Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:CA1877

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
275071 / HA ZA 09-2308 van
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niv1: Eigendom, zakelijke en andere rechten Niv2: overig (Eigendom, zakelijke en andere rechten) .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 2 maart 2011

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: 275071 / HA ZA 09-2308 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SNS PROPERTY FINANCE B.V.,

gevestigd te Leusden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

eiseres in het incident in reconventie,

advocaat mr. I.A.I. Nylund te Amsterdam,

tegen

[Gedaagde],

wonende te [bedrijf 1] (Frankrijk),

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gedaagde in het incident in reconventie

advocaat mr. P. Quist te Naaldwijk,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer 280392 / HA ZA 10-106 van

[Gedaagde],

wonende te [bedrijf 1] (Frankrijk),

eiser,

advocaat mr. P. Quist te Naaldwijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagden,

advocaat mr. I.A.I. Nylund te Amsterdam.

Partijen zullen hierna SNS, [Gedaagde] en [Gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 maart 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 10 september 2010

- de akte van 27 oktober 2010 van [Gedaagde]

- de akte van 8 december 2010 van SNS.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 maart 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 10 september 2010.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [Gedaagde] is bestuurder van [bedrijf 3], die bestuurder is van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]), die bestuurder is van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5]). [bedrijf 5] was vanaf 13 oktober 2004 tot en met 10 oktober 2007 tezamen met [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6]) bestuurder van de [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7]).

3.2. [bedrijf 5] en haar middellijk directeur-grootaandeelhouder [Gedaagde] zijn bij overeenkomst van 2 januari 2003 (hierna: de overeenkomst van 2 januari 2003) een rekening-courant overeengekomen. Met betrekking tot opeisbaarheid van schulden in rekening-courant is in artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 het volgende overeengekomen:

“a. De debiteur is niet verplicht de bedragen ten laste van de Directeur terug te betalen

indien het bedragen betreft van zakelijke transacties ten behoeve van de BV.

Verrekening zal plaatsvinden zodra de transactie geëffectueerd wordt binnen de daartoe

op te richten project BV

b. Voor andere openstaande bedragen die niet zakelijke transacties betreffen is de

maximale looptijd gesteld op 15 jaren na datum opname”

3.3. [bedrijf 5] en [Gedaagde] zijn op 30 december 2005 kort gezegd overeengekomen dat [bedrijf 5] maximaal EUR 600.000,00 in rekening-courant aan [Gedaagde] leent in verband met een project in Frankrijk en dat de daardoor ontstane vordering van [bedrijf 5] gedurende vijftien jaren niet opeisbaar is (hierna: de overeenkomst van 30 december 2005).

3.4. [bedrijf 5] heeft in dit verband een vordering in rekening-courant van EUR 502.600,00 op [Gedaagde] (hierna: de vordering).

3.5. Op 14 januari 2005 hebben SNS als kredietverstrekker en [bedrijf 7] als kredietnemer een kredietovereenkomst gesloten (hierna: de kredietovereenkomst) voor de financiering van de ontwikkeling van een project ‘onbezorgd wonen voor 55-plussers’ in Lepe, Spanje (hierna: het project). De kredietovereenkomst is een aantal malen aangevuld. Het maximumkrediet is verhoogd tot (uiteindelijk) EUR 75.914.860,00. [bedrijf 4], [bedrijf 5], [bedrijf 6], [bedrijf 8] en [Gedaagde] hebben zich bij aanvulling van 20 ([Gedaagde]) en 21 december 2005 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van [bedrijf 7] uit de kredietovereenkomst.

3.6. SNS en [Gedaagde] hebben op 10 oktober 2007 een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst van 10 oktober 2007). De overeenkomst van 10 oktober 2007 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. ([Gedaagde]) zal full time met ingang van heden gedurende 6 maanden zijn diensten verlenen

aan (SNS) ten behoeve van het Project [bedrijf 7] tegen een maandelijkse vergoeding

van EUR 15.000, inclusief een vergoeding voor zijn lease auto van EUR 2.300 per

maand

2. als bij verkoop/transport van de laatste woning van het project blijkt dat (SNS) nog een

restant- vordering heeft uit hoofde van de (kredietovereenkomst), dan zal (SNS) ([Gedaagde])

onder de garanties aanspreken tot maximaal het lagere bedrag van (..)”.

3.7. SNS heeft uit hoofde van de kredietovereenkomst een vordering van EUR 69.264.320,85 op [bedrijf 7].

3.8. SNS heeft bij brief van 10 augustus 2010 artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 alsmede de overeenkomst van 30 december 2005 buitengerechtelijk vernietigd.

4. De geschillen

in de hoofdzaak in conventie

4.1. SNS vordert in conventie, na vermindering en vermeerdering van eis, samengevat:

- een verklaring voor recht dat artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 en de

overeenkomst van 30 december 2005 zijn vernietigd althans artikel 5 van de overeenkomst

van 2 januari 2003 en de overeenkomst van 30 december 2005 te vernietigen en

- veroordeling van [Gedaagde] tot betaling van EUR 502.600,00, met rente en kosten.

4.2. SNS legt aan haar vordering ten grondslag dat [bedrijf 5] al haar bestaande en toekomstige vorderingen aan SNS heeft verpand en dat zij daarom en omdat zij het pandrecht bij brief van 13 november 2007 aan schuldenaar [Gedaagde] heeft meegedeeld, als pandhouder bevoegd is om de vordering van [bedrijf 5] op [Gedaagde] te innen.

4.3. [Gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de hoofdzaak in reconventie

4.4. [Gedaagde] vordert in reconventie, na vermindering van eis, samengevat, veroordeling van SNS tot betaling van EUR 13.557,96, met rente en kosten.

4.5. [Gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat SNS conservatoir beslag heeft gelegd op zijn woning, de onroerende zaak aan de [adres] te [bedrijf 1] (hierna: de woning), dat de woning is verkocht aan derden, dat van de verkoopprijs na verrekening met de hypotheekschuld een bedrag van EUR 13.557,96 overbleef en dat dit bedrag onverschuldigd aan SNS is betaald.

4.6. SNS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de hoofdzaak in het incident in reconventie

4.7. SNS vordert in het incident in reconventie verwijzing van de (verminderde) vordering in reconventie wegens verknochtheid naar het gerechtshof ’s Gravenhage, waar tussen partijen een andere zaak aanhangig is.

in de vrijwaring

4.8. [Gedaagde] vordert in vrijwaring, samengevat, dat [Gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld om aan [Gedaagde] te betalen al hetgeen waartoe [Gedaagde] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [Gedaagden] in de kosten van de vrijwaring.

4.9. [Gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak in conventie

5.1. [Gedaagde] verzoekt bij zijn akte van 27 oktober 2010 aan de rechtbank om hem na de laatste akte van SNS in de gelegenheid te stellen op die akte te reageren. De rechtbank wijst dit verzoek af. De rechtbank is met SNS van oordeel dat [Gedaagde] voldoende gelegenheid is geboden zijn stellingen in conventie toe te lichten. Het enkele dat SNS als laatste een akte in conventie heeft mogen nemen betekent, anders dan [Gedaagde] meent, niet dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor of van strijd met de goede procesorde.

5.2. [Gedaagde] stelt dat niet voldaan is aan de vereisten voor het vestigen van pandrecht.

5.3. De rechtbank verwerpt dit verweer. SNS stelt dat [bedrijf 5], tezamen met [bedrijf 6] en [bedrijf 7], al haar bestaande en toekomstige vorderingen aan SNS heeft verpand en heeft ter adstructie van die stelling pandaktes overgelegd die door de drie pandgevers zijn ondertekend en die, zo blijkt uit die aktes, zijn geregistreerd. Het had in het licht van die onderbouwde stelling van SNS op de weg van [Gedaagde] gelegen om gemotiveerd te stellen aan welk vereiste voor het vestigen van pandrecht volgens hem niet voldaan zou zijn. [Gedaagde] heeft dat echter niet gedaan.

5.4. Uit de pandaktes blijkt dat [bedrijf 5] al haar bestaande vorderingen en toekomstige vorderingen (voor zover voortvloeiend uit bestaande rechtsverhoudingen) aan SNS heeft verpand. Dat betekent, anders dan [Gedaagde] meent, dat ook op de vordering een pandrecht is gevestigd. Daaraan kan niet afdoen de stelling van [Gedaagde] dat in de pandaktes wordt verwezen naar de akte van verpanding van 20 augustus 2006 en dat uit artikel 1 en 2 van die akte blijkt dat de vorderingen die waren verpand, kort gezegd zijn beperkt tot vorderingen die verband houden met het project. Die beperking blijkt immers niet uit de laatste pandakte, de pandakte van 8 oktober 2007. Uit artikel 5.5 van de aanvulling van de kredietovereenkomst van 27 september 2007 in samenhang met de aan die aanvulling gehechte lijst met vorderingen (“Schedule 3, intercompany receivables”), blijkt overigens, zoals SNS terecht opmerkt, dat SNS en [bedrijf 5] er evenzeer vanuit gingen dat de vordering was verpand. De vordering komt immers op die lijst voor.

5.5. [Gedaagde] stelt, zo begrijpt de rechtbank, dat SNS niet bevoegd is tot inning van de vordering van [bedrijf 5] op hem, omdat hij de brief van 13 november 2007 niet heeft ontvangen en bijgevolg hem geen mededeling van het pandrecht is gedaan.

5.6. De rechtbank overweegt als volgt. Het ligt op de weg van SNS om feiten of omstandigheden te stellen - en, na gemotiveerde betwisting, te bewijzen - die leiden tot de conclusie dat zij het pandrecht aan [Gedaagde] heeft meegedeeld. SNS stelt dat zij de brief van 13 november 2007, die een dergelijke mededeling bevat, aangetekend aan [Gedaagde] heeft verstuurd. De rechtbank overweegt dat ook al zou SNS kunnen bewijzen dat de brief aangetekend en naar het juiste adres is verstuurd, dat nog niet betekent dat aangenomen moet worden dat die brief [Gedaagde] heeft bereikt. Volgens vaste jurisprudentie moet de afzender, in dit geval SNS, ook aannemelijk maken dat de brief aan geadresseerde, in dit geval [Gedaagde], is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven. SNS heeft evenwel hieromtrent niets gesteld. Bijgevolg moet het ervoor gehouden worden dat het pandrecht niet bij brief van 13 november 2007 aan [Gedaagde] is meegedeeld.

5.7. SNS stelt dat zij [Gedaagde] het pandrecht in ieder geval door middel van de dagvaarding heeft meegedeeld. De rechtbank volgt deze stelling. Uit de dagvaarding blijkt immers van het pandrecht en van het feit dat SNS als pandhouder aanspraak maakt op betaling van de vordering van [bedrijf 5] op [Gedaagde]. SNS was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding dan ook bevoegd tot inning van de vordering.

5.8. [Gedaagde] stelt dat de vordering niet opeisbaar is, omdat de vordering gelet op de overeenkomst van 30 december 2005 betrekking heeft op een zakelijke transactie ten behoeve van [bedrijf 5] en uit artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 volgt dat dergelijke vorderingen nimmer opeisbaar zijn. [Gedaagde] stelt verder dat de vordering in ieder geval gedurende vijftien jaren na opname van het bedrag niet opeisbaar is. Dit volgt volgens [Gedaagde] ook uit artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 en uit de overeenkomst van 30 december 2005.

5.9. SNS heeft bij brief van 10 augustus 2010 aan [Gedaagde] en [bedrijf 5] verklaard artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 alsmede de overeenkomst van 30 december 2005 te vernietigen, zulks met een beroep op artikel 3:45 BW. [Gedaagde] stelt zich op het standpunt dat die verklaring geen effect sorteert, omdat volgens hem geen sprake is van benadeling dan wel van wetenschap van benadeling in de zin van voormeld artikel.

5.10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 en de overeenkomst van 30 december 2005 volgt in ieder geval dat de vordering thans niet opeisbaar is. Om die reden moet het er al voor gehouden worden dat [Gedaagde] en [bedrijf 5] bij het sluiten van die overeenkomsten wisten althans behoorden te weten dat schuldeisers van [bedrijf 5] daardoor benadeeld zouden (kunnen) worden. Die schuldeisers werden en worden immers door die niet opeisbaarheid van vorderingen van [bedrijf 5] op [Gedaagde] in hun verhaalsmogelijkheden op schuldenaar [bedrijf 5] beperkt. Dit geldt eveneens voor pandhouder/schuldeiser SNS, ook ten tijde van haar beroep op vernietiging. De stelling van [Gedaagde] dat het gehele bedrag van de vordering is aangewend ten behoeve van [bedrijf 5] voor de koop van twee boerderijen in Frankrijk, kan daar, wat van die stelling overigens ook zij, niet aan afdoen, reeds omdat [Gedaagde] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door [Gedaagde] in dit verband overgelegde stukken blijkt niet dat de koop aan [bedrijf 5] ten goede is gekomen, zoals SNS ook terecht heeft aangevoerd. Niet gebleken is dat tegenover de schuld van [Gedaagde] aan [bedrijf 5] de waarde van de twee in Frankrijk gekochte boerderijen is komen te staan.

5.11. Het vorenstaande brengt mee dat artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 en de overeenkomst van 30 december 2005, voor zover het de niet-opeisbaarheid van de vordering van [bedrijf 5] op [Gedaagde] beoogt, bij brief van 10 augustus 2010 zijn vernietigd. Bijgevolg staan deze overeenkomsten niet in de weg aan opeisbaarheid van de vordering en kan de door SNS gevorderde verklaring van recht worden gegeven in voege als in het dictum nader is vermeld.

5.12. [Gedaagde] stelt dat de vordering niet opeisbaar is, omdat volgens hem uit artikel 2 van de overeenkomst van 10 oktober 2007 volgt dat een eventuele restantvordering van SNS op [Gedaagde] eerst opeisbaar is nadat de laatste woning van het project is verkocht en niet alle woningen zijn verkocht.

5.13. SNS voert gemotiveerd verweer. Volgens SNS ziet artikel 2 van de overeenkomst van 10 oktober 2007 op de hoedanigheid van [Gedaagde] als hoofdelijk aansprakelijke voor de door SNS aan [bedrijf 7] verstrekte kredieten en niet op de hoedanigheid van [Gedaagde] als wederpartij van [bedrijf 5].

5.14. De rechtbank volgt ook deze stelling van [Gedaagde] niet. Het had op de weg van [Gedaagde] gelegen om in het licht van het gemotiveerde verweer van SNS meer te stellen dan hij heeft gedaan. De rechtbank wijst er hierbij op dat uit de tekst van artikel 2, zoals onder 3.6 deels geciteerd, niet blijkt dat het daarbij (ook) ging om door [bedrijf 5] aan SNS verpande vorderingen van [bedrijf 5] op [Gedaagde].

5.15. De rechtbank komt tot de slotsom dat de vordering van EUR 502.600,00 toewijsbaar is. Wettelijke rente is eerst toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding. Uit het vorenstaande blijkt immers dat SNS niet eerder tot inning van de vordering bevoegd was.

5.16. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SNS worden begroot op:

- dagvaarding EUR 72,25

- vast recht 4.938,00

- salaris advocaat 6.450,00 (2,5 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 11.460,25

in de hoofdzaak in het incident in reconventie

5.17. De rechtbank wijst de incidentele vordering in reconventie af. Verwijzing op grond van verknochtheid kan, los van het antwoord op de vraag of sprake is van voldoende samenhang van de zaken, ingevolge artikel 220 Rv uitsluitend plaatsvinden naar een rechter van gelijke rang. In het onderhavige geval is dat niet mogelijk, omdat de andere zaak aanhangig is bij het gerechtshof ’s-Gravenhage.

5.18. SNS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Gedaagde] worden begroot op nihil.

in de hoofdzaak in reconventie

5.19. SNS stelt dat partijen, nadat [Gedaagde] aan SNS kenbaar had gemaakt dat hij zijn hypotheeklasten in verband met de woning niet meer kon opbrengen, zijn overeengekomen dat SNS het door haar gelegde conservatoire beslag op de woning zou doorhalen, zodat onbezwaarde verkoop en levering van de woning mogelijk zou zijn, tegen betaling van de (mogelijke) overwaarde aan SNS. Die overwaarde zou, zo zijn partijen volgens SNS verder overeengekomen, in mindering worden gebracht op het in verband met het project door SNS verstrekte krediet.

5.20. De rechtbank overweegt als volgt. [Gedaagde] heeft onvoldoende gesteld om dit gemotiveerde verweer te (kunnen) ontkrachten. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de stellingen van SNS in dit verband. De rechtbank wijst er daarbij op dat, zoals SNS in dit kader ook onbetwist heeft aangevoerd, uit het faxbericht van 11 maart 2008 van de notaris blijkt dat [Gedaagde] voorafgaande aan de levering van de woning akkoord is gegaan met de nota van afrekening, die vermeldt dat EUR 13.557,96 aan SNS wordt overgeboekt. Dat sprake zou zijn geweest van dwang bij deze overeenkomst tussen partijen, zoals [Gedaagde] ook heeft gesteld, is niet gebleken. Met die overeenkomst is een rechtsgrond voor de betaling gegeven. [Gedaagde] heeft zich immers verplicht tot betaling van de (mogelijke) overwaarde van de woning aan SNS waartegenover SNS zich heeft verplicht tot doorhaling van het conservatoire beslag op de woning. Het enkele feit dat de rechtbank ’s-Gravenhage nadien, bij eindvonnis van 15 juli 2009, de door SNS jegens [Gedaagde] ingestelde vordering, in verband waarmee het conservatoire beslag was gelegd, heeft afgewezen, betekent, anders dan [Gedaagde] meent, niet zonder meer dat daardoor het bedrag van EUR 13.557,96 onverschuldigd aan SNS zou zijn betaald. Daarbij is relevant dat tussen partijen niet in geschil is dat [Gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk is voor verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tussen SNS en [bedrijf 7] en de vordering op [Gedaagde] uit hoofde van die garantie door [Gedaagde] is afgewezen met de stelling dat de vordering nog niet opeisbaar was. De rechtbank merkt in dit verband verder nog op dat gesteld noch gebleken is dat de rechtsgeldigheid van de overeenkomst van partijen met betrekking tot het beslag op de woning en de overwaarde van de woning is aangetast.

5.21. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SNS worden begroot op EUR 904,00 aan salaris advocaat (2,0 punten x tarief EUR 452,00).

in de vrijwaring

5.22. [Gedaagde] stelt dat [Gedaagden] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens hem dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, waardoor hij schade lijdt. Partijen hebben afgesproken dat [Gedaagden] en [Gedaagde] het management van het project verder samen zouden voeren. Dit blijkt aldus [Gedaagde] uit de overeenkomst van 10 oktober 2007 en uit een e-mail van 29 september 2007 van [Gedaagden] aan [Gedaagde]. [Gedaagden] is die afspraak niet nagekomen. [Gedaagden] heeft [Gedaagde] zelfs de toegang tot zijn kantoor ontzegd door vervanging van de sloten en wijziging van de toegangscodes van het alarm. Dat is onrechtmatig. Het gevolg van het toerekenbaar tekortschieten dan wel het onrechtmatig handelen van [Gedaagden] is volgens [Gedaagde], zo begrijpt de rechtbank, dat het project nog steeds niet is gerealiseerd, waardoor SNS de kredietovereenkomst heeft opgezegd en als pandhouder tot inning van de vordering van [bedrijf 5] op [Gedaagde] is overgegaan.

5.23. De rechtbank volgt deze stelling niet. Daargelaten de beantwoording van onder meer de vragen of [Gedaagden] [Gedaagde] daadwerkelijk de toegang tot zijn kantoor heeft ontzegd en niet meer met hem verder wilde en, zo ja, of [Gedaagden] daardoor toerekenbaar is tekortgeschoten in verplichtingen jegens [Gedaagde] dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, welke vragen [Gedaagden] uitdrukkelijk en gemotiveerd ontkennend beantwoord, [Gedaagde] heeft het oorzakelijk verband tussen de gestelde handelwijze van [Gedaagden] enerzijds en de inning van de vordering van [bedrijf 5] op [Gedaagde] door SNS anderzijds onvoldoende toegelicht. Zo heeft [Gedaagde] onvoldoende toegelicht dat hij, indien en voor zover hij (mede)bestuurder van het project was gebleven, erin geslaagd zou zijn het project tot een zodanig succes te maken dat SNS de kredietovereenkomst niet had opgezegd en bijgevolg niet tot inning van de vordering van [bedrijf 5] op [Gedaagde] was overgegaan.

5.24. [Gedaagde] stelt voorts dat [Gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld door te profiteren van de wanprestatie van SNS. De rechtbank acht ook deze stelling onvoldoende onderbouwd. Zo is van wanprestatie zijdens SNS niet gebleken. Het enkele feit dat SNS niet bereid was tot het verstrekken van additionele financiële middelen voor het project en het krediet opzegde, maakt niet dat SNS tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst. Verder heeft [Gedaagde] onder meer niet uiteengezet op welke wijze [Gedaagden] in zijn ogen geprofiteerd zou hebben.

5.25. Uit het voorgaande volgt dat [Gedaagde] zich wat betreft zijn veroordeling jegens SNS in de hoofdzaak, namelijk het voldoen van de vordering van [bedrijf 5] op hem aan SNS, geen regresrecht heeft op [Gedaagden] De vordering in vrijwaring moet dan ook worden afgewezen. De stellingen van [Gedaagde] die zien op andere schade ten gevolge van onrechtmatig handelen van [Gedaagden], moeten in dit kader buiten beschouwing blijven. Die stellingen hebben immers geen betrekking op de vraag of [Gedaagde] regres kan nemen op [Gedaagden] in verband met zijn veroordeling in de hoofdzaak.

5.26. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Gedaagden] worden begroot op:

- vast recht EUR 4.938,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 10.098,00

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak in conventie

6.1. verklaart voor recht dat artikel 5 van de overeenkomst van 2 januari 2003 en de overeenkomst van 30 december 2005, voor zover het de niet-opeisbaarheid van de vordering van [bedrijf 5] op [Gedaagde] betreft, zijn vernietigd,

6.2. veroordeelt [Gedaagde] om aan SNS te betalen een bedrag van EUR 502.600,00 (vijfhonderdtweeduizendzeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 28 augustus 2009 tot de dag van volledige betaling,

6.3. veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van SNS tot op heden begroot op EUR 11.460,25,

6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak in reconventie in het incident

6.6. wijst de vordering af,

6.7. veroordeelt SNS in de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagde] tot op heden begroot op nihil,

in de hoofdzaak in reconventie

6.8. wijst de vordering af,

6.9. veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van SNS tot op heden begroot op EUR 904,00,

6.10. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling van [Gedaagde] in de proceskosten in de hoofdzaak in reconventie uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak in vrijwaring

6.11. wijst de vordering af,

6.12. veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagden] tot op heden begroot op EUR 10.098,00,

6.13. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling van [Gedaagde] in de proceskosten in de vrijwaringszaak uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2011.?