Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3643

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-01-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
16/600920-11, 10/820395-09 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed terwijl het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard. Verdachte is hard weggereden van een verkeerscontrole en is vervolgens ingereden op een agent. Poging zware mishandeling en overtreden Wegenverkeerswet bewezen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600920-11, 10/820395-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1983] te[geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. A.A. Holleeder, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 augustus 2011 te Abcoude:

feit 1: primair heeft geprobeerd [naam], brigadier van de politie, van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, subsidiair die [naam] heeft bedreigd;

feit 2: een personenauto heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1: de bevindingen van de politie en de verklaring van verdachte. Verdachte heeft met zijn gedraging bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [naam] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Ten aanzien van feit 2: de bevindingen van de politie ten aanzien van de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit en voert daartoe het volgende aan.

Primair stelt zij zich op het standpunt dat opzet (ook in de voorwaardelijke vorm) op de dood van, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op [naam], niet kan worden vastgesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij [naam] niet heeft gezien en deze verklaring wordt niet weerlegd door de inhoud van het dossier. Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte [naam] heeft gezien, kan evenmin worden vastgesteld dat hij het (voorwaardelijk) opzet had op diens dood dan wel zwaar lichamelijk letsel.

Bovendien had verdachte, aldus de verdediging, ook niet ernstig rekening hoeven te houden met de mogelijkheid dat er iemand zou staan op het deel van de weg waar hij, verdachte, reed: hij was de alcoholcontrole immers al gepasseerd.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte op [naam] inreed: het doorrijden van verdachte was weliswaar bedreigend maar is niet toereikend voor het bewijs van het primair tenlastegelegde

Tot slot stelt de verdediging dat ook poging tot zware mishandeling niet worden bewezen, omdat het blijven doorrijden van verdachte reeds van aanvang af al ongeschikt was als middel tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel: [naam] had namelijk de mogelijkheid tijdig weg te springen, gezien de afstand tussen hem en het voertuig bij het wegrijden, het type voertuig en het feit dat niet is vast te stellen met welke snelheid het reed.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1

Op 25 augustus 2011, omstreeks 02.20 uur, was [naam], brigadier van de politie regio Utrecht, op de Nieuwe Amsterdamseweg te Abcoude, gemeente Ronde Venen. Aldaar vond een alcoholcontrole plaats. [naam] zag dat een stopteken werd gegeven aan de bestuurder van een voertuig (de rechtbank begrijpt: verdachte, die onder invloed van alcohol verkeerde) . Het voertuig stopte. Even later hoorde [naam] het geluid van een fel accelererende auto en zag [naam] dat de personenauto in zijn richting kwam rijden. [naam] stond op dat moment 50 meter verderop midden op de weg, droeg een geel reflecterende verkeersjas en gaf het voertuig met een lamp met rode kegel een stopteken. [naam] zag vervolgens dat het voertuig geen vaart minderde, maar steeds sneller reed. [naam] is vervolgens uit de rijrichting van het voertuig gesprongen.

Verbalisant [verbalisant], eveneens betrokken bij de alcoholcontrole, zag ook dat het voertuig met hoge snelheid in de richting van [naam] reed en dat [naam] op dat moment zwaaide met zijn maglite met rode kegel. Het voertuig minderde echter geen vaart, waardoor [naam] opzij moest springen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Aanvullende bewijsoverwegingen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging om [naam] opzettelijk van het leven te beroven. De rechtbank overweegt daartoe dat niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte reed. Hierdoor kan eveneens niet worden vastgesteld dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat [naam] zou komen te overlijden indien hij door de auto zou worden geraakt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dat deel van de tenlastelegging.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging om [naam] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zij overweegt daartoe dat het handelen van verdachte, te weten het onder invloed van alcoholhoudende drank in een auto proberen te ontkomen aan de politie en daarmee het inrijden op een verbalisant, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij [naam] niet heeft zien staan, niet aannemelijk. [naam] stond midden op het zebrapad, droeg een reflecterende verkeersjas en zwaaide met een in werking zijnde maglite (die een rode kegel uitstraalde). Daarenboven geldt, dat al zou verdachte [naam] daadwerkelijk niet hebben zien staan, het nog steeds verdachte zelf was die met drank op achter het stuur zat en ervoor koos om hard weg te rijden en -blijkbaar- niet voor zich op de weg te kijken waarmee ook in dat geval sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet.

