood van [slachtoffer 1], ziet de rechtbank eveneens de geconstateerde persoonlijkheidskenmerken terug. De rechtbank neemt het de verdachte in dit verband zeer kwalijk dat hij zich bij het plegen van de bewezen verklaarde feiten kennelijk uitsluitend heeft laten leiden door zijn verlangen naar geldelijk gewin en zich op geen enkele manier heeft bekommerd om de (fatale)gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Voorts is de rechtbank, gelet op bovenstaande, van oordeel dat er een groot gevaar voor recidive bestaat. Uit hetgeen verdachte, op zeer jeugdige leeftijd, heeft gedaan blijkt dat verdachte tot veel in staat is. Gelet op de persoon van verdachte lijkt niet te kunnen worden uitgesloten dat verdachte in de toekomst nogmaals soortgelijke ernstige delicten waaronder – als zich bepaalde omstandigheden voordoen - een levensdelict begaat.

Ondanks het feit dat niet vast is komen te staan dat verdachte, in welke gradatie dan ook, verminderd toerekeningsvatbaar is, acht de rechtbank zulks geenszins onaannemelijk. Wanneer een verminderde toerekeningsvatbaarheid op grond van enige stoornis vast zou zijn komen te staan, zou ter bescherming van de samenleving een behandeling op zijn plaats zijn geweest. Door de weigerachtigheid van verdachte op dit punt is zulks thans niet mogelijk. De bescherming van de samenleving kan daardoor slechts plaatsvinden door een zeer langdurige vrijheidsbeneming.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten, waaronder moord. Moord is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent en rechtvaardigt op zichzelf, naar zijn aard en ernst, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals hiervoor reeds overwogen is de strafdreiging die op dit delict staat een levenslange gevangenisstraf. Echter, alles afwegende en met name gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en de druk die is uitgegaan van de bestuurder, komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, zoals van één en ander is gebleken naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van zowel de benadeelde partij [slachtoffer 1], alsmede de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2], beide worden toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 2] hoofdelijk wordt toegewezen, gelet op de gevorderde veroordeling van medeverdachte [medeverdachte].

De officier van justitie heeft de gehele toewijzing van de vorderingen benadeelde partijen gevorderd met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie tevens gevorderd deze hoofdelijk toe te wijzen, nu de officier van justitie in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] eveneens de toewijzing van de vordering van [slachtoffer 2] heeft gevorderd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft aangegeven dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn geheel toegewezen kan worden. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouwe primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 1.000,00.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 primair ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 14.617,26, ter zake materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 14.617,26 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering volledig toewijzen inclusief de wettelijke rente over de gevorderde bedragen.

Nu verdachte het feit tezamen en in vereniging met de (tot op heden onbekend gebleven) bestuurder van de auto heeft gepleegd, zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

Uit Bijlage 1 bij het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, maakt de rechtbank op dat de benadeelde partij [benadeelde 2] enkel een schadevergoeding van € 5.000,00 betreffende immateriële schade vordert voor hetgeen haar met betrekking tot de gijzeling, de diefstal met geweld en de afpersing is overkomen.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 5.000,00 een rechtstreeks gevolg is van deze bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering toewijzen inclusief de wettelijke rente . De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding voor het opleggen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze vordering.

Met betrekking tot de toegekende vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de goederen, opgenomen op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 14 en 15 verbeurd te verklaren. De goederen, opgenomen op de beslaglijst onder de nummers 3, 4, 6, 9, 12, 13 en 16 dienen geretourneerd te worden aan de rechthebbenden en de goederen, opgenomen op de beslaglijst onder de nummers 5, 7, 8, 10 en 11 dienen ontrokken te worden aan het verkeer.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft verzocht de goederen, opgenomen op de beslaglijst onder de nummers 3 en 4, te retourneren aan verdachte. Voor wat betreft de te nemen beslissing ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen, heeft de raadsvrouw geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

8.3.1 De verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd 1, 2, 14 en 15 vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat verdachte deze goederen door middel van de strafbare feiten, opgenomen op de tenlastelegging onder 1, 2 en 3, heeft verkregen.

8.3.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd 3 en 4 aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.3.3 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd 6, 9, 12, 13 en 16, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.3.4 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd 5, 7, 8, 10 en 11 zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat deze voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 55, 57, 289, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, alsmede artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van gijzeling.

Feit 2, primair: Medeplegen van moord.

Feit 3: Eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 4: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Feit 5: Afpersing.

Feit 6: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 14.617,26, ter zake van materiële schade, bestaande uit:

* € 9.122,26 vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

* € 285,00 vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

* € 175,00 vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

* € 230,00 vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

* € 4805,00 vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 5.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 11 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 1], € 14.617,26, 108 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 2], € 5.000,00, 60 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 14 en 15;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 5, 7, 8, 10 en 11;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 3 en 4;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 6, 9, 12, 13 en 16;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. Z.J. Oosting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 februari 2012.