Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BX0379

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-12-2011
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
16/712350-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling in verband met hennepkwekerij en diefstal van stroom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712350-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. A. van Hardeveld, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 november 2010 te IJsselstein, samen met een ander een hennepkwekerij heeft gehad;

2. in diezelfde periode te IJsselstein, samen met een ander elektrische stroom heeft gestolen;

3. eveneens in diezelfde periode geld, dat van misdaad afkomstig was, heeft witgewassen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlasteglegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de processen-verbaal omtrent de huiszoeking in de woning van verdachte, de in die woning aangetroffen hennepkwekerij, de aangifte van [bedrijf] met betrekking tot de diefstal van elektriciteit, het overzicht omtrent de geldelijke transacties op de rekeningen van verdachte en zijn echtgenote alsmede de verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met uitzondering van de tenlastegelegde periode. De verdediging is van mening dat die periode dient te worden beperkt. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte door de politie onder druk is gezet en daarom bij de politie heeft verklaard dat hij vanaf 2005 bezig is geweest met het telen van hennepplanten en dat hij daartoe de elektriciteit illegaal heeft afgenomen vanaf die tijd, omdat hij niet langer op het politiebureau vast wilde blijven zitten. Hij wilde weer naar zijn vrouw en kinderen terug. Verdachte is pas in 2008 met de teelt van hennep begonnen, aldus de verdediging.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde witwassen heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte in de door hem aangegeven periode een bedrag van ongeveer 40.000 euro aan inkomsten heeft gehad uit de hennepteelt en niet, zoals ten laste is gelegd, een bedrag van ruim 177.000 euro.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Uit een onderzoek van de politie tegen een persoon kwam informatie naar voren dat op het adres [adres] te IJsselstein een hennepkwekerij zou zijn gevestigd. Op 4 oktober 2010 heeft een warmtemeting plaatsgevonden op het genoemde adres, waardoor deze informatie werd bevestigd.

Op 22 november 2010 is door de rechter-commissaris huiszoeking gedaan in de woning [adres] te IJsselstein. Daarbij zijn diverse goederen als laptops, administratieve bescheiden, bankafschriften, tasje met weed, een notitieboekje en een auto, merk Audi A4 met kenteken [kenteken], in beslag genomen. Op de tweede verdieping werd een hennepplantage met 120 planten aangetroffen. Er was sprake van een professioneel opgezette hennepkwekerij. Uit nader onderzoek van de hennepkwekerij is gebleken dat eerder hennep is geoogst. Dit blijkt onder meer uit vervuilde koolstoffilters, stof op de lampenkappen en transformatoren en de kalkafzetting in de plantenbakken, vloeistofvaten en afvoergoten.

Op 24 november 2010 is door de fraudespecialist van [bedrijf] aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit, waarbij voor een bedrag van 12.976,31 euro elektriciteit was weggenomen. Gebleken is dat de van fabriekswege aangebrachte verzegelingen aan het telwerkhuis van de meter verbroken en verwijderd waren. Na het verwijderen van de verzegelingen van het telwerkhuis, kan het telwerk op elke willekeurige stand wordt gezet. Er waren nu verzegelingen aangebracht waarvan de indrukken niet gelijk zijn aan die van de door de fabriek aangebrachte verzegelingen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in 2005 is begonnen met de handel in hennep. Hij heeft ongeveer twintig tot tweeëntwintig oogsten gehad van elk honderdtwintig planten.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij bij het knippen van de planten hulp heeft gehad van een derde en dat hij de planten heeft gekweekt om inkomsten te genereren. De hennep heeft hij verkocht aan zijn oud-werkgever.

