Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BX0367

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
16-710606-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf van 43 dagen. Dit voor het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710606-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1977] te [geboorteplaats] (Turkije)

wonende te [woonplaats] , [adres]

raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 10 juni 2011, 26 augustus 2011, 2 september 2011 en 13 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

In de periode van 11 januari 2011 tot en met 2 maart 2011 te Amersfoort (op een schietbaan gelegen aan de [adres] ) een stormgeweer (merk FEG) en een Steyr, of een daarvan afgeleid model (zijnde een Brügger&Thomet MP9) voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een Steyr, of een daarvan afgeleid model (zijnde een Brügger&Thomet MP9) voorhanden heeft gehad, nu de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen het NFI) heeft verklaard dat hij op basis van de camerabeelden zonder geluid niet met zekerheid kan stellen dat er sprake was van een automatisch wapen en dat het om genoemd model wapen ging. Verdachte dient naar de mening van de officier van justitie van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een stormgeweer, merk FEG voorhanden heeft gehad én dat het hier om een automatisch wapen ging. Zij baseert zich daarbij voornamelijk op de camerabeelden van 11 en 18 januari 2011.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst met betrekking tot het ten laste gelegde voorhanden hebben van een Steyr TMP op het volgende.

Van belang is, aldus de Hoge Raad der Nederlanden (arrest van 14 juni 2011 NbSr 2011, 212) dat verdachte zich in min of meerdere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van een dergelijk wapen. Het is een feit van algemene bekendheid dat op een schietbaan wordt geschoten met vuurwapens, dat die vuurwapens worden meegenomen door de leden van de schietvereniging en dat op de schietbaan zelf geen vuurwapens mogen worden bewaard. Op grond van de camerabeelden staat vast dat verdachte niet zelf heeft geschoten met het bedoelde vuurwapen. Hij kijkt wel een keer naar het wapen, maar uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat hij zich bewust was dat hij naar een automatisch vuurwapen keek. Het enkele kijken naar een wapen zonder enig bewustzijn van de aard van dat wapen is te mager voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van dat vuurwapen. Daar komt bij dat voor het voorhanden hebben ook de beschikkingsmacht van belang is. Op grond van de stukken kan niet gesteld worden dat verdachte enige machtsrelatie had tot dat vuurwapen. Hij heeft er niet mee geschoten, heeft het betreffende wapen niet vastgehad en hij heeft ook niet gevraagd om het vast te mogen houden om er mee te schieten.

Er is derhalve geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de Steyr TMP voorhanden heeft gehad, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het stormgeweer (merk FEG), de AK47, heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte met dit vuurwapen heeft geschoten. Dit wapen is hem door de medeverdachte [medeverdachte 1] die een verlof had voor dit vuurwapen, ter beschikking gesteld.

Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij te maken had met een enkelschotswapen en niet met een automatisch wapen. Er is ook geen reden om hieraan te twijfelen. Feit is immers dat verlof slechts verleend wordt voor niet-automatische wapens. Verdachte heeft bovendien steeds enkelschots gevuurd.

Dat de AK47 eenvoudig om te bouwen zou zijn van een semi-automatisch wapen naar een automatisch wapen blijkt niet uit het onderhavige strafdossier.

Naar de mening van de verdediging is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geschoten met een automatisch vuurwapen, te weten de AK47. Verdachte dient dan ook van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van het onderdeel een Steyr TMP, of een daarvan afgeleid model (zijnde een Brügger & Thomet MP9)

De rechtbank zal bij feit 1 van de tenlastelegging allereerst het onderdeel “een Steyr TMP, of een daarvan afgeleid model (zijnde een Brügger &Thomet MP9), zijnde een wapen van categorie II sub 2, dan wel een vuurwapen van categorie III” bespreken. De bevindingen van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut, de heer Pieper, over automatisch schieten met vuurwapens en de uiterlijke kenmerken van het betreffende wapen zijn daarvoor richtinggevend.

