Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3001

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-02-2012
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
16/601033-11 en 16/600024-10 tulalg [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor diefstal/heling van 2 auto's in verband met onvoldoende bewijs. Wel veroordeling voor diefstal van 2 andere auto's, mishandeling van zijn levenspartner en bedreiging. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601033-11 en 16/600024-10 tulalg [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. J.J. van de Beek, advocaat te Enschede

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 november 2011 en 23 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 23 september 2009 te Bilthoven een autobus (Mercedes Sprinter) heeft weggenomen; subsidiair in de periode 23 september 2009 tot en met 6 oktober 2009 te Bilthoven zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)heling van die autobus;

2. op 21 december 2007 te Valkenswaard een personenauto (BMW) heeft weggenomen; subsidiair in de periode 21 december 2007 tot en met 22 december 2007 te Valkenswaard zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)heling van die personenauto;

3. op 9 maart 2011 te Nieuwegein, samen met anderen, een personenauto (Seat Ibiza) heeft weggenomen door middel van een valse sleutel; subsidiair op 14 juni 2011 te Houten zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)heling van die personenauto;

4. op 14 april 2011 te Houten, samen met anderen, een personenauto (Peugeot 206) heeft weggenomen door middel van een valse sleutel; subsidiair in de periode van 14 april 2011 tot en met 14 juni 2011 te Houten zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)heling van die personenauto;

5. op 19 augustus 2011 te [woonplaats] zijn levensgezel heeft mishandeld;

6. op 19 augustus 2011 te [woonplaats] heeft geprobeerd een politieman zwaar te mishandelen; subsidiair: op 19 augustus 2011 te [woonplaats] een politieman heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2 en voor het primair ten laste gelegde feit 6.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde feiten 3 en 4, het ten laste gelegde feit 5 en het subsidiair ten laste gelegde feit 6 heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1, 2, 6 en het primair ten laste gelegde feit 3 en 4.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten 1 en 2 niet wettig en overtuigend bewezen, alhoewel er bij feit 2 maar een paar uur zit tussen de diefstal en het aantreffen van de auto met daarin de peuk met verdachte’s DNA. Daartoe overweegt de rechtbank dat de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen de mogelijkheid open houden dat verdachte –zoals hij zelf als mogelijke verklaring heeft geopperd- in de auto’s is gestapt bij criminele vrienden. Hoewel verdachte op dit punt uiterst vaag is gebleven zal de rechtbank hem dit niet tegenwerpen, gelet op het grote tijdsverloop tussen de diefstal van de auto’s en de uitslag van het DNA-onderzoek in beide zaken. Er is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs om verdachte direct te linken aan de diefstal dan wel de (schuld)heling van de beide auto’s. Verdachte zal dan ook van deze feiten worden vrijgesproken.

Feiten 3 en 4

Bij de zoeking in de schuur aan de [adres] te [woonplaats] op 14 juni 2011 werden twee voertuigen aangetroffen, te weten een Seat Ibiza, voorzien van kenteken [kenteken], en een Peugeot 206, voorzien van kenteken [kenteken].

Op 9 maart 2011 is door [aangeefster 1] aangifte gedaan van diefstal op 9 maart 2011 te Nieuwegein van een witte Seat Ibiza met het kenteken [kenteken], bouwjaar 2011. Aangeefster heeft haar auto in de avond van 8 maart 2011 geparkeerd op de [adres] te Nieuwegein. Aangeefster is vermoedelijk tijdens het uitlaten van haar hond, in de avond van 8 maart 2011, haar autosleutels verloren. Op 9 maart 2011, omstreeks 8:30 uur, heeft de buurman van aangeefster de auto nog zien staan. Toen aangeefster op 9 maart 2011, omstreeks 10:00 uur, haar auto wilde gebruiken, was de auto weggenomen.

Op 15 april 2011 is door [aangeefster 2] aangifte gedaan van diefstal in Houten van een blauwe Peugeot 206 met het kenteken [kenteken], bouwjaar 2000. Aangeefster heeft de auto op 14 april 2011, omstreeks 22:30 uur, geparkeerd op de [adres] te Houten. Toen zij op 15 april 2011, omstreeks 8:00 uur, de auto wilde gebruiken, was de auto weggenomen. Op de plaats delict lag een zogenoemde slotplaat.

