Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV2525

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-01-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
16/600905-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal en geweld tegen winkelmedewerkers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600905-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd te Nieuwegein, PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein

raadsman mr. A.C.J. Nettenbreijers, advocaat te Veenendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 september 2010 een paar herenschoenen uit een winkel heeft gestolen en daarbij geweld heeft gebruikt tegen twee winkelmedewerkers.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van bevindingen van politie waaruit volgt verdachte bij zijn aanhouding een zilverkleurig uitklapbaar mes in zijn broekzak had.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte betwist dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen. De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor wat betreft de handelingen die verdachte zou hebben gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 2]. Verdachte heeft geen mes in handen gehad, maar slechts zijn mobiele telefoon. Deze komt qua grootte overeen met het mes dat nadien in de broekzak van verdachte is aangetroffen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat indien verdachte het mes al in zijn handen heeft gehad, hij het niet heeft open geklapt en er niet mee heeft gedreigd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Mevr. [slachtoffer 1] was op 15 september 2011 aan het werk in de C&A winkel aan de St. Jacobsstraat 2 te Utrecht. Ze zag dat een man telkens om zich heen keek. Omdat ze de situatie niet vertrouwde, waarschuwde ze een collega. Zijzelf liep naar de uitgang. De man liep op een gegeven moment de winkel uit. Bij het passeren van de elektronische detectiepoortjes ging het alarm af. Ze vroeg de man te blijven staan en tikte hem op zijn schouder. Ze zei dat ze even in zijn tas wilde kijken. De man haalde met zijn rechterhand uit in haar richting en sloeg haar, met gebalde vuist, tegen haar mond. Ze voelde een hevige pijnscheut. Medewerker [slachtoffer 2] was in de directe omgeving . Hij bevestigt dat verdachte [slachtoffer 1] met gebalde vuist in haar gezicht sloeg. Hij liep naar de man toe en vroeg hem naar zijn tas. De man overhandigde die aan [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] zag dat daarin een paar herenschoenen zat, van het merk Angelo Litrico, die in de winkel verkocht werden. Omdat de man weer weg wilde lopen pakte [slachtoffer 2] de man bij zijn linkerpols beet. De man pakte toen met zijn rechterhand een zilverkleurig ingeklapt mes uit zijn zak. Hij probeerde dit mes open te klappen. [slachtoffer 2] kon dit voorkomen door met zijn andere hand de rechterhand van de man vast te pakken. De man bleef proberen zich los te rukken. Omdat [slachtoffer 2] hem stevig vast hield vielen ze samen op de grond en ontstond er een worsteling. [slachtoffer 2] liet de man vervolgens los. Ze stonden beiden op en kort daarna werd de man door gearriveerde agenten aangehouden. Bij de veiligheidsfouillering van de man, verdachte, werd in zijn broekzak een zilverkleurig mes aangetroffen. Op de zich in het dossier bevindende foto’s van het mes, is te zien dat het een ingeklapt mes betreft, dat met twee handen open gemaakt moet worden.

Nadere bewijsoverweging

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte ook in de richting van [slachtoffer 2] geweld en bedreiging met geweld heeft gepleegd. Verdachte heeft immers, terwijl hij door aangever [slachtoffer 2] werd vastgehouden om te voorkomen dat hij zou weglopen, zich verzet tegen dat vasthouden, het mes uit zijn zak gepakt en geprobeerd dit mes open te maken.

De rechtbank overweegt dat het bij verdachte aangetroffen mes geen stiletto is, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging. Wel kan, op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, worden bewezen verklaard dat het een scherp voorwerp betreft.

De door verdachte geuite worden in de richting van [slachtoffer 2] hebben geen dreigend karakter, zodat verdachte eveneens van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 15 september 2011 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een paar herenschoenen (merk Angelo Litrico) toebehorende aan C&A (gevestigd aan St.-Jacobsstraat 2), welke diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestonden dat hij, verdachte :

- terwijl voornoemde [slachtoffer 1] hem, verdachte, probeerde tegen te houden voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen in het gezicht, en

- ( toen voornoemde [slachtoffer 2] hem, verdachte, probeerde tegen te houden) een scherp voorwerp, heeft gepakt en geprobeerd dit voorwerp open te klappen hetgeen werd belet door voornoemde [slachtoffer 2], en