Ter zitting van 2 september 2011 heeft de deskundige verklaard dat hij niet kan vaststellen of er op 18 januari 2011 automatisch is geschoten met het wapen dat wordt aangeduid als een Steyr. Op grond van de opgenomen beelden kan die conclusie namelijk niet worden getrokken. De opnames zelf zijn vastgelegd op beelden die niet helemaal vloeiend zijn, waardoor deze geen volledig doorlopende weergave zijn van wat zich op de schietbaan heeft afgespeeld. Uit de weergave zoals die nu beschikbaar is, kan in elk geval niet worden opgemaakt dat er automatisch is geschoten. De deskundige heeft daar nog aan toegevoegd dat hij alleen op grond van beelden in combinatie met geluid kan vaststellen of er sprake is geweest van volautomatisch schieten. Bij de beschikbare opnames van de schietbaan ontbreekt het geluid echter.

Overigens is voor het beluisteren van de schoten deskundigheid vereist. Alleen iemand met bijzondere deskundigheid dan wel veel ervaring op dit terrein kan op grond van het geluid van vuursalvo’s vast stellen of er automatisch dan wel of er snel semi-automatisch is of wordt geschoten. Dit geldt zowel in het geval van het beluisteren van met apparatuur opgenomen geluid als wanneer er in aanwezigheid van een persoon op een schietbaan wordt geschoten.

Uit voorgaande opmerkingen van de deskundige maakt de rechtbank op dat zij aan de zich in het dossier bevindende verklaringen van verdachte en getuigen dat op de schietbaan automatisch is geschoten met een vuurwapen, geen waarde kan toekennen omdat daarvoor is vereist dat betrokkenen voldoende expertise en ervaring hebben om die waarneming met name ten aanzien van het geluid te kunnen doen. Dat is onvoldoende gebleken.

Wat betreft het wapen zelf acht de deskundige het op grond van de beelden van 18 januari 2011 het meest waarschijnlijk dat dit een Steyr TMP of een daarvan afgeleid model (een Brügger&Thomet MP9) is, gelet op de uiterlijke kenmerken. Hij is hiervan echter niet helemaal zeker. Volgens de deskundige wordt de Steyr TMP of een daarvan afgeleid model door de fabriek als een volautomatisch vuurwapen geleverd, maar is er een technische voorziening op het wapen om dat op semi-automatisch schieten te zetten. De deskundige kan aan de hand van de beelden niet beoordelen of het wapen zodanig is aangepast dat het alleen nog semi-automatisch kan schieten, bijvoorbeeld om dit wapen op een verlof te krijgen. Voorts acht de deskundige het niet onmogelijk dat er aan het oorspronkelijke wapen (niet zijnde een Steyr TMP) zoveel is gewijzigd dat dit het uiterlijk van een Steyr TMP heeft gekregen. Hij had dit alles alleen met grotere zekerheid kunnen bepalen als hij het wapen fysiek had kunnen onderzoeken.

De rechtbank kan, gelet op het vorenstaande, niet vaststellen om welk vuurwapen het in casu gaat. Evenmin kan de rechtbank beoordelen of het in deze gaat om een wapen van categorie II dan wel categorie III. De vraag of het betreffende vuurwapen in de semi-automatische variant een wapen is van categorie III, is op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting onbeantwoord gebleven. De rechtbank komt aan de beantwoording van die vraag echter niet toe om de volgende redenen. Het verwijt van het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II is een wezenlijk ander verwijt dan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III. In het geval van een categorie II wapen gaat het immers om militaire vuurwapens, zoals automatische wapens waarvoor geen verloven tot het voorhanden hebben van die wapens worden afgegeven. Onder categorie III vallen wapens als pistolen, revolvers, geweren, alarm- en startpistolen waarvoor in voorkomende gevallen wel verloven aan privé-personen kunnen worden afgegeven. Bovendien lijkt de steller van de (gewijzigde) tenlastelegging duidelijk het oog te hebben gehad op de Steyr TMP (of een hiervan afgeleid model) en niet een andere Steyr of ander vuurwapen.