Ten aanzien van feit 2

Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2011 van [naam], brigadier van de politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt, genummerd PL0960 2011191115-3 en opgenomen op pagina 11-12 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0960 2011191115 van de politie regio Utrecht;

- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2011 van [naam], brigadier van de politie regio Utrecht, met als bijlage een kopie van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, in de wettelijke vorm opgemaakt en genummerd PL0971 2011191115-19;

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2011.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. Primair

op 25 augustus 2011 te Abcoude, gemeente De Ronde Venen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam] (brigadier van politie Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een auto (rijdende over de Nieuwe Amsterdamseweg en terwijl hij, verdachte, ten tijde van het besturen van die auto, onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde) met hoge snelheid op die [naam] is ingereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 25 augustus 2011 te Abcoude, gemeente De Ronde Venen, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie

AM en B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, de Nieuwe Amsterdamseweg, als bestuurder een motorrijtuig, een personenauto, van die categorieën heeft bestuurd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: poging tot zware mishandeling.

Feit 2: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie is van mening dat daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht dient te worden opgelegd, tevens inhoudende een meldingsgebod, deelname aan de gedragsinterventie ‘Leefstijltraining’ en een behandeling in een ambulante forensische instelling. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat verdachte gedurende 18 maanden de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen wordt ontzegd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de eis van de officier van justitie, met uitzondering van de duur van de op te leggen gevangenisstraf. De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd welke hoger is dan het reeds door hem ondergane voorarrest en verwijst daarbij naar uitspraken van rechtbanken in vergelijkbare zaken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte reed in een personenauto, terwijl hij alcohol had gedronken én zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Bij een verkeerscontrole heeft hij vervolgens op enig moment de keuze gemaakt om zich aan de (verdere) controle door de politie te onttrekken en heeft hij door hard weg te rijden met zijn auto geprobeerd een agent die verderop stond zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dat de agent uiteindelijk niet is aangereden is niet aan het handelen van verdachte te danken.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gedragingen nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Deze gevoelens van onveiligheid kunnen voor de betreffende agent een belemmering vormen bij de uitoefening van zijn ambt. Naast de gevolgen voor het slachtoffer heeft dit soort delicten, die het werk van de politie bemoeilijken, in het bijzonder een grote invloed op de maatschappij. Dit omdat juist de politie is belast met de taak de rust en de veiligheid binnen de samenleving te bewaren.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 november 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten;

- een hem betreffend advies van Reclassering Nederland van 22 november 2011, opgesteld door H. Afellay, reclasseringswerker, waaruit de volgende delictgerelateerde probleemgebieden blijken: verdachte gebruikt regelmatig alcohol, reageert vaak impulsief, verliest regelmatig zijn zelfbeheersing, kan zich agressief uiten en is niet in staat om problemen eigenhandig op te lossen. Daarnaast is er ook sprake van problematiek op het gebied van huisvesting, werk, financiën en vrienden. De reclassering adviseert dat aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd, met daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met een meldingsgebod, deelname aan de gedragsinterventie ‘Leefstijltraining’ en behandeling bij een ambulante forensische instelling.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, gevorderd. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op hetgeen is opgelegd in vergelijkbare zaken, een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en noodzakelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 3 maanden voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts maakt deze voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door de reclassering, inclusief deelname aan de gedragsinterventie ‘Leefstijltraining’ en behandeling in een ambulante forensische instelling mogelijk.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank daarnaast een werkstraf van 60 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 6 maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen die aan verdachte op 5 maart 2010 is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam ten uitvoer zal worden gelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de proeftijd te verlengen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank ziet geen reden om de proeftijd te verlengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c, 22d, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: poging tot zware mishandeling;

feit 2: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres] te [woonplaats] en dat verdachte zich hierna gedurende de door deze reclasseringsinstelling te bepalen periode blijft melden, zo frequent als deze reclasseringsinstelling nodig acht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte deelneemt aan de gedragsinterventie ‘Leefstijltraining’;

* dat verdachte zich laat behandelen in een ambulante forensische instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 18 maanden;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de politierechter te Rotterdam d.d. 5 maart 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 10/820395-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten: een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.A.T. Kruijer, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. I.P.H.M. Severeijns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 januari 2012.

Mr. Y.A.T. Kruijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen. De griffier is eveneens niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.