Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BX0394

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-12-2011
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
16-440760-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijsrpaak van hennekwekerij en diefstal van stroom; veroordleing voor witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440760-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1972] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. A. van Hardeveld, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 november 2010 te IJsselstein, samen met een ander een hennepkwekerij heeft gehad;

2. in diezelfde periode te IJsselstein, samen met een ander elektrische stroom heeft gestolen;

3. eveneens in diezelfde periode geld, dat van misdaad afkomstig was, heeft witgewassen

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is tot schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op processen-verbaal omtrent de huiszoeking in de woning van verdachte, de in die woning aangetroffen hennepkwekerij, de aangifte van [bedrijf 1] met betrekking tot de diefstal van elektriciteit, het overzicht omtrent de geldelijke transacties op de rekeningen van verdachte en haar echtgenoot, alsmede op de verklaring van de medeverdachte, haar echtgenoot [medeverdachte 1], zoals afgelegd bij de politie.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten kan komen en wijst daarbij op de omstandigheid dat het de medeverdachte [medeverdachte 1] is geweest die zich met de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit heeft beziggehouden. Verdachte was in het geheel niet op de hoogte van de hennepkwekerij in de woning.

Verdachte heeft verklaard, zowel bij de politie als op zitting, dat zij zich nooit bemoeide met de financiële administratie van het gezin. Dat was een taak van haar echtgenoot, de medeverdachte [medeverdachte 1]. Vanwege haar psychische gesteldheid in de betreffende periode heeft verdachte ook nooit vraagtekens gezet bij aankopen die werden gedaan.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van het telen en verkopen van hennep heeft de rechtbank overwogen dat de enkele verklaring van de medeverdachte dat verdachte meehielp met het knippen van de hennep, de stellige ontkenning van verdachte dat zij weet had van een hennepkwekerij in haar woning en de omstandigheid dat verdachte in de betreffende woning verbleef in de periode dat daar ook een hennepkwekerij in bedrijf was, op zichzelf onvoldoende zijn om te kunnen spreken van medeplegen. Hiervoor is immers vereist dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders. De rechtbank ziet deze nauwe en bewuste samenwerking niet terug in de processtukken en kan deze ook niet afleiden uit andere feiten en omstandigheden Verdachte is wellicht een verwijt te maken dat zij zaken heeft laten gebeuren in haar woning, maar dit is meer een moreel verwijt dan een strafrechtelijk verwijt.

De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken.

Nu het medeplegen van het telen en verkopen van hennep door de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard, zal verdachte ook van de onder 2 tenlastegelegde diefstal van elektriciteit, in vereniging gepleegd, worden vrijgesproken, nu deze elektriciteit in hoofdzaak is gebruikt ten behoeve van de hennepkwekerij.

Ook in dezen is de rechtbank niet overtuigd van het bestaan van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de diefstal van die elektriciteit.

Ten aanzien van het tenlastegelegde witwassen:

Verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] maken gebruik van vier bankrekeningnummers. Uit onderzoek is gebleken dat op deze rekeningen regelmatig contante stortingen en opnamen plaatsvonden.

In de periode van 31 december 2004 tot en met 22 november 2010 blijkt dat er een bedrag van in totaal 229.563,41 euro aan contante stortingen en een bedrag van in totaal 118.483,65 euro aan contante opnames is geweest. Per saldo is in genoemde periode een contante uitgaande geldstroom geweest van 111.079,76 euro.

Uit de bevindingen van de Belastingdienst en de verklaringen van verdachte en haar echtgenoot blijkt dat in de periode 31 december 2004 tot en met 22 november 2010 alleen legale inkomsten zijn ontvangen vanuit dienstverband, uitkeringen en een persoonsgebonden budget. Deze inkomsten werden gestort op de bankrekeningen van verdachte en haar echtgenoot. Er is in de genoemde periode geen sprake van legale contante inkomsten.

Bij de huiszoeking op 22 november 2010 zijn onder meer bankafschriften in beslag genomen. Uit een analyse van deze afschriften blijkt dat in de periode van januari 2005 tot en met 22 november 2010 met regelmaat grote contante bedragen zijn gestort op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 1], echtgenoot van verdachte, met nummer [rekeningnummer] en ook op de bankrekening van verdachte met nummer [rekeningnummer].

Uit de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat sinds 7 maart 2009 een personenauto, merk Audi A4 met kenteken [kenteken] op naam staat van de medeverdachte [medeverdachte 1].

De aanschafprijs van deze auto bedroeg 35.000,00 euro. Bij de aankoop werd door medeverdachte een BMW met kenteken [kenteken] ingeruild en moest hij 10.000,00 euro bijbetalen. Dit bedrag werd door hem contant voldaan.

Op 13 juli 2007 werd door de medeverdachte een BMW M3 cabrio aangekocht met inruil van een Kia Picant. Er moest een bedrag van 35.000,00 euro worden bijbetaald. Dit bedrag werd contant voldaan.