Nu niet is komen vast te staan dat er op 18 januari 2011 op de schietbaan te Amersfoort automatisch is geschoten en evenmin dat het bedoelde wapen een Steyr TMP of een daarvan afgeleid model (Brügger&Thomet MP9) is geweest, dient verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onderdeel voorhanden hebben van een stormgeweer (merk FEG)

Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen of munitie in de zin van de Wet wapens en munitie is, naar het oordeel van de rechtbank, vereist dat de verdachte daarover de beschikking heeft gehad in de zin dat hij zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van zijn bezit van dat vuurwapen en/of die munitie.

Dit is naar het oordeel van de rechtbank zeker het geval wanneer een verdachte een vuurwapen (en/of munitie) in handen heeft gehad, ongeacht wat de verdachte met dat wapen doet, bijvoorbeeld het aan iemand teruggeven zonder er meer mee te hebben gedaan dan het te bekijken.

Na in december 2010 ontvangen CIE-informatie dat op de schietbaan aan de [adres] te [woonplaats] met automatische wapens zou worden geschoten, heeft de politie video-opnamen gemaakt over de periode van 24 december 2011 tot en met 1 maart 2011.

Op de beelden van 4 januari, 11 januari, 18 januari, 1 februari en 8 februari 1 is te zien dat verdachte op al die avonden op de schietbaan is. Op de beelden is voorts te zien dat verdachte schiet dan wel een wapen in zijn handen heeft op 4, 11, 18 januari en op 1 februari. Op de beelden van 11 januari 2011 is te zien dat medeverdachte [medeverdachte 1] op de schietbaan is. Omstreeks 21.34 uur is te zien dat verdachte met een lang vuurwapen mogelijk een FEG AK47 in beeld loopt. Hij richt daarmee naar de kogelvanger en schiet meerdere schoten snel achter elkaar.2 Op de beelden van 18 januari 2011 tussen 20.00 uur en 21.00 uur is te zien dat de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn vuurwapen, een FEG AK47 met bijbehorende munitie aan [verdachte] geeft.3 Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij meerdere avonden met de AK47 heeft geschoten op de schietbaan en dat dit wapen van de medeverdachte [medeverdachte 1] is.4 Door de politie is het vuurwapen, dat op het verlof stond van een lid van de schietvereniging Phoenix, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] , geïdentificeerd als een enkelloopsgeweer van het merk FEG, model AK47, zijnde een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie.5

Het voorhanden hebben van dit wapen (de FEG) op verschillende tijdstippen in de tenlastegelegde periode kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 11 januari 2011 tot en met 2 maart 2011 te [woonplaats] (op een schietbaan gelegen aan de [adres] ) een stormgeweer (merk FEG), zijnde een wapen van categorie III en munitie van categorie III, geschikt voor dat wapen, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte op de schietbaan mocht schieten met de FEG omdat dit een wapen was van de medeverdachte [medeverdachte 1] die lid was van de schietvereniging en een verlof had voor dat wapen. Verdachte zou drie à vier keer als introducé op de schietbaan zijn geweest.

De omstandigheden die de verdediging aanvoert om vrijspraak te bepleiten, zouden naar de mening van de rechtbank – mits aannemelijk en toepasselijk – niet de bewezenverklaring doch de strafbaarheid van het feit kunnen aantasten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Wet Wapens en Munitie (WWM) en de daarmee samenhangende regeling wapens en munitie (RWM) en de circulaire wapens en munitie (CWM) 2005 reguleren het legale wapenbezit en hebben als doel bestrijding van het illegale wapenbezit. Wapens en munitie vormen immers een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien deze in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Ter regulering van het wapenbezit is in de CWM 2005 een regeling opgesteld om waarborgen en toezicht op het bezit en gebruik van wapens te creëren. Een van die vormen van regulering betreft het onder strikte voorwaarden toestaan van schietverenigingen. Alleen aan een bij de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA) aangesloten schietvereniging kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van vuurwapens die aan die vereniging toebehoren en die bestemd zijn voor gebruik door leden van die vereniging. Privé-personen kunnen in aanmerking komen voor een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens indien zij via hun vereniging aangesloten zijn bij de KNSA en in het bezit zijn van een geldige KNSA-licentie. Verloven worden onder meer geweigerd indien er reden is om te vrezen dat de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd, of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van de wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.