Met betrekking tot de weggenomen stroom heeft verdachte verklaard dat de stroom gewoon over de meter ging, maar dat hij de meter door iemand terug liet draaien. Dat gebeurde twee keer per jaar.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van verdachte dat hij pas in 2008 met de hennepkwekerij is begonnen, zoals hij in eerste instantie bij de politie en later ook ter zitting heeft verklaard, niet aannemelijk is geworden. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanleiding aan te nemen dat door de politie enige druk op verdachte is uitgeoefend, voor zover het de periode van hennepteelt betreft. Daarbij neemt de rechtbank mede in acht dat de redenering van verdachte ter terechtzitting over de opbrengst per oogst en het aantal oogsten vanaf 2008 logischerwijs niet tot de door verdachte gestelde winst van ongeveer 40.000,00 euro heeft kunnen leiden. De rechtbank acht deze redenering van verdachte dan ook niet aannemelijk en gaat daaraan voorbij. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, omtrent de financiële inkomsten en uitgaven, lijkt daarentegen beter te passen bij een periode van hennepteelt sinds 2005 dan bij de door verdachte genoemde periode vanaf 2008.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich vanaf 2005 heeft beziggehouden met de teelt en verkoop van hennep en met de diefstal van elektriciteit. Nu verdachte heeft verklaard dat hij bij het knippen van de planten hulp heeft gehad van een derde en dat de elektriciteitsmeter door een ander werd teruggedraaid, acht de rechtbank tevens bewezen dat verdachte beide feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Gelet voorts op de lange duur dat verdachte hennep heeft gekweekt en zijn verklaring dat hij dit deed om inkomsten te genereren, is de rechtbank verder van oordeel dat hij zijn activiteiten met betrekking tot de hennepteelt verrichtte als ware het zijn beroep.

Ten aanzien van het tenlastegelegde witwassen:

Verdachte en zijn echtgenote [betrokkene 1] maken gebruik van vier bankrekeningnummers. Uit onderzoek is gebleken dat op deze rekeningen regelmatig contante stortingen en opnamen plaatsvonden.

In de periode van 31 december 2004 tot en met 22 november 2010 blijkt dat er een bedrag van in totaal 229.563,41 euro aan contante stortingen en een bedrag van in totaal 118.483,65 euro aan contante opnames is geweest. Per saldo is in genoemde periode een contante uitgaande geldstroom geweest van 111.079,76 euro.

Uit de bevindingen van de Belastingdienst en de verklaringen van verdachte en zijn echtgenote, blijkt dat in de periode 31 december 2004 tot en met 22 november 2010 alleen legale inkomsten zijn ontvangen vanuit dienstverband, uitkeringen en een persoonsgebonden budget. Deze inkomsten werden gestort op de bankrekeningen van verdachte en zijn echtgenote. Er is in de genoemde periode geen sprake van legale contante inkomsten.

Bij de huiszoeking op 22 november 2010 zijn onder meer bankafschriften in beslag genomen. Uit een analyse van deze afschriften blijkt dat in de periode van januari 2005 tot en met 22 november 2010 met regelmaat grote contante bedragen zijn gestort op de bankrekening van verdachte met nummer [rekeningnummer] en ook op de bankrekening van zijn echtgenote [betrokkene 1], nummer [rekeningnummer].

Uit de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat verdachte sinds 7 maart 2009 een personenauto, merk Audi A4 met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft staan.

De aanschafprijs van deze auto bedroeg 35.000,00 euro. Bij de aankoop werd door verdachte een BMW met kenteken [kenteken] ingeruild en moest hij 10.000,00 euro bijbetalen. Dit bedrag werd door hem contant voldaan.

Op 13 juli 2007 werd door verdachte een BMW M3 cabrio aangekocht met inruil van een Kia Picant. Verdachte moest een bedrag van 35.000,00 euro bijbetalen. Dit bedrag werd contant voldaan.

Tijdens de huiszoeking in de woning van verdachte zijn diverse facturen aangetroffen. Deze facturen zijn hoogstwaarschijnlijk contant betaald, aangezien de bedragen van die facturen niet terug te vinden zijn op de bankafschriften van de rekeningen van verdachte en zijn echtgenote. Het gaat in casu om een bedrag van in totaal 21.294,41 euro in de periode van januari 2005 tot en met oktober 2010.

