Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:7335

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
16/600720-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor poging doodslag en poging tot zware mishandeling. Deskundigen van het Pieter Baan Centrum adviseren een maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Gelet op het rapport van het PBC en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd. Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600720-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1984] te [geboorteplaats]

gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum in Amsterdam

raadsman mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 april 2012 en 13 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven te beroven;

feit 2 primair: heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] van het leven te beroven;

feit 2 subsidiair: heeft geprobeerd aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde, te weten de poging tot moord op [slachtoffer 1] , en het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van poging tot moord op [slachtoffer 1] , onder 1 impliciet primair tenlastegelegd, nu het bewijs voor de voorbedachten rade ontbreekt. De rechtbank kan tot een bewezenverklaring komen van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] .

Voorts heeft de verdediging betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, nu niet bewezen kan worden dat er sprake was van opzettelijk handelen door verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Feit 1

4.3.1.1 Redengevende feiten en omstandigheden[1]

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 18 juli 2011 in het winkelcentrum in Utrecht liep.[2] Toen verdachte hem passeerde voelde hij een klap op zijn rug. Hij voelde meteen dat hij geen gevoel meer had en hij zakte in elkaar.[3]

Toen hij eenmaal op de grond lag, voelde het alsof verdachte hem maar bleef staan.[4] Verbalisant Lobato ziet een mes in de rechterhand van verdachte. Verbalisant ziet meer dan vijf steekbewegingen in het lichaam van het slachtoffer. [5]

Uit de geneeskundige verklaring[6] blijkt dat [slachtoffer 1] tengevolge van de steekpartij het volgende letsel heeft opgelopen:

- meerdere steekwonden in borstkas en arm;

- klaplong, bloed in hartzakje en ontsteking hartzakje;

- partiële dwarslaesie.

In het dossier bevinden zich foto’s van het mes waarmee het slachtoffer is gestoken. Hieruit blijkt dat het een mes betrof van ongeveer 18 centimeter met een lemmet van ongeveer 7 centimeter.[7]

Naar aanleiding van een melding komen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als eerste ter plaatse.[8] In het winkelcentrum werden verbalisanten door omstanders gewezen op een man die zou hebben gestoken met een mes. Verbalisanten zien een man op de grond zitten. Op een meter afstand van de man lag een mes op de grond. De beide handen van de man waren bebloed. De man maakte een verwarde indruk en is hierop door de verbalisanten aangehouden.[9] De man bleek [verdachte] te zijn.[10]

4.3.1.2 Vrijspraak

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat niet bewezen is hetgeen verdachte impliciet primair ten laste is gelegd, te weten poging tot moord. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt allereerst in algemene zin het volgende. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Voorbedachten rade wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich op enig moment voor het steken van [slachtoffer 1] kalm en rustig heeft beraden en toen de beslissing heeft genomen [slachtoffer 1] te (proberen te) doden. Het bewijs laat immers de aannemelijke mogelijkheid open dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van een gemoedsopwelling die zich voordeed kort voor zijn aanval op [slachtoffer 1] . Dat verdachte al geruime tijd zonder kenbaar doel in het winkelcentrum aanwezig was, heeft tegen die achtergrond geen doorslaggevende betekenis.

4.3.1.3 Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen met een mes heeft gestoken. [slachtoffer 1] is hierbij geraakt in zijn borst en rug en heeft hierbij onder andere een partiële dwarslaesie opgelopen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale delen bevinden. De rechtbank is van oordeel dat door met een dergelijk groot mes aan de voorzijde in het bovenlichaam van aangever meermalen te steken verdachte (minstgenomen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] als gevolg van deze messteken zou komen te overlijden. De rechtbank acht daarmee de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.3.2 Feit 2

4.3.2.1 Redengevende feiten en omstandigheden[11]

Op 18 juli 2011 was [slachtoffer 2] aan het werken in de [winkel] in Utrecht.[12]

Hij hoorde een hoop gegil. Hij liep naar buiten en zag een man over een andere man gebogen staan. Hij besloot in te grijpen en is naar de man toegelopen. Hij heeft de man met beide handen vastgepakt bij zijn middel en heeft hem naar achteren getrokken. Hij voelde dat de man weerstand bood en probeerde los te komen. Hierop heeft hij hem een harde duw gegeven. De man viel op de grond, maar stond snel weer op. De man ging met zijn rug tegen de gevel van de Zeeman staan. Op dat moment zag [slachtoffer 2] dat hij een mes in zijn handen had.[13]

Door een omstander werd [slachtoffer 2] erop gewezen dat hij bloedde op zijn rug. [slachtoffer 2] bleek een steekwond te hebben op zijn rug, die later in het ziekenhuis is gehecht.[14]

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat [slachtoffer 2] een steekverwonding op zijn rug heeft opgelopen.[15]

Uit de hiervoor ten aanzien van feit 1 weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de man was die [slachtoffer 2] heeft weggetrokken.

4.3.2.2 Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is hetgeen verdachte primair, te weten poging tot moord dan wel doodslag, ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Poging tot moord

De rechtbank stelt ook met betrekking tot feit 2 voorop dat voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Voorbedachten rade wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich op enig moment voor het steken van [slachtoffer 2] kalm en rustig heeft beraden en toen de beslissing heeft genomen [slachtoffer 2] te doden.

Poging tot doodslag

De rechtbank is eveneens van oordeel dat de poging tot doodslag niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het dossier is niet duidelijk geworden waar [slachtoffer 2] in zijn rug is gestoken. Over de diepte van de verwonding bestaat evenmin duidelijkheid. Het betrof een steekverwonding die in het ziekenhuis met hechtingen kon worden gedicht. Er was sprake van gering bloedverlies, geen niet-uitwendig waarneembaar letsel en geen inwendig bloedverlies.

Er is sprake van (voorwaardelijk) opzet op een bepaald gevolg, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal optreden en deze kans vervolgens ten tijde van de gedraging heeft aanvaard.

Gelet op de genoemde omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer 2] . Tevens is niet bewezen dat de kans dat [slachtoffer 2] door de steekbeweging van verdachte was komen te overlijden aanmerkelijk was te noemen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van poging tot doodslag.

4.3.2.3 Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde, nu niet kan worden bewezen dat er bij verdachte sprake was van opzettelijk handelen. De rechtbank deelt dit oordeel van de raadsman niet en is van oordeel dat het opzet van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] .

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Er is sprake van (voorwaardelijk) opzet op een bepaald gevolg, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal optreden en deze kans vervolgens ten tijde van de gedraging heeft aanvaard.

In het proces-verbaal bevindt zich een aantal foto’s van het mes waarmee het slachtoffer is gestoken. De rechtbank leidt uit het hiervoor weergegeven bewijs af dat verdachte met dit mes in zijn handen met kracht weerstand heeft geboden en zich heeft ontworsteld aan de greep van [slachtoffer 2] . Door op die manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 18 juli 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk, die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in diens borst, long, rug en linkerarm heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

Subsidiair

op 18 juli 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

die [slachtoffer 2] met een mes in diens rug heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

poging tot doodslag

Feit 2:

poging tot zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Omtrent de persoon van verdachte is een rapportage uitgebracht door het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 27 maart 2012. In deze rapportage hebben de deskundigen A.E. Grochowska, psychiater, en A. van den Bosch, psycholoog, gerapporteerd omtrent de geestvermogens van verdachte.

Uit deze rapportage volgt dat er bij verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek. De waargenomen symptomen en gedragingen wijzen op een chronisch ziekteproces. De ziekteverschijnselen van verdachte fluctueren in de loop der tijd. Er is sprake van zowel psychotische belevingen als stemmingsproblemen (depressieve klachten en zelfmoordgedachten) Er zijn aanwijzingen voor zogenaamde negatieve symptomen van schizofrenie (verminderde aandrift, vervlakt affect en teruggetrokken gedrag). Het klachtenpatroon past het beste bij een paranoïde type van schizofrenie met beginnende defecten.

Ten tijde van het tenlastegelegde was bij verdachte sprake van schizofrenie.

Geadviseerd wordt om verdachte, indien bewezen, als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Beide deskundigen hebben hun adviezen ter terechtzitting herhaald en toegelicht.

De rechtbank verenigt zich geheel met de conclusies van de psychiater en psycholoog, zoals hiervoor weergegeven, en maakt deze tot de hare. Gelet op de inhoud van het rapport, is de rechtbank van oordeel dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is ten aanzien van het bewezenverklaarde.

De verdachte is, aangezien het feit hem niet kan worden toegerekend, niet strafbaar en zal ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

6 De oplegging van de maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de conclusies van de psychiater en de psycholoog gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en hem de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met het advies van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en de conclusie dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft benadrukt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden beschouwd als ultimum remedium en dat nu blijkt dat verdachte goed reageert op de hem gegeven medicatie er gekeken dient te worden naar een lichtere maatregel. Naar het oordeel van de raadsman kan worden volstaan met opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft zonder enige aanleiding een voor hem onbekende man aangevallen met een mes en op meerdere plekken in het lichaam van deze man gestoken. Slechts dankzij het optreden van een andere man, [slachtoffer 2] , eveneens slachtoffer in deze zaak, is verdachte opgehouden met steken.

[slachtoffer 2] heeft ten gevolge van zijn interventie een steekwond in zijn rug opgelopen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- het onder 5.2 genoemde rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum schatten in dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht door de benodigde behandelduur en de complexiteit van de problematiek geen optie is. Geadviseerd wordt om verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Voor een behandeling in een minder gedwongen kader, zoals een bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijke straf of een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ontbreekt het verdachte aan inzicht in zijn eigen problematiek en consistente motivatie voor psychiatrische behandeling. Verdachte is het meest gebaat bij een plaatsing op een afdeling voor patiënten met psychotische stoornissen met een tbs-beveiligingsniveau. Deskundige Grochowska heeft ter zitting van 11 april 2012 beargumenteerd dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende waarborgen biedt.

Gelet op het rapport van het Pieter Baan Centrum en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- het bewezen verklaarde misdrijf is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 13.249,76 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 13.015,76 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 515,76 ter zake van materiële schade en € 12.500,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.090,00 voor feit 2 waarvan € 190, ter zake van materiële schade en € 900,00 ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: poging tot doodslag

Feit 2: poging tot moord

- verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte,

- beveelt dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 13.015,76 waarvan € 515,76 ter zake van materiële schade en € 12.500,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.090,00 waarvan € 190, ter zake van materiële schade en € 900,00 ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en R.P.

den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 juni 2012.

De griffier en mr. Van Straalen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2011 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van

het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk, die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in diens borst, long,

rug en/of linkerarm heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 18 juli 2011 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 2] van

het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk, die [slachtoffer 2] een of meermalen met een mes in diens rug

heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 18 juli 2011 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

die [slachtoffer 2] een of meermalen met een mes in diens rug heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

[1] De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer 2011162805B, tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

[2] Pagina 88.

[3] Pagina 88.

[4] Pagina 89.

[5] Pagina 121.

[6] Pagina 96.

[7] Pagina 224.

[8] Pagina 54.

[9] Pagina 55.

[10] Pagina 56.

[11] De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer 2011162805B, tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

[12] Pagina 98.

[13] Pagina 99.

[14] Pagina 101.

[15] Pagina 104.