Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BW8810

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
16/600981-11; 16/504046-10 (TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak van pog. toebrengen zwaar lichamelijk letsel subsidiair mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600981-11; 16/504046-10 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 7 oktober 2011 heeft geprobeerd om [slachtoffer] met een mes (in zijn hand) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Subsidiair is tenlastegelegd dat verdachte op genoemde datum [slachtoffer] met een mes (in zijn hand) heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Op 7 oktober 2011 heeft er een ruzie plaatsgevonden tussen het slachtoffer [slachtoffer] en verdachte, waarbij verdachte een mes in handen heeft gehad en waarbij [slachtoffer] is geduwd. Omtrent het incident zijn door diverse getuigen verklaringen afgelegd.

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van de aangever [slachtoffer], de getuige [getuige 1] en de getuige [getuige 2]. Voorts wijst de officier van justitie op de bevindingen van de politie die letsel bij [slachtoffer] hebben geconstateerd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er op dat geen onderzoek is gedaan aan het onder verdachte inbeslaggenomen mes, terwijl dit wel had gekund. Een dergelijk onderzoek had mogelijk belastend en/of ontlastend bewijsmateriaal kunnen opleveren. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat er geen foto’s van het letsel van [slachtoffer] in het dossier zitten.

De raadsman wijst op de verklaring van de getuige [getuige 3]. Zij heeft verklaard dat verdachte het slachtoffer een duw gaf met de hand waarin hij het mes niet vasthield. De hand met daarin het mes had verdachte op zijn rug. Dat komt overeen met de verklaring van verdachte zelf.

De getuige [getuige 1] heeft enkel verklaard dat zij zag dat verdachte een duw gaf, maar zij verklaart niet met welke hand dit is gebeurd.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte met beide handen duwde, maar zij heeft niet verklaard dat het mes dat verdachte vasthield, ook daadwerkelijk de hals/nek van het slachtoffer heeft geraakt. Kennelijk heeft zij dit niet gezien. De verdediging acht de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet bruikbaar voor het bewijs.

Verder is er geen medische verklaring in het dossier met betrekking tot het letsel van [slachtoffer]. Het geconstateerde letsel kan derhalve ook op een ander tijdstip zijn ontstaan.

Indien de rechtbank van oordeel is dat er voldoende bewijs voorhanden is, dan wijst de verdediging er op dat het (voorwaardelijk) opzet bij verdachte heeft ontbroken.

Hij heeft het slachtoffer slechts een duw gegeven en is direct daarna weggelopen. Hij hoefde niet te verwachten dat door deze duw letsel zou ontstaan.

De verdediging is dan ook van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De tenlastelegging behelst het verwijt onder zowel primair als subsidiair dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gesneden/gestoken, dan wel dat hij [slachtoffer] met een mes in de hand heeft geduwd, waardoor letsel bij [slachtoffer] is ontstaan.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en van verdachte zelf, kan blijken dat verdachte achter zijn rug een mes in zijn hand heeft gehad en dat hij [slachtoffer] heeft geduwd. Echter, uit die verklaringen zijn, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat verdachte dit mes op enig moment vanachter zijn rug heeft gehaald en daarmee heeft gesneden/gestoken, dan wel dat hij met dat mes in de hand [slachtoffer] heeft geduwd. Evenmin blijkt uit die verklaringen in voldoende mate dat dit mes op enig ander moment ook daadwerkelijk de keel/hals van het slachtoffer heeft geraakt, waardoor het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan. Dit kan ook niet meer worden vastgesteld nu er geen onderzoek is gedaan naar het letsel en het mes. In het dossier bevinden zich geen foto’s en/of een medische verklaring omtrent het letsel.

De rechtbank acht daarom niet overtuigend bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken.

Nu verdachte wordt vrijgesproken, dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 december 2011.

Mr. A.G. van Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.