Medeverdachte [medeverdachte 1], de huurder van de schuur waarin de auto’s zijn aangetroffen, heeft op 19 augustus 2011 tegenover de politie verklaard dat de auto’s door toedoen van een derde, die hij kent onder de naam [verdachte] naar de door hem gehuurde schuur zijn gebracht.

Hij heeft voorts verklaard dat hij voor de in de schuur aangetroffen auto’s niet heeft betaald aan [verdachte], maar dat hij juist de ruimte in de schuur beschikbaar stelde en daarvoor geld zou krijgen van [verdachte]. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat eerst de Seat Ibiza werd gebracht en later de Peugeot 206. De Peugeot was in slechte staat, de deuren zaten er niet meer in en alles lag er los in, behalve het interieur en het dashboard.

De Seat had ook geen deuren meer en daar lag ook veel los in de auto. Alleen het rechterportier lag nog in de auto. De Seat had geen voorruit meer.

Op 14 juni 2011 heeft [medeverdachte 1] aan de politie verklaard dat hij de Peugeot sinds een maand of 2 had.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting van 23 januari 2012 verklaard dat hij niet heeft gezien dat de auto’s door [verdachte] werden gebracht. Ze stonden er beide keren al toen hij bij de schuur kwam. [verdachte] had aan verdachte verteld dat hij deze auto’s had om te gebruiken voor de onderdelen en dat hij, [verdachte], de Seat had geïmporteerd uit België. Medeverdachte [medeverdachte 1] zag in de kofferbak van de Peugeot onder de mat twee kentekenplaten liggen en vermoedde dat die auto mogelijk gestolen was. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de kentekenplaten uit de auto gehaald, opgevouwen en op de koelkast gelegd.

Ter terechtzitting d.d. 23 januari 2012 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] voorts verklaard dat [verdachte] degene is die in de zittingzaal naast hem zit, zijnde [verdachte].

Verbalisant [verbalisant 2] heeft de levensgezel van verdachte, [partner verdachte], op 20 juni 2011 horen zeggen : “Zal ik u eens wat vertellen over die auto? Deze witte Seat is een schadeauto geweest. [verdachte] heeft deze auto voor 3000 Euro gekocht. Hij heeft toen een precies dezelfde auto gejat en met de onderdelen van de gejatte auto zijn schade auto opgeknapt.”

Op grond van het vorenstaande en mede gelet op het korte tijdsverloop tussen de diefstal van de auto’s en het moment waarop deze naar de door [medeverdachte 1] gehuurde schuur zijn gebracht, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde feiten 3 en 4 heeft begaan. Als de Peugeot –zoals [medeverdachte 1] verklaart- twee maanden voor 14 juni 2010 door verdachte naar zijn schuur gebracht is, komt deze datum precies overeen met de datum waarop de diefstal van deze Peugeot plaatsvond, te weten op 15 april 2010. Daarbij gebruikt de rechtbank de hiervoor opgenomen verklaring van levensgezel [partner verdachte] ook als steunbewijs voor feit 4, aangezien de feitelijke gang van zaken ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit, belangrijke overeenkomst vertoont met de feitelijke gang van zaken van het onder 4 ten laste gelegde feit, welk feit soortgelijk is aan het onder 3 ten laste gelegde feit.

De rechtbank hecht betekenis aan het feit dat de verklaring van [medeverdachte 1] overeenstemt met de uitroep van [partner verdachte] en ten slotte aan het feit dat [medeverdachte 1], bij verhoor door de politie, opening van zaken geeft, terwijl verdachte zich tot en met de zitting in zwijgen hult.

Feit 5

De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 21 november 2011 ;

- de aangifte van [partner verdachte], waarbij aangeefster heeft verklaard dat verdachte, met wie zij samenwoont, haar op 19 augustus 2011 te [woonplaats] op de parkeerplaats voor hun woning met zijn vlakke hand twee keer tegen de rechter wang heeft geslagen, als gevolg waarvan zij pijn voelde, en dat verdachte even later haar met zijn rechter vuist een harde slag op haar linker wang/jukbeen/slaap gaf, waardoor aangeefster een heftige pijn voelde, haar evenwicht kwijt raakte, op de grond viel en korte tijd bewusteloos raakte. Aangeefster had een zwelling op haar linkerjukbeen.

