Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BX0439

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
16-600432-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling wegens stalking van een publiek persoon door het veelvuldig sturen van in ersnt toenemende brieven, zowel aan het kantoor van deze persoon als aan haar huisadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600432-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1947] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in de periode van 15 oktober 2007 tot en met 15 januari 2011 te Utrecht mevrouw [aangever 1] heeft gestalkt;

2 primair: in de periode van 11 augustus 2010 tot en met 15 augustus 2010 genoemde [aangever 1] heeft beledigd.

Subsidiair is dit ten laste gelegd als smaad.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan stalking en belediging van mevrouw [aangever 1]. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte en de door hem verzonden brieven aan het adres van genoemde [aangever 1]. Voor wat betreft de belediging gaat de officier uit van de beginperiode van 1 november 2009, omdat dat de datum van de eerste brief van verdachte aan [aangever 1] is geweest.

4.2. Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Op 15 januari 2011 heeft [aangever 1] aangifte gedaan bij de politie van stalking en belaging in de periode tussen 1 november 2009 en 15 januari 2011.

[aangever 1] is voorzitter van het federatiebestuur van de [bedrijf 2]. [aangever 1] wordt in die hoedanigheid door verdachte verantwoordelijk gehouden voor bepaalde misstanden die volgens verdachte ontstaan zijn na een arbeidsrechtelijk geschil tussen hem en zijn voormalig werkgever, de [bedrijf 1].

Verdachte heeft in de afgelopen jaren vele brieven gestuurd aan de [bedrijf 2] en hoofdzakelijk aan [aangever 1]. De toon van de brieven die verdachte aan [aangever 1] schreef werd steeds dreigender.

In november 2009 kwam bij de [bedrijf 2] een brief binnen van verdachte, gericht aan [aangever 1] waarin verdachte onder meer schrijft dat hij niet zal aarzelen geweld te gebruiken.

Zelfs nadat een bemiddelingsgesprek had plaatsgevonden in december 2009 tussen verdachte en een vertegenwoordiger van de [bedrijf 2], waarbij ook de politie Utrecht aanwezig was en in welk gesprek werd afgesproken dat verdachte zou stoppen met het sturen van brieven, heeft hij opnieuw brieven met dreigende teksten gestuurd naar [aangever 1]. In die brieven meldt verdachte dat zijn laatste twee dreigbrieven niet serieus zijn genomen en dat hij adviseert dit wel te doen.

In een brief van verdachte, gedagtekend 11 augustus 2010, maakt verdachte [aangever 1] uit voor verraadster en hoer.

De laatste brief van verdachte in de ten laste gelegde periode dateert van 30 december 2010. Daarin vraagt verdachte hoe het zou zijn als [aangever 1] zelf een mes in haar rug gestoken zou krijgen. Zij zou nergens veilig meer zijn. Verdachte heeft voorts in zijn brieven zinnen opgenomen als: Waarom maakt u de waarheid ondergeschikt aan vriendjes- en partijpolitiek. U bent nu wel chantabel” en “Uw optreden is zeer schadelijk voor het aanzien van de [bedrijf 2]” en “Mijn laatste 2 dreigbrieven heeft u niet serieus genomen. Ik adviseer u dit wel te doen.” en “Ik zal derhalve niet aarzelen geweld te gebruiken” en “Uw situatie wordt steeds problematischer” en “Ik wijs u er op dat mijn dreigementen aan uw adres heel serieus zijn” en “de tijd dat u rustig kunt gaan slapen is voorbij” en “ Mijn dreigementen aan uw adres blijven, inmiddels heb ik uw huisadres weten te achterhalen” .“Wat mij betreft bent u nergens meer veilig. Thuis, op uw werk of waar dan ook.”. En verder: dat hij hoopt dat [aangever 1] door een ernstige ziekte wordt getroffen, dat de tijd dat ze rustig kan slapen voorbij is en dat hij inmiddels haar huisadres heeft weten te achterhalen.

Door al deze brieven voelt [aangever 1] zich ernstig aangetast in haar persoonlijke levenssfeer, eer en goede naam en is zij bang dat verdachte zijn dreigementen ten uitvoer zal brengen.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij in de bedoelde periode de brieven aan [aangever 1] heeft gestuurd en dat hij zich kan voorstellen dat zij zich bedreigd voelt en in haar goede naam aangetast.

Verdachte moest, naar eigen zeggen, het karakter van zijn brieven wel dreigender maken, anders zou hij nooit voor de rechter zijn gekomen, alwaar hij zijn verhaal wilde doen.

