Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV2791

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-01-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
16-711185-11 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming € 4.700,- (hennepteelt)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16-711185-11 (ontneming)

vonnis van de rechtbank d.d. 2 januari 2012

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16-711185-11 waaruit blijkt dat verdachte op

2 januari 2012 door de meervoudige kamer in deze rechtbank is veroordeeld ter zake van het telen van hennep tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Hij heeft daarbij zijn vordering gewijzigd. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

2 De beoordeling

2.1 De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 9.281,46.

2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat veroordeelde zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerlijkheid heeft verklaard dat hij bruto € 6.200,- heeft verdiend. Volgens de raadsman heef verdachte een bedrag van € 2.100,14 aan kosten gemaakt, zoals omschreven in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.3 Het oordeel van de rechtbank

Dat veroordeelde het bewezen verklaarde heeft begaan blijkt uit de in het vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank d.d. 2 januari 2012 genoemde bewijsmiddelen.

De rechtbank ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in art. 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat de uitgangspunten voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in de bijlagen bij de processen-verbaal nr. 2011134722 en 2011134414 juist zijn voor het schatten van de hoogte van het door verdachte verkregen wederrechtelijke voordeel indien er geen aanwijzingen zouden zijn op grond waarvan daarvan dient te worden afgeweken. In de door verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie en tijdens de terechtzitting afgelegde verklaring ziet de rechtbank evenwel aanleiding om af te wijken van die uitgangspunten en het voordeel op een andere wijze vast te stellen.

Veroordeelde heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat hij € 6.200,- bruto heeft verdiend en € 1.500,- kosten heeft gemaakt. De rechtbank, verdachte gezien en gehoord hebbende, acht deze verklaring aannemelijk en zal het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve vaststellen op € 4.700,-. Omdat er geen aanleiding bestaat de aan verdachte op te leggen betalingsverplichting te matigen zal hij worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. De vordering van de officier van justitie wordt voor het overige afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 4.700,-.

Zij legt verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 4.700,--, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Zij wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 januari 2012.

Mr. Schoenmakers is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.