Verloven tot het voorhanden hebben van privé-vuurwapens strekken er niet toe om personen die geen lid zijn van een schietvereniging in staat te stellen om de schietsport te beoefenen. Ingevolge de CWM 2005 kunnen schietverenigingen introducés die niet in het bezit zijn van een KNSA-licentie, incidenteel in de gelegenheid stellen met de schietsport kennis te maken. Dit kan door in dat verband verenigings- of privé-wapens ter beschikking te stellen. Daartoe moeten wel de zes voorwaarden zoals omschreven in artikel 2.2.5 onder a tot en met f van de CWM 2005 in acht worden genomen. Onder f staat als voorwaarde vermeld dat de introducé – binnen een periode van 12 maanden - maximaal drie keer mag worden geïntroduceerd.

Onder artikel 2.4.6 van de CWM 2005 is geregeld dat tijdelijk en incidenteel in gebruik afstaan van privé-wapens tijdens een schietoefening of wedstrijd aan een medeschutter – die in het bezit is van een geldige KNSA-licentie – is toegestaan mits wordt voldaan aan de voorwaarden over hoe te handelen met de wapens en munitie op de schietbaan zoals die in die bepaling zijn omschreven. In dit verband is geen maximum aantal keren genoemd.

Deze regelingen zijn niet alleen gericht op de positie van een verlofhouder en een schietvereniging, maar ook op de positie van privé-personen die bij een schietvereniging als introducé willen schieten. Met andere woorden: ook van een privé-persoon mag stipte naleving van de (wapen) wettelijke voorschriften worden verlangd. Immers, het uitgangspunt is dat het voorhanden hebben van een wapen strafbaar is.

Van verdachte is gebleken dat hij niet beschikte over een vuurwapenverlof en/of een licentie van de KNSA. Om lid te worden van schietvereniging Phoenix had hij een inschrijfformulier ingevuld maar kon nog geen aanspraak maken op een lidmaatschap. Verdachte was op de schietbaan dus aanwezig in de hoedanigheid van een introducé. Hoewel verdachte ter zitting daar zelf anders over heeft verklaard, is uit de beelden gebleken dat hij meer dan drie keer in 12 maanden op de schietbaan is geweest. Bij de politie heeft verdachte gezegd 4 à 5 keer geïntroduceerd te zijn geweest.6 Er is echter geen registratie bijgehouden van de bezoeken aan de schietbaan, zoals wel wordt vereist, waardoor bovendien niet kan worden vastgesteld of het eerste door de beelden geregistreerde bezoek van 4 januari 2011 ook de eerste introductie was. Bij de politie verklaart verdachte over de gang van zaken op de schietbaan en erbuiten.7 Daaruit en uit de beschrijving van de beelden komt naar voren dat de wapens hem niet steeds op het schietpunt zijn aangereikt. Ook zijn niet steeds het vuurwapen en de niet verschoten patronen onmiddellijk na de schietoefening op het schietpunt teruggegeven aan de persoon die bevoegd was het betrokken vuurwapen voorhanden te hebben. Ten slotte blijkt nergens uit het dossier dat de voor het voorhanden van het wapen bevoegde persoon controleerde of het aantal verschoten patronen plus het aantal overgebleven patronen overeenkwam met het aantal uitgereikte patronen. Ook de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2]8 over de gang van zaken op de schietbaan wijst erop dat de regelgeving op deze punten niet strikt werden gehanteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan de voorwaarden die de beschreven regelingen eisen om de wederrechtelijkheid aan het voorhanden hebben van een vuurwapen weg te nemen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van verdachte waarvan de duur volgens haar 45 dagen bedroeg.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake zou zijn geweest van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering zou moeten leiden. Het gaat in casu om de aanhouding van verdachte waarbij door het Openbaar Ministerie een arrestatieteam is ingezet. De inzet van een dergelijk team kan alleen worden gedaan indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. Deze omstandigheden konden in deze zaak niet worden aangenomen. De politie wist of kon weten dat verdachte op de schietbaan had geschoten met een AK47 die eigendom was van de medeverdachte. Deze medeverdachte had daarvoor een verlof. Verdachte heeft niet geschoten met een Steyr en heeft geen documentatie op het gebied van vuurwapens. Uit de camerabeelden van de schietbaan blijkt ook dat verdachte geen vuurwapens van de schietbaan heeft meegenomen, aldus de raadsman.