In het proces-verbaal zijn de brieven van verdachte, gericht aan mevrouw [aangever 1], vanaf oktober 2009 tot en met 30 december 2010 opgenomen.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging van mevrouw [aangever 1]. Verdachte is in 2007 begonnen brieven te schrijven aan mevrouw [aangever 1] omdat hij van mening was en is dat zij verantwoordelijk gehouden moet worden voor ongerechtigheden die naar de mening van verdachte hebben plaats gevonden in de nasleep van een ontslagprocedure waar verdachte 10 jaar geleden in verwikkeld is geweest. Naar de mening van verdachte is mevrouw [aangever 1] de persoon, die deze misstanden recht moet zetten.

De brieven hadden aanvankelijk nog een redelijk zakelijk karakter en waren gericht aan de voorzitter van de [bedrijf 2], maar vanaf november 2009 kregen de brieven een steeds dreigender toon. In de periode november 2009 tot december 2010 heeft verdachte in ieder geval 8 brieven gestuurd. Deze brieven zijn aan haar persoonlijk gericht en niet aan haar in haar functie als voorzitter van de [bedrijf 2]. In iedere brief wordt mevrouw [aangever 1] door verdachte aangemaand om vermeende misstanden recht te zetten en uit hij dreigementen.

Ter zitting heeft verdachte uitdrukkelijk aangegeven dat hij doelbewust de brieven heeft gestuurd en zich niets heeft aangetrokken van de waarschuwingen van de politie dat hij moest stoppen omdat er anders aangifte zou worden gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zo te handelen stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] om haar te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen.

Ten aanzien van feit 2

De brief van 11 augustus 2010 die verdachte naar mevrouw [aangever 1] heeft verzonden bevat de - naar het oordeel van de rechtbank zeer beledigende – woorden “u bent een verraadster en een hoer”. Deze brief heeft verdachte in afschrift naar meerdere instanties verstuurd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met deze brief mevrouw [aangever 1] opzettelijk heeft beledigd, waarbij het verdachte zwaar wordt aangerekend dat hij deze brief ook nog in afschrift naar derden heeft verstuurd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Op tijdstippen in de periode van 1 november 2009 tot en met 15 januari 2011 te Utrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van A.M. [aangever 1], immers heeft hij een aantal brieven gestuurd aan die [aangever 1], inhoudende:

- meermalen een uiteenzetting van het geschil dat hij heeft met [bedrijf 1]/[bedrijf 1] en

- meermalen de dwingende vraag om de reactie van [aangever 1] op dit geschil, ook nadat aan hem te kennen was gegeven dat [aangever 1] niet meer zou reageren op zijn brieven, en

- passages als: “Waarom maakt u de waarheid ondergeschikt aan vriendjes- en partijpolitiek. U bent nu wel chantabel” en “Uw optreden is zeer schadelijk voor het aanzien van de [bedrijf 2]” en “Mijn laatste 2 dreigbrieven heeft u niet serieus genomen. Ik adviseer u dit wel te doen.” en “Ik zal derhalve niet aarzelen geweld te gebruiken” en “Uw situatie wordt steeds problematischer” en “Ik wijs u er op dat mijn dreigementen aan uw adres heel serieus zijn” en “de tijd dat u rustig kunt gaan slapen is voorbij” en “ Mijn dreigementen aan uw adres blijven, inmiddels heb ik uw huisadres weten te achterhalen” en “ Hoe zou het zijn als u zelf een mes in de rug gestoken zou krijgen. Wat mij betreft bent u nergens meer veilig. Thuis, op uw werk of waar dan ook.”;

2 primair.

In de periode van 11 augustus 2010 tot en met 15 augustus 2010 te Utrecht, opzettelijk beledigend [aangever 1], door een toegezonden geschrift (te weten een brief gedateerd 11 augustus 2010) heeft toegevoegd de woorden: “u bent een verraadster en een hoer”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Belaging

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Eenvoudige belediging;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact met [aangever 1] zal opnemen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter zitting duidelijk gemaakt dat hij de dreigbrieven aan [aangever 1] heeft gestuurd met als uiteindelijk doel dat hij voor de rechter zijn verhaal kon doen. Verdachte heeft met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde straf geen nadere op- en/of aanmerkingen gemaakt.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in een langslepend arbeidsconflict met zijn toenmalige werkgever [bedrijf 1]/[bedrijf 1] bijstand gekregen van de vakbond [bedrijf 2]. Dit conflict is uiteindelijk voorgelegd aan de kantonrechter, waarbij mr E. van der Laan, thans burgemeester van Amsterdam, volgens verdachte een meinedige verklaring heeft afgelegd. Verdachte heeft een klacht ingediend tegen de heer Van der Laan bij de Orde van Advocaten, waarna Van der Laan door de Orde van Advocaten werd vrijgesproken. Dit was niet het oordeel dat verdachte voor ogen had en hij heeft zich vervolgens in 2007 schriftelijk gericht tot mevrouw [aangever 1], voorzitter van de [bedrijf 2]. Verdachte heeft vervolgens in de loop der jaren een groot aantal brieven gestuurd aan [aangever 1], waarvan de toonzetting naarmate de tijd vorderde steeds minder vriendelijk is geworden.