Tijdens de huiszoeking in de woning van verdachte zijn diverse facturen aangetroffen. Deze facturen zijn hoogstwaarschijnlijk contant betaald, aangezien de bedragen van die facturen niet terug te vinden zijn op de bankafschriften van de rekeningen van verdachte en haar echtgenoot. Het gaat in casu om een bedrag van in totaal 21.294,41 euro in de periode van januari 2005 tot en met oktober 2010.

De medeverdachte, en tevens echtgenoot van verdachte, heeft verklaard dat hij het geld dat hij met de handel in hennep verdiende, stortte op zijn bankrekening nummer [rekeningnummer]. Van dit geld heeft hij onder meer de BMW en de Audi A4 gekocht, die hij contant heeft afgerekend.

Voorts heeft hij verklaard dat van dit geld onder meer een keuken en kunststofkozijnen zijn aangeschaft.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, ondanks dat zij de financiële administratie volledig aan haar echtgenoot overliet, zich had moeten afvragen of de legale inkomsten, zoals de uitkeringen en het persoonsgebonden budget, de aankoop van de diverse duurzame en dure goederen toelieten. Verdachte heeft nagelaten dit bij haar echtgenoot aan de orde te stellen en heeft stilzwijgend het gebruik van die goederen, zoals dure auto’s, een keuken en kunststofkozijnen, geaccepteerd, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat, gelet op het legale inkomen van haar echtgenoot en van haarzelf, de goederen van enig misdrijf afkomstig waren.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Op tijdstippen in de periode van 1 april 2005 tot en met 22 november 2010 te IJsselstein, in ieder geval in Nederland, telkens van onderstaande voorwerpen gebruik heeft gemaakt, te weten:

- een geldbedrag van totaal 111.079,76 (contante stortingen op de gezamenlijke bankrekening van verdachte;

- een geldbedrag van 10.000,00 euro (contante betaling Audi A4 [kenteken]);

- een geldbedrag van 35.000,00 euro (contante betaling BMW M3 [kenteken]):

- een geldbedrag van totaal 21.294,41 euro (diverse contantbonnen),

terwijl verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen –onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

schuldwitwassen

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte een blanco strafblad heeft en heeft gewezen op de zeer problematische gezondheid van verdachte in de afgelopen jaren, zowel fysiek als mentaal. Verdachte steunt bovendien geheel op haar echtgenoot voor wat betreft de zorg over en van hun zoon en dochter.

De verdediging heeft verzocht om, mocht het tot een bewezenverklaring komen, aan verdachte een taakstraf op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van gelden die door haar man, de medeverdachte, uit de teelt en de verkoop van hennep zijn gegenereerd. Van deze gelden zijn door de medeverdachte gedurende een periode van ongeveer zes jaar diverse (dure) goederen gekocht, zoals auto’s, een keuken en kunststofkozijnen, die contant werden afgerekend. De medeverdachte deed ook regelmatig contante stortingen op de rekening van hemzelf en de rekening van verdachte.

Verdachte had zich moeten afvragen of de door haar en haar man ontvangen inkomsten uit uitkeringen en het persoonsgebonden budget van haar zoon de aankopen en stortingen van contant geld wel konden dragen. Dit heeft zij niet gedaan. Verdachte had kunnen vermoeden dat het legale inkomen ontoereikend was en dat de stortingen en aankopen werden gedaan met geld dat van enig misdrijf afkomstig was.

Verdachte heeft derhalve gebruik gemaakt van gelden die door haar man door misdrijf zijn verkregen, te weten de handel in hennep.

Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economische verkeer.

De rechtbank houdt verdachte hiervoor verantwoordelijk. Daarbij is er sprake van een lange periode en gaat het om aanzienlijke bedragen die werden witgewassen.

De rechtbank ziet in de relatief kleine rol die verdachte bij het witwassen heeft gehad, aanleiding aan verdachte een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur op te leggen met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf passend en geboden. Deze werkstraf zal lager zijn dan door de officier van justitie is gevorderd.

De reden hiervoor is gelegen in de relatief kleine rol die verdachte heeft gehad en vanwege haar persoonlijke omstandigheden, met name de psychische en fysieke gesteldheid van verdachte. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte niet in staat lijkt te zijn de zorg voor haar problematische zoon te dragen, mede gelet op de door de verdediging overgelegde stukken met betrekking tot de gezondheid van verdachte.

De rechtbank houdt voorts rekening met het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte d.d. 9 november 2011, alsmede met de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie het blijkbaar niet nodig heeft geacht verdachte voor te geleiden bij de rechter-commissaris en de bewaring te vorderen.

Dit alles maakt dat de rechtbank komt tot de navolgende strafoplegging.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

schuldwitwassen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ÉÉN (1) MAAND, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf van ZESTIG (60) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van dertig (30) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 december 2011.

Mrs. van Doorn en Crouwel zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.