Verdachte woont samen met zijn vrouw en twee kleine kinderen. Aangenomen mocht derhalve worden dat verdachte geen vuurwapens in zijn woning had.

De inzet van een arrestatieteam is dan ook buiten alle proporties geweest en onnodig. Dit levert een vormverzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat niet meer hersteld kan worden.

Gelet op de huidige jurisprudentie heeft de verdediging op grond van het bovenstaande geen beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging ook niet gesteld dat het vorenstaande tot bewijsuitsluiting of strafvermindering zou moeten leiden.

De officier van justitie heeft hierop aangevoerd dat geen sprake is geweest van een onrechtmatige inzet van een arrestatieteam bij de aanhouding van verdachte. Er was immers sprake van schieten met een automatisch wapen, te weten de Steyr TMP, op de schietbaan te Amersfoort. Daarbij waren veel mensen aanwezig. Er is voor gekozen om de op camerabeelden geïdentificeerde personen aan te houden. Er is toen gekozen voor de inzet van een arrestatieteam, hetgeen gerechtvaardigd was, gelet op het gevaarzettende karakter van het schieten met een automatisch wapen. De beslissing voor de inzet van een arrestatieteam is genomen door de hoofdofficier van justitie, nu de zaaksofficier van justitie daartoe niet gerechtigd was. Dit wijst er op dat een dergelijke beslissing niet lichtzinnig is genomen en dat het Openbaar Ministerie zich terdege bewust is van de impact die een dergelijke inzet heeft op de privacy van verdachte en diens directe omgeving.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Hoewel de raadsman niet tot een duidelijke conclusie komt over de gevolgen van een vormverzuim, wil de rechtbank toch reageren op het verweer omtrent het vormverzuim. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij de inzet van een arrestatieteam onnodig krenkend vond, en heeft aangegeven welke impact de aanhouding door het arrestatieteam op hem en zijn gezin heeft gehad. Wat betreft de inzet van een arrestatieteam is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de beslissing tot de inzet van een arrestatieteam niet lichtzinnig is genomen. De hoofdofficier van justitie maakt een afweging van belangen tussen de inbreuk op de privacy van verdachte en diens directe omgeving en de risico’s voor de politie. In casu was sprake van een verdenking van het schieten met vuurwapens door mensen die hiervoor geen verlof hadden, waarbij een vermoeden bestond dat het om zowel semi–automatische als automatische wapens zou gaan. Het op een automatische Steyr gelijkende wapen is voor de arrestatie van verdachten niet gevonden. Van sommige schutters is de identiteit niet vastgesteld. De rechtbank acht het te rechtvaardigen dat in een dergelijk geval de veiligheid van de politie bij een arrestatie voorop staat en dat besloten is tot inzet van een arrestatieteam. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 november 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Verdachte heeft 43 dagen in voorarrest gezeten.

Verdachte heeft zich op de schietbaan van de schietvereniging Phoenix schuldig gemaakt aan het twee maal voorhanden hebben van een vuurwapen, een FEG model AK47, en van de van bij dat wapen behorende munitie.

Op het ongeoorloofd voorhanden hebben van vuurwapens en bijbehorende munitie heeft de wetgever strenge straffen gesteld omdat het ongecontroleerde gebruik daarvan een groot gevaar vormt voor de samenleving. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de omstandigheid dat het voorhanden hebben heeft plaatsgevonden binnen de beslotenheid van een schietvereniging en niet in het openbaar.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte binnen de beslotenheid van een schietvereniging minder kwalijk is dan wanneer het bijvoorbeeld op straat of in een (openbaar) café zou hebben plaatsgevonden.

Anderzijds gelden juist op een schietbaan strenge regels teneinde te voorkomen dat personen, waarvan de wetgever niet wil dat zij zich in het schieten met vuurwapens bekwamen, hiertoe wel in de gelegenheid worden gesteld. Verdachte wilde lid worden van de schietvereniging en had – zeker als aspirant-lid - ook een bijzondere verantwoordelijkheid om zich aan de regels van het CWM 2005 te houden. Hij had in dat verband een onderzoeksplicht om zich ervan te vergewissen dat de manier waarop hij op de schietbaan actief aanwezig, in overeenstemming met de regels was. Verdachte heeft dit nagelaten. De rechtbank acht in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op alle omstandigheden in deze zaak, waaronder ook de persoonlijke omstandigheden, een hernieuwde vrijheidsbeneming niet op zijn plaats is. De rechtbank zal de op te leggen vrijheidsstraf dan ook beperken tot de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte partieel vrij van de onder 1 tenlastegelegde zinsnede “een Steyr TMP, of een daarvan afgeleid model (zijnde Brügger&Thomet MP9), zijnde een wapen van categorie II sub 2, danwel een vuurwapen van categorie III:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl

het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen

gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Hoofdstraffen

- veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf van 43 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. P.W.G. de Beer en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 december 2011.

Mr. P.W.G. de Beer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

BIJLAGE I: De tenlastelegging (na wijziging)

hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 januari

2011 tot en met 02 maart 2011 te [woonplaats] (op een schietbaan gelegen aan de

[adres] ), althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer wapen(s) van categorie II sub 2, te weten een stormgeweer (merk FEG), zijnde een wapen van categorie II sub 2, danwel een vuurwapen van categorie III, en/of een

Steyr TMP, of een daarvan afgeleid model (zijnde een Brügger & Thomet MP9), zijnde een wapen van categorie II sub 2, danwel een vuurwapen van categorie III,

en/of munitie van categorie II en/of III, zijnde geschikt voor

genoemd(e) (vuur)wapen(s), voorhanden heeft gehad;

art 26 Wet wapens en munitie

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Proces-verbaal nr. PL0940 2011042122C, met betrekking tot 4 januari pp 880-881, 11 januari pp 882-883 en 891-892 en 894-896 en 905-909, 18 januari pp 932-939, 8 februari pp 1003-1004 en 1023-1024, 1 februari 1023 en 15 februari 2011 pp 1024-1025 en CD-rom met opschrift Vuren 18-01-11 11/37.

2 Proces-verbaal nr. PL0940 2011042122C, pag. 906, videoprint gedateerd 11/01/11, tijd 21.34.01 (pagina 920) en videoprint gedateerd 11/1/11, tijd 21.34.51 (pagina 921).

3 Proces-verbaal nr. PL0940 2011042122C, pag. 1413, videoprint gedateerd 18/01/11, tijd 20.27.14 en CD-rom met opschrift Vuren 18-01-11 11/37.

4 Proces-verbaal PL0940 2011042122C, blz. 1952, proces-verbaal van verhoor van [verdachte] .

5 Proces-verbaal PL0940 2011042122C, blz. 1535, proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier-rechercheur, werkzaam bij het Regionaal Expertisepunt Vuurwapens binnen de afdeling Forensische Opsporing van de politie Utrecht.

6 Proces-verbaal PL0940 2011042122C, blz. 1948, proces-verbaal van verhoor van [verdachte] .

7 Proces-verbaal PL0940 2011042122C, blz. 1949, proces-verbaal van verhoor van [verdachte] .

8 Proces-verbaal PL0940 2011042122C, blz. 1582, proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] .