Vanaf november 2009 hebben de brieven aan [aangever 1] zelfs een dreigend karakter aangenomen. Zelfs nadat verdachte er door de politie en een tussenpersoon van de [bedrijf 2] tot tweemaal toe op was gewezen dat hij diende te stoppen met het sturen van (dreig)brieven aan [aangever 1], heeft verdachte nog meerdere brieven met dreigende taal aan [aangever 1] verstuurd. Van de brieven die hij tussen november 2009 en 15 januari 2011 heeft verzonden heeft hij telkens een afschrift verzonden naar verschillende organisaties en instanties, zoals politieke partijen, voorzitters van andere vakorganisaties en dagbladen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door het sturen van de brieven gedurende een periode van ruim een jaar inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1], welke inbreuk door [aangever 1] ook als bedreigend is ervaren. Verdachte is te ver gegaan in zijn roep om aandacht door [aangever 1] op deze manier persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de in zijn ogen gerezen misstanden.

Gelet op de in de brief van 11 augustus 2010 gebruikte bewoordingen heeft verdachte zich ook zeer beledigend uitgelaten over [aangever 1]. Hij kon en mocht verwachten dat de inhoud van bedoelde brief [aangever 1] ook daadwerkelijk zou bereiken.

Dat verdachte zich, zoals hij zelf heeft verklaard, heeft bediend van steeds dreigender taal om op die wijze te bewerkstelligen dat hij uiteindelijk voor de rechtbank zijn verhaal kan doen, is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging voor de genoemde stalking en belediging.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zijn persoonlijke opvattingen op de wijze, zoals hij heeft gedaan, op de voorgrond heeft willen zetten, zonder daarbij de eer en goede naam van een publiek persoon als mevrouw [aangever 1] in ogenschouw te nemen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 14 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte in 2001 en 2002 is veroordeeld ter zake van lokaalvredebreuk en laatstelijk op 1 februari 2011 is veroordeeld ter zake van overtreding van de Wet Personenvervoer tot een geldboete van € 300,00 subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis.

Voorts heeft de rechtbank gelet op een schrijven van H.P. Onkenhout, psychiater, van 7 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte een met hem gemaakte afspraak betreffende een gedragskundig onderzoek heeft afgezegd en dat verdachte niet meer aan een dergelijk onderzoek wenst mee te werken. Een gedragskundig onderzoek is dan ook niet gerealiseerd.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

Teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de (nabije) toekomst opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit zal de rechtbank naast de werkstraf een gevangenisstraf opleggen van na te melden duur, maar dan geheel voorwaardelijk. De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke straf een langere proeftijd verbinden dan te doen gebruikelijk. Deze langere proeftijd is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk omdat verdachte gedurende een langere tijd dan bewezen is verklaard, zich heeft beziggehouden met het benaderen van mevrouw [aangever 1]. Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de zaak wat hem betreft klaar is nu hij zijn woord heeft mogen doen op de zitting. Ondanks deze toezegging is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte ook daadwerkelijk zijn strijd zal staken. De rechtbank wordt gesterkt in die twijfel nu verdachte zijn betoog ter terechtzitting heeft afgesloten met een aantal eisen ten aanzien van onder andere de heer E. van der Laan. De rechtbank is van oordeel dat daarom een proeftijd van vijf jaar moet worden opgelegd met als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze in contact zal treden met mevrouw [aangever 1], niet schriftelijk, niet mondeling, niet electronisch en niet telefonisch.of anderszins. Omdat de rechtbank niet uitsluit dat verdachte zijn grieven zal richten op de eerdergenoemde heer E. van der Laan, zal de rechtbank tevens bepalen dat verdachte gedurende de proeftijd ook op geen enkele wijze contact zal opnemen met de heer E. van der Laan, eveneens op de wijze zoals hiervoor is vermeld.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 266 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: belaging

feit 2 primair: eenvoudige belediging;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van VIER (4) WEKEN, voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze (schriftelijk, mondeling, electronisch dan wel telefonisch) in contact zal treden met mevrouw [aangever 1], niet als privé-persoon en niet als bestuurder van het [bedrijf 2] en;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze (schriftelijk, mondeling, electronisch dan wel telefonisch) in contact zal treden met de heer E. van der Laan, thans burgemeester van Amsterdam, niet als privépersoon en niet als publiek persoon;

- veroordeelt voorts verdachte tot een werkstraf van TACHTIG (80) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van veertig (40) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en mr. A.G. van Doorn, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 december 2011.