Verdachte heeft verklaard dat hij het geld dat hij met de handel in hennep verdiende, stortte op zijn bankrekening nummer [rekeningnummer]. Van dit geld heeft hij onder meer de BMW en de Audi A4 gekocht, die hij contant heeft afgerekend.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij van dit geld onder meer een keuken en kunststofkozijnen heeft aangeschaft.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte de inkomsten uit de hennepteelt heeft witgewassen en dat hij hiervan, in acht genomen de periode waarin een en ander plaatsvond, een gewoonte heeft gemaakt..

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 november 2010 te

IJsselstein telkens tezamen en in vereniging met een ander, in de uitoefening van een beroep, in een pand gelegen aan de [adres] aldaar, telkens opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verkocht, 120 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 november 2010 te IJsselstein telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [bedrijf], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

3.

op tijdstippen omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 november 2010 te IJsselstein, in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens van onderstaande voorwerpen gebruik gemaakt, te weten:

- geldbedragen van (totaal) 111.079,76 euro (contante stortingen op de bankrekening van verdachte en anderen);

- een geldbedrag van 10.000,00 euro (contante betaling Audi A4 [kenteken]);

- een geldbedrag van 35.000,00 euro (contante betaling BMW M3 [kenteken]);

- geldbedragen van (totaal) 21.294,41 euro (diverse contantbonnen),

terwijl verdachte telkens wist dat die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Gewoontewitwassen

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat het medisch gezien niet goed gaat met verdachte.

Verdachte heeft de zorg voor zijn zoontje, voor wie hij een persoongebonden budget ontvangt, en voor zijn dochter. Ook verzorgt verdachte zijn vrouw, die, zoals uit de overgelegde stukken blijkt eveneens een lange medische geschiedenis heeft, met onder meer psychische en fysieke klachten.

Als de rechtbank de eis van de officier van justitie volgt, betekent dit dat verdachte 12 maanden gedetineerd zal zitten.

Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest.

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen met eventueel een voorwaardelijke straf daarnaast.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode, te weten circa 6 jaren, schuldig gemaakt aan het telen en verkopen van hennep. Ten behoeve van de hennepteelt heeft verdachte illegaal stroom betrokken. Daartoe liet hij door een derde twee keer per jaar de elektriciteitsmeter terugdraaien, zodat hij de afgenomen elektra niet behoefde te voldoen. Met de teelt en verkoop van hennep heeft verdachte in de loop der jaren veel geld verdiend, welk geld hij witwaste door het telkens te storten op zijn eigen bankrekening of op de rekening van zijn echtgenote. Ook besteedde hij dit geld onder meer aan de contante aankoop van auto’s en andere duurzame goederen als een keuken en kunststof kozijnen.

De rechtbank is van oordeel dat in de regel voor dit soort feiten vrijheidsstraffen van lange duur moeten worden opgelegd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat er sprake is van een lange periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd, alsmede dat er sprake is van een in totaal groot bedrag dat verdachte heeft witgewassen.

Echter, vanwege de zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat de rechtbank het aannemelijk acht dat verdachte de zorg heeft voor zijn problematische zoontje en zijn vrouw niet voldoende in staat lijkt te zijn om die zorg te dragen, gelet op de overgelegde informatie omtrent haar gezondheid, alsmede vanwege de omstandigheid dat

het Openbaar Ministerie het kennelijk niet nodig heeft gevonden om verdachte bij de rechter-commissaris voor te geleiden en de bewaring van verdachte te vorderen en mede in acht genomen het blanco strafblad van verdachte, ziet de rechtbank in dit bijzondere geval aanleiding om verdachte veroordelen tot een werkstraf voor de maximale duur met daarnaast een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310, 311 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

Ten aanzien van feit 3:

Gewoontewitwassen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ZES (6) MAANDEN, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf van TWEEHONDERDVEERTIG (240) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van HONDERDTWINTIG (120) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten twee (2) dagen, in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 december 2011.

Mrs. van Doorn en Crouwel zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.