Feit 6

Verbalisant [verbalisant 1], aspirant van Politie Gelderland-Zuid, heeft verklaard dat hij op 19 augustus 2011 samen met collega’s naar het adres [adres] te [woonplaats] was geroepen in verband met een ruzie. Verbalisant zag verdachte op enig moment wegrennen en is achter verdachte aangerend. Verbalisant zag verdachte in een zwarte auto stappen en probeerde het portier aan de bestuurderskant open te maken, maar verdachte had dit portier al op slot gedrukt. Verbalisant heeft nog met luide stem geroepen: “Maak de deur open”, maar verdachte reageerde niet. Verbalisant heeft vervolgens met zijn rechter vuist tegen de portierruit geslagen, maar deze ging niet kapot. Verbalisant is vervolgens rechts voor de auto gaan staan op ongeveer 50 cm van de voorbumper om te proberen verdachte niet weg te laten rijden. Verbalisant zag dat verdachte ook daar niet op reageerde. Verbalisant riep: “Stop je bent aangehouden”, en zag vervolgens dat de auto in zijn richting kwam rijden.

Verbalisant zag dat verdachte hem aankeek toen verbalisant naar verdachte riep. Verbalisant zag dat verdachte zijn snelheid verhoogde. Verbalisant hoorde dat aan de motor van de auto en zag dat aan de beweging van de auto. Verbalisant lag vervolgens op de motorkap van de auto en is daar, aldus zijn verklaring, op gaan liggen omdat dat de enige mogelijkheid was om te voorkomen dat hij zou worden aangereden. Het was op dat moment niet meer mogelijk om voor de auto weg te stappen. Verbalisant zag dat de auto 2 à 3 meter verder reed met verbalisant op de motorkap. Verbalisant gooide zich van de motorkap af omdat hij het gevoel kreeg dat verdachte niet wilde stoppen maar verder wilde rijden. Verbalisant zag dat de auto met hoge snelheid wegreed en zag dat het om een zwarte Seat Ibiza ging.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij op 19 augustus 2011 samen met collega’s naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] was gegaan in verband met een melding van mogelijk huiselijk geweld. Verbalisant heeft verklaard dat hij een zwarte personenauto deels op de weg zag staan en dat hij via de voorruit verdachte [verdachte] in de auto zag zitten. Verbalisant zag zijn collega [verbalisant 1] op de linker voorzijde van de motorkap liggen. Collega [verbalisant 1] lag met zijn kruis op de koplamp en met zijn borst op de motorkap. Verbalisant zag dat de auto stapvoets reed en dat collega [verbalisant 1] op de motorkap bleef liggen.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft verklaard dat hij op 19 augustus 2011 samen met collega’s naar de [adres] te [woonplaats] is gegaan in verband met een melding via de werkgever van aangeefster [partner verdachte]. Verbalisant heeft verklaard dat hij zag dat de vluchtende persoon in een zwarte auto zat, dat hij zag dat collega [verbalisant 1] met zijn vuist tegen de zijruit van de auto sloeg, dat collega [verbalisant 1] vervolgens linksvoor voor de auto stond met zijn handen op de motorkap en recht voor de bestuurder van de auto. Toen de auto wegreed zag verbalisant dat collega [verbalisant 1] op de motorkap over een afstand van 3 meter werd meegenomen. Verbalisant zag dat de bestuurder toch doorreed. Vervolgens zag verbalisant dat collega [verbalisant 1] zich van de auto afduwde en dat de bestuurder van de auto met hoge snelheid wegreed.

Getuige [partner verdachte] heeft verklaard dat zij zag dat de agent voor de voorzijde van de auto ging staan en hoorde dat de agenten riepen: “Stoppen, stoppen”. Getuige hoorde dat verdachte gas gaf en zag dat de politieagent met zijn handen op de motorkap rustte.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om verbalisant [verbalisant 1] zwaar te mishandelen. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank de (begin)snelheid van de betreffende auto te gering geweest. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Wel is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte, zoals hiervoor beschreven, kan worden gekwalificeerd als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

3.

op 9 maart 2011 te Nieuwegein, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Seat Ibiza), toebehorende aan [aangeefster 1], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een

valse sleutel;

4.

op of omstreeks 14 april 2011 te Houten, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Peugeot 206), toebehorende aan M.M.G.M. Verweij;

5.

op 19 augustus 2011 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [partner verdachte], meermalen tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

6.

op 19 augustus 2011 te [woonplaats], [verbalisant 1] (aspirant van politie Gelderland-Zuid) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto op voornoemde [verbalisant 1] ingereden (waardoor die [verbalisant 1] op de motorkap van zijn, verdachtes, auto terecht is gekomen);

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 3:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

Feit 4:

Diefstal;

Feit 5:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

Feit 6:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;

- een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis;

- een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gedurende 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaren (met betrekking tot feit 6, subsidiair).

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de door de officier van justitie gevorderde werkstraf van 240 uren te matigen, aangezien die straf niet passend wordt geacht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in een periode van 9 maart 2011 tot 15 april 2011 schuldig gemaakt aan twee autodiefstallen. Het spreekt voor zich dat de door deze feiten ontstane materiële schade groot is geweest; de Seat was splinternieuw. Niet alleen werden die auto's weggenomen, maar vervolgens werden die auto’s ook zwaar beschadigd en gesloopt. Dit heeft voor de slachtoffers tot gevolg gehad dat zij van deze feiten veel ergernis en ongemak hebben ondervonden.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een vorm van huiselijk geweld, hoewel het toegepaste geweld zich buiten de woning van verdachte en zijn vriendin heeft voorgedaan. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vriendin.

Tenslotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een politieagent. Gelet op het door verdachte gebruikte middel, te weten een auto, rekent de rechtbank dit verdachte aan als ernstig feit.

In het rapport van het Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering, d.d. 17 januari 2012 wordt opgemerkt dat het toezicht met parketnummer 16/600024-10 negatief is geretourneerd. De reclassering schat in dat verdachte meer gebaat is bij een hulpverleningstraject op vrijwillige basis. Verdachte heeft moeite met vertrouwen en autoriteit, waardoor het verplichte kader vanuit het reclasseringstoezicht eerder averechts lijkt te werken. Ook na de retourzending van het reclasseringstoezicht heeft verdachte de behandeling bij De Waag voortgezet en zowel de reclassering als De Waag achten verdachte ook in staat de behandeling zonder verplicht kader zelfstandig voort te zetten.

Ter terechtzitting van 23 januari 2012 heeft verdachte verklaard dat hij zelf de dingen die hij moet regelen sneller kan regelen dan de reclassering en dat hij daarvoor niet 40 km naar de reclassering wil reizen.

Uit het de verdachte betreffende 11 pagina’s tellende uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 oktober 2011 blijkt dat verdachte bekend is met vermogens- en geweldsdelicten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de geëiste straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de gepleegde feiten en de recidive van verdachte. De rechtbank acht mede met het oog op de oriëntatiepunten van het LOVS een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden passend en geboden. Een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden heeft geen zin, nu verdachte heeft laten zien dat hij zich niet openstelt voor begeleiding door de reclassering. Ook acht de rechtbank een werkstraf –zoals de officier van justitie heeft geëist- niet aan de orde. Gebleken is immers dat verdachte zich niet aan afspraken houdt. Voor een ontzegging van de rijbevoegdheid ziet de rechtbank in het bewezen verklaarde feit 6 onvoldoende aanleiding.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf] vordert een schadevergoeding van € 4.292,93 voor feit 1.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft bij vordering van 22 november 2011, parketnummer 16/600024-10, gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 42 dagen gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 15 december 2010 (de rechtbank begrijpt: bij vonnis van 31 maart 2010) ten uitvoer zal worden gelegd.

Ter terechtzitting d.d. 23 januari 2012 heeft de officier van justitie verlenging van de proeftijd met 1 jaar gevorderd alsmede opheffing van de bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. Voor de verlenging van de proeftijd ziet de rechtbank geen aanleiding, nu verdachte zich in zijn proeftijd aan meerdere strafbare feiten schuldig heeft gemaakt en heeft aangegeven zich niet door de reclassering te willen laten begeleiden.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging bijzondere voorwaarden van 5 september 2011, eveneens met parketnummer 16/600024-10, zal de rechtbank een separate beschikking opmaken.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 27, 57, 285, 300, 304, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 6, primair, ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 3: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 4: Diefstal;

feit 5: Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

feit 6: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [bedrijf] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 31 maart 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600024-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 februari 2012.