Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BW8429

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
16/600659-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens bedreiging moeder en zus en overtreding van de Wet tijdelijk huisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600659-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [woonplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsvrouwe mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 4 juli 2011 een hem opgelegd tijdelijk huisverbod heeft overtreden;

2. op 4 juli 2011 zijn moeder en zus heeft bedreigd en;

3. op 6 augustus 2011 zijn moeder en zus heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 1 baseert hij zich op het afgegeven huisverbod, de verklaringen van de moeder en zus van verdachte en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 2 en 3 baseert de officier van justitie zich op de verklaringen van de moeder en zussen van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 2 en 3 tenlastegelegde bedreigingen.

Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat verdachte de vermeende bedreigingen ontkent. Niet uit te sluiten valt dat er enige afstemming omtrent de verklaringen is geweest tussen moeder en zussen. Als dit het geval is dan is er naar de mening van de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte een mes op zijn eigen keel heeft gezet om zijn moeder en zussen te laten zien wat zij hem aandeden met hun gedrag. De vraag is of dit voldoende vrees teweeg heeft gebracht bij de moeder en zussen van verdachte. Naar de mening van de verdediging is dit niet het geval. Daar komt bij dat het zetten van een mes op de eigen keel op een heel ander moment is geweest, te weten al vóór moeder en zussen op vakantie gingen, en niet op 6 augustus 2011.

De politie is pas gebeld op het moment dat moeder en zus de woning aan de [adres] niet binnen konden, omdat verdachte deze had gebarricadeerd. Er wordt dan nog geen melding gemaakt van bedreiging, doch slechts gemeld dat zij hun woning niet in konden.

Al met al is de verdediging van mening dat verdachte van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en 2:

Bij beschikking van de burgemeester van de gemeente [woonplaats] van 17 juni 2011 is aan verdachte een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, derhalve tot 27 juni 2011, met betrekking tot de woning gelegen aan [adres] te[woonplaats] en ten aanzien van (onder meer) de personen [A] en [B]. Bij beschikking van 24 juni 2011 is dit huisverbod verlengd tot 15 juli 2011.

Op 4 juli 2011 kwam [A], moeder van verdachte, rond 10.00 uur thuis met haar twee dochters [C] en [B] en haar zoon [D]. Zij zag dat verdachte uit haar voortuin kwam en haar aansprak. Hij wilde de huissleutels van de woning [adres] te [woonplaats]. Toen hij deze niet kreeg, hoorde [A] verdachte zeggen: “Als je mij de huissleutels niet geeft, maak ik jullie dood.”

[A] heeft verklaard dat zij eerder door verdachte is mishandeld en dat zij bang was dat hij zijn bedreiging ten uitvoer zou brengen.

[B] heeft verklaard dat verdachte het huisverbod heeft overtreden door de woning binnen te gaan waartoe hij een balkondeur heeft opengebroken.

Voorts heeft zij verklaard dat zij, haar moeder, zus en broertje op 4 juli 2011 in de ochtend thuiskwamen en toen zij uit de auto stapten, verdachte uit de tuin van hun woning zag komen. Zij hoorde dat verdachte tegen hen zei dat hij de sleutels van de woning wilde hebben. Toen moeder dit weigerde, hoorde zij verdachte zeggen: “als jullie die niet geven, maak ik jullie dood.”

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 4 juli 2011 het huis van zijn moeder is binnengegaan. Daartoe had hij de balkondeur opengebroken . Hij was er van op de hoogte dat hij toen een huisverbod had.

Met betrekking tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot mogelijke afstemming tussen de verklaringen merkt de rechtbank op dat deze verklaringen onderling consistent zijn, ook op details, en dat er voorts geen aanwijzingen in het dossier aanwezig zijn dat er sprake is (geweest) van afstemming. Gelet hierop gaat de rechtbank dan ook uit van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.

Ten aanzien van feit 3:

Op 7 augustus 2011 heeft [A], moeder van verdachte, aangifte gedaan van bedreiging door haar zoon, verdachte.

Op 6 augustus 2011 was verdachte thuis. [A] zag dat hij naar de keuken liep. Zij zag dat [C], haar dochter, achter hem aan liep. [A] kon niet zien wat er in de keuken gebeurde, maar hoorde dat verdachte riep: “Ik maak jullie dood. Ik maak mezelf dood.” Zij zag dat [C] uit de keuken kwam en hoorde haar zeggen dat verdachte een mes tegen zijn keel gedrukt hield. [A] was bang dat verdachte iemand iets zou aan doen. Zij verklaarde dat verdachte agressief en gevaarlijk is.

[C], zus van verdachte, heeft op 7 augustus 2011 verklaard dat zij op 6 augustus 2011 met haar moeder en verdachte thuis was in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Zij zag dat verdachte al schreeuwend en scheldend naar de keuken liep. Zij liep achter hem aan en hoorde dat verdachte riep: “iedereen gaat dood.” Zij zag dat verdachte een mes uit een la pakte en dit direct tegen zijn eigen keel drukte. Vervolgens is [C] naar de woonkamer gevlucht.

[C] hoorde kort daarna dat verdachte uit de keuken kwam en hoorde dat hij zei: “De kat gaat als eerste dood.”

De rechtbank heeft overwogen dat, ondanks dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat het incident met het drukken van een mes op de eigen keel niet op 6 augustus 2011 is geweest, maar al vóór de vakantie van zijn moeder, dit wordt weerlegd door de verklaringen van zijn moeder en zijn zus [C]. Beiden verklaren dat dit voorval is geweest nadat zij van vakantie waren teruggekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit onderdeel van de telastelegging zich ook op 6 augustus 2011 heeft afgespeeld.

Uit het dossier blijkt voorts, anders dan door de verdediging is aangevoerd, dat reeds bij het ter plaatse komen van de politie melding is gemaakt ook van de bedreiging met de dood, waarbij gebruik is gemaakt van een mes.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 4 juli 2011 te [woonplaats], als uithuisgeplaatste opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een door of namens de burgemeester op 24 juni 2011 opgelegd verlengd huisverbod (op grond van artikel 9 lid 1 Wet Tijdelijk Huisverbod) voor de periode van 27 juni 2011 tot en met 15 juli 2011, betreffende de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], door deze woning te betreden en in die woning aanwezig te zijn en contact op te nemen met [A] en [B], die in die woning wonen en zijn vermeld in voornoemd verlengd huisverbod;

2. op 4 juli 2011 te [woonplaats], [A] (zijn moeder) en [B] (zijn zus) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] en [verdachte] dreigend de woorden toegevoegd: “Als je mij de huissleutels niet geeft, maak ik jullie dood.”

3. op 6 augustus 2011 te [woonplaats], [A] en [verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen en aldaar opzettelijk dreigend een mes nabij zijn eigen keel gehouden en (daarbij) voornoemde [A] en [verdachte] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak jullie dood.” en “Ik maak mezelf dood” en “Iedereen gaat dood” en “De kat gaat als eerste dood.”

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met een met toepassing van artikel 9, lid 1 Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod;

Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde:

Telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden van een verplicht reclasseringscontact, waaronder een meldingsgebod, een contactverbod met zijn moeder en zussen en een locatieverbod voor de woning [adres] te [woonplaats], beide voorwaarden gedurende de proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte is aangehouden terzake van overtreding van het huisverbod en inbraak in de woning en niet ter zake van bedreiging. De politie is pas in een later stadium nader ingegaan op de bedreigingen, maar daar zag het bevel tot inverzekeringstelling niet op. Dit levert een onrechtmatigheid op waarmee in de strafmaat rekening moet worden gehouden.

Met betrekking tot feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatige aanhouding. Verdachte is op 7 augustus 2011 buiten heterdaad aangehouden zonder toestemming van de officier van justitie. De reden hiervoor zou zijn gelegen in het feit dat er ernstige vrees bestond voor de veiligheid van de overige gezinsleden. De verdediging merkt op dat gevaarzetting geen criterium is voor een aanhouding buiten heterdaad. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig is aangehouden, hetgeen tot strafvermindering moet leiden.

Verdachte is na het eerder opgelegde huisverbod weer thuis komen wonen. Zijn grootste probleem is dat hij niet over zelfstandige woonruimte beschikt.

Verdachte heeft in eerste instantie niet met de reclassering en een psychologisch onderzoek willen meewerken. Hij wilde zijn problemen binnen zijn detentie oplossen. Verdachte wil bij nader inzien wel met de reclassering meewerken en stelt zich niet weigerachtig op. Hij wil met de reclassering de mogelijkheden van huisvesting en werk bespreken.

Een voorwaardelijk strafdeel van 60 dagen gevangenisstraf is erg hoog. De verdediging heeft matiging verzocht van dit strafdeel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 2 door de politie alleen bevraagd zou zijn over de bedreiging van zijn moeder en zus op 4 juli 2011, een feit waarvoor verdachte niet in verzekering is gesteld. Uit de processtukken blijkt echter dat verdachte tevens is ondervraagd over het overtreden van het huisverbod, welk feit wel op het bevel tot inverzekeringstelling is vermeld. Het verweer van de verdediging wordt derhalve weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 3 verwerpt de rechtbank het verweer met betrekking tot de onrechtmatige aanhouding van verdachte. Al voordat verdachte buiten heterdaad werd aangehouden was bij de politie bekend dat er sprake was geweest van bedreigingen door verdachte aan het adres van zijn moeder en zussen. De toestemming voor de aanhouding werd achteraf door de officier van justitie verleend.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een hem opgelegd huisverbod dat hij had gekregen nadat er aangifte tegen hem was gedaan van mishandeling van zijn moeder en zijn zussen. Verdachte is op 4 juli toch de woning van zijn moeder ingegaan en heeft, nadat hij de woning had verlaten en hij zijn moeder, zussen en broertje voor de woning tegenkwam, zijn moeder en zus [B] bedreigd.

Ook op 6 augustus 2011 heeft verdachte zijn moeder en zijn andere zus, [C], bedreigd.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bedreigingen heeft geuit tegen zijn eigen familie en dat hij ondanks een opgelegd huisverbod en opgelegde schorsingsvoorwaarden doorgegaan is met het lastig vallen van zijn familieleden. Uit de verklaringen van zijn moeder en zussen en uit bevindingen van de verbalisanten blijkt dat moeder, de zussen en ook het kleine broertje van verdachte zeer bang zijn voor verdachte en niet meer met hem in huis willen wonen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van T.E.G.A. Oosterhof, gezondheidszorg psycholoog, d.d. 5 oktober 2011, waarin wordt vermeld dat verdachte heeft geweigerd aan het psychologische onderzoek mee te werken, zodat geen diagnosestelling en forensische beschouwingen hebben kunnen plaatsvinden.

Verder heeft rechtbank gelet op een rapport van Reclassering Nederland, d.d. 7 oktober 2011, waarin wordt vermeld dat verdachte heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan. Voor de reclassering was het derhalve niet mogelijk om de leefsituatie van verdachte te beschrijven en een inschatting te maken van het recidiverisico. Voorts heeft de reclassering geen zicht kunnen krijgen op het intelligentieniveau en de psychische gesteldheid van verdachte, temeer nu deze heeft geweigerd met deskundige Oosterhof in gesprek te gaan. Desondanks is de reclassering van mening dat het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden is te verkiezen boven gevangenisstraf zonder toezicht en begeleiding, en wel in het belang van de slachtoffers. De reclassering adviseert vervolgens een verplichting tot meewerken aan onderzoek en zo nodig deelname aan behandeling door de Waag of een soortgelijke instantie, tot meewerken aan toegeleiding tot begeleid wonen of maatschappelijke opvang en voorts een meldingsgebod en een contactverbod.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd, waarbij tevens bijzondere voorwaarden moeten