Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BY7742

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
305955/ KG ZA 11 -430
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de aanbesteding Nieuwbouw Wijkgezondheidscentrum 't Zand betreft de kwestie de vraag of een aannemer FSC-gecertificeerd moet zijn om FSC-gecertificeerd hout te mogen leveren. In het bestek van het project is geëist dat er FSC-gecertificeerd hout geleverd moet worden. Er is geen eis opgeno- men dat de aannemer zelf ook gecertificeerd moet zijn. De eisende partij, nummer twee bij de aanbesteding en zelf wel gecertificeerd, meende dat de inschrijving van nummer één ongeldig was omdat deze aannemer niet FSC-gecertificeerd was. De gemeente stelde zich op het standpunt dat, nu slechts geëist is dat FSC-gecertificeerd hout geleverd moest worden, de hoofdaannemer niet gecertificeerd behoeft te zijn om de certificering van het hout in stand te laten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de hoofdaannemer niet gecertificeerd behoeft te zijn om geldig op deze aanbesteding te kunnen inschrijven. Er zijn voldoende andere waarborgen mogelijk in de uitvoering van het project om de certificering te waarborgen. De gemeente is derhalve in het gelijk gesteld in deze kwestie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2013/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

IN NAAM DER KONINGIN

zaaknummer / rolnummer: 305955/ KG ZA 11 -430

Vonnis in kort geding van 17 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] BOUWMAATSCHAPPIJ BV,

gevestigd te A venhorn,

eiseres,

advocaat mr. F. Hoppe te Alkmaar,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. S.c. Brackmann te Rotterdam,

in welke zaak is tussengekomen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BOUWBEDRIJF BV,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

tussenkomende partij,

advocaat mr. CJ.R. van Binsbergen te Alphen aan den Rijn.

Partijen zullen hierna [X], de gemeente Utrecht en [A] genoemd worden.

1. De procedure

l . I. [A] heeft bij incidentele conclusie verzocht te mogen tussenkomen. Ter

terechtzitting van I juni 2011 hebben [X] en de gemeente Utrecht geen verweer tegen dat

verzoek gevoerd. De voorzieningenrechter heeft de incidentele vordering tot tussenkomst

toegewezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [X]

- de pleitnota van de gemeente Utrecht met producties

- de ple itnota van [A] met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De gemeente Utrecht heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het

werk "de nieuwbouw van het WijkGezondheidsCentrum Het Zand". Het betreft een nietopenbare

nationale aanbesteding, volgens het Aanbesteding Reglement Werken 2005 (ARW

2005). Het gunningscriterium is de laagste prijs.

2.2. In paragraaf 0 I van het bestek, inhoudende de voor het werk geldende voorwaarden,

is onder 01 .02.06.39 de volgende voorwaarde opgenomen:

"De aannemer dient voor het werk de volgende uitgangspunten te hanteren:

Toe te passen hout dient te zijn voorzien van het FSC-keurmerk (Forest Stewardship

Council). "

2.3. In de eerste Nota van Inlichtingen is onder meer de volgende vraag van [X]

opgenomen:

"Vermeld staat hout toepassen met een FSC keurmerk. We gaan ervan uit dat met dit artikel

wordt bedoeld dat de aannemer FSC gecertificeerd moet zijn. Is dit correct?"

Daarop heeft de gemeente Utrecht het volgende antwoord gegeven:

"Het toe te passen hout dient te zijn voorzien van het FSC-keurmerk."

2.4. De tweede Nota van Inlichtingen bevat dienaangaande geen verdere vragen.

2.5. [X] heeft zich evenals [A] ingeschreven. Uit het proces-verbaal van

aanbesteding blijkt dat [A] de laagste inschrijving heeft gedaan en [X] de één na

laagste.

2.6. De gemeente Utrecht heeft bij brief van 19 april 20 II het voornemen geuit het

werkt te willen gunnen aan [A]. [X] heeft hiertegen bij brief van 22 april 2011

bezwaren geuit. Die komen er op neer dat [A] ongeldig heeft ingeschreven omdat

[A] geen FSC-gecertificeerde aannemer is, en derhalve geen hout met een FSCkeurmerk

kan leveren.

2.7. De gemeente Utrecht heeft daarop bij brief van 26 april 2011 geantwoord. Zij

heeft onder meer aangegeven dat [A] een besteksconforme inschrijving heeft

ingediend waarmee [A] zich conformeert aan de eisen die het bestek ten aanzien van

de uitvoering van de overeenkomst stelt. De gemeente Utrecht stelt in dit schrijven voorts:

"Uit uw brief leid ik af dat de aanname van uw cliënte is dat, op het moment dat in een

bestek de eis van de toepassing van hOllt met het FSC-keurmerk wordt gesteld, daarmee

impliciet de eis wordt gesteld dat de inschrijver aan het geschiktlzeidvereiste moet voldoen

van een FSC-gecertificeerde aanemer. Een dergelijke eis is door de aanbestedemle dienst

niet gesteld. Dit zou in aanbestedingsrechtelijk opzicht ook onjuist zijn. Geschiktheidseisen

aan de inschrijver dienen expliciet in de aankondiging el!. in het geval van deze nietopenbare

procedllre. in de selectie/eidraad te worden vermeld. '.'

2.8. [A] is inmiddels per I juni 2011 FSC-gecertificeerd.

3. Het geschil

3.1. [X] vordert - samengevat - primair: de gemeente Utrecht te gebieden het werk

aan [X] te gunnen en de gemeente Utrecht te verbieden het werk aan een ander dan [X]

te gunnen meer in het bijzonder aan [A] en -voorzover de gemeente reeds tot gunning

is overgegaan- haar te verbieden om uitvoering aan die overeenkomst te geven. [X]

vordert subsidiair: de gemeente Utrecht te gebieden over te gaan tot heraanbesteding.

[X] heeft bij haar primaire en subsidiaire vordering dwangsommen gevorderd en de

veroordeling van de gemeente Utrecht in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten

3.2. Gemeente Utrecht voert verweer.

3.3. [A] vordert, samengevat, dat de vorderingen van [X] zullen worden

afgewezen en dat de gemeente Utrecht zal worden verboden de onderhavige opdracht aan

een ander dan haar, [A], te gunnen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [X] stelt dat de besteksvoorwaarde, te weten dat het in het werk toe te passen

hout moet zijn voorzien van een FSC-keurmerk, door diverse partijen verschillend is

geïnterpreteerd en daarmee niet zodanig duidelijk, precies en ondubbelzinnig is, dat alle

behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan

kunnen begrijpen en op dezelfde wijze interpreteren. [X] stelt dat zij zich bij haar

inschrijving mede heeft laten leiden door deze achteraf onduidelijke voorwaarden bij het

indienen van haar inschrijving, zodat de aanbesteding moet worden afgebroken en- tot

heraanbesteding moet worden overgegaan.

[X] stelt dat de onduidelijkheid haar oorsprong vindt in het feit dat een niet FSCgecertificeerde

onderneming geen hout met het FSC-keurmerk kan leveren. De inschrijver,

moet om aan de eisen in het bestek te voldoen, derhalve ook zelf over een FCS-certificaat

beschikken. [X] heeft in dat kader aangevoerd dat het systeem van het FSC inhoudt dat

alle partijen in een handelsketen dienen te worden gecertificeerd zodat hout en

houtproducten in de hele handelsketen (Chain of Custody) kunnen worden gevolgd. Slechts

daardoor kan zekerheid worden verkregen over de herkomst van de producten tot aan hun

uiteindelijke verwerking.

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de bij de onderhavige aanbestedingsprocedure

genoemde gunnings- of selectiecriteria nergens melding wordt gemaakt van een

FSC-certificering van de inschrijver. De aanbestedingsstukken geven derhalve geen

aanleiding voor enige onduidelijkheid op dat punt. Het FSC keurmerk voor het in het werk

te gebruiken hout wordt slechts genoemd in de stukken die betrekking hebben op de

uitvoering van het werk. Daarmee is aannemelijk dat de gemeente Utrecht met deze

bewoordingen voor een uitvoeringsvoorwaarde heeft gekozen en niet voor een gunnings- of

selectiecriterium.

4.3. De gemeente Utrecht heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gelet op de

betrekkelijke eenvoud waarbinnen de FSC-certificering kan worden gerealiseerd, het ook

niet noodzakelijk heeft geoordeeld om het bezit van een FSC-certificaat tot vakbekwaamheidseis

van de inschrijver te verheffen. De winnende inschrijver kon haar certificering

derhalve nog tijdig verkrijgen. Daarnaast heeft de gemeente Utrecht voldoende aannemelijk

gemaakt dat de inschrijver om aan deze bestekseis te kunnen voldoen, ook gebruik had

kunnen maken van een gecertificeerde onderaannemer. Ten slotte zou ook de gemeente

Utrecht zelf, via een eigen FSC-controlesysteem kunnen controleren of aan de bestekseis

werd voldaan. Daargelaten de omstandigheid dat [A] inmiddels zelf de certificatie

heeft verkregen, kon ook in een eerder stadium niet worden geoordeeld dat aan voornoemde

mogelijkheden niet kon worden voldaan.

Uit het voorgaande volgt dat de gemeente Utrecht voorwaarden aan de uitvoering van het

werk mocht stellen en dat, nu [A] zich aan die voorwaarde had geconformeerd,

[A] niet mocht worden uitgesloten van de procedure.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de bestekseis voldoende duidelijk en

helder is omschreven. [X] heeft in dat kader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de

juiste draagwijdte van de gestelde eis door alle behoorlijk geïnformeerde en normaal

oplettende inschrijvers niet goed is begrepen en niet op dezelfde wijze is geïnterpreteerd.

Voorzover de betreffende bestekseis ook na de eerste Nota van Inlichtingen nog

onduidelijkheden voor [X] bevatte, had het op haar weg gelegen hierover nadere vragen

te stellen. Dit heeft zij niet gedaan.

4.5. AI het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [X] worden afgewezen.

4.6. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden

veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Utrecht worden begroot op:

- griffierecht EUR 568,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

4.7. Bij de huidige stand van zaken en nu de gemeente Utrecht heeft aangevoerd nog

steeds voornemens te zijn de opdracht (definitief) aan [A] te gunnen, heeft [A]

zoals door de gemeente Utrecht aangevoerd, geen belang meer bij de door haar ingestelde

vordering. Die vordering zal dan ook worden afgewezen. Desondanks moet [X] in haar

verhouding tot [A] als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. Het doel

van [A] was immers te voorkomen dat de vordering van [X] zou slagen. [X] zal

dan ook worden veroordeeld in de kosten van [A]. Voor de begroting daarvan wordt

verwezen naar de hiervoor onder 4.6 genoemde bedragen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van zowel de gemeente Utrecht

als [A] tot op heden telkens begroot op EUR 1.384,00, te vermeerderen met de

wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de

dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroorde\ing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Delft-Baas en in het openbaar uitgesproken op