- terwijl die [slachtoffer 2] hem, verdachte, vasthield heeft gerukt teneinde los te komen uit de grip van die [slachtoffer 2].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder opname in de Forensische Verslavingskliniek in Almere.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat de vordering van [slachtoffer 1] in zijn geheel dient te worden toegewezen en de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 250,- dient te worden toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor wat betreft de materiële schade kan de vordering wel worden toegewezen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 8 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Aan dit voorwaardelijk deel dient als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht gekoppeld te worden. Het standpunt van de reclassering, inhoudende dat verdachte bij voorkeur dient te worden opgenomen in de Forensische Verslavingskliniek in Almere, is naar de mening van de verdediging een stap te ver. Verdachte is bereid zich te laten behandelen aan zijn verslaving en dit zou allereerst geprobeerd moeten worden in het kader van een gewoon reclasseringstoezicht. Dat is nog niet eerder opgelegd. Daarbij heeft de verdediging tevens gewezen op de leeftijd van verdachte, de omstandigheid dat hij een vrij vaste relatie heeft met uitzicht op een gezamenlijke woning, de positieve instelling van verdachte, het afgebouwde gebruik van verdovende middelen en het feit dat hij in de afgelopen periode, weliswaar onder druk van een ISD-dreiging, bijna een jaar geen contacten met politie/justitie gehad heeft. Opname in

de FVK van bijna 9 maanden is een te heftige reactie op één terugval.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in een winkel schoenen in zijn tas gestopt en heeft vervolgens de winkel verlaten zonder te betalen. Toen hij hierop werd aangesproken door een medewerkster, weigerde hij mee te werken aan een tascontrole en gaf hij die medewerkster onverhoeds een vuistslag in haar gezicht. Ook tegen een andere medewerker heeft verdachte geweld gebruikt, door zich te verzetten tegen zijn aanhouding. Daarbij pakte verdachte een ingeklapt mes uit zijn zak en probeerde dit open te klappen.

Winkeldiefstallen brengen het winkelbedrijf schade toe, maar ook de consument op wie de kosten uiteindelijk worden afgewenteld. Geweld tegen winkelmedewerkers, die tegen dergelijke feiten optreden en daders trachten aan te houden, maken het feit veel ernstiger. Die medewerkers hebben geruime periode last van de gevolgen van dat geweld in hun persoonlijk en beroepsmatig leven.

Voor wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, d.d. 16 september 2011, waaruit blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor winkeldiefstal met geweld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Omtrent verdachte is een voorlichtingsrapport, d.d. 28 september 2011, opgemaakt door R. Mulder, reclasseringswerker van Centrum Maliebaan. Ter zitting heeft dhr. Mulder mondeling aanvullend gerapporteerd en geadviseerd. Hieruit volgt dat sinds verdachte’s verblijf in het hostel Maliehof zijn gebruik van verdovende middelen aanvankelijk is verminderd. In 2010 is hij echter weer teruggevallen in delictgedrag en drugsgebruik. Bij zijn veroordeling in september 2010 gaf verdachte aan de kans te willen krijgen om te laten zien dat hij zelfstandig zou kunnen toewerken naar abstinentie. Die mogelijkheid is hem gegeven. Alhoewel verdachte bijna een jaar geen politiecontacten heeft gehad, is zijn harddrugsgebruik de laatste periode weer toegenomen en heeft hij opnieuw een strafbaar feit begaan. Dit alles maakt dat de reclassering thans adviseert verdachte op te laten nemen in de Forensische Verslavingskliniek te Almere. Dit is een gesloten kliniek waarbij de behandeling gericht is op het delictgedrag. Deze kliniek werkt met personen die tot een forse voorwaardelijke straf (van6 maanden of meer) zijn veroordeeld. Verdachte zal in ieder geval in mei 2012, maar mogelijk eerder, in de FVK kunnen worden opgenomen.

Indien de rechtbank een kortere voorwaardelijke straf oplegt, is opname en behandeling in Triple X in Den Haag een alternatief. In deze kliniek zijn de regels minder stringent,, wat deze kliniek minder geschikt maakt voor de behandeling van verdachte.

Ambulante behandeling van de verslaving van verdachte is thans, volgens de reclasseringswerker, geen goede optie.

De plek van verdachte in het hostel Maliehof wordt tot eind februari vrijgehouden. Als verdachte voor eind februari in vrijheid wordt gesteld kan hij tot zijn opname in een verslavingskliniek in het hostel wonen. Er wordt hem dan overbruggingszorg geboden door Centrum Maliebaan.

Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan opname en verblijf in de Forensische Verslavingskliniek te Almere. Gelet op hetgeen van de zijde van de reclassering naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat opname in deze kliniek de beste condities schept voor een succesvolle behandeling van verdachte aan zijn verslaving en daarmee aan vermindering van het recidiverisico. De door de verdediging geschetste gunstige omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat behandeling in het kader van reclasseringstoezicht voldoende is, waren ook aanwezig in de afgelopen periode. Desondanks heeft verdachte gerecidiveerd.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een immateriële schadevergoeding van € 290,-.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 805,94.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 255,94 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, waarvan € 5,94 ter zake van materiële schade en

€ 250,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen en de verplichting de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de vorderingen te vergoeden.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in een inrichting ter behandeling, te weten de Forensische Verslavingskliniek te Almere of een soortgelijke instelling, gedurende de termijn van maximaal één jaar of zoveel korter als de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan te Utrecht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 290,- ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade te weten 15 september 2011;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 255,94, waarvan € 5,94 ter zake van materiële schade en € 250,- ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade te weten 15 september 2011;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 1], € 290,- , 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 2], € 255,94, 5 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. L.M.G. de Weerd, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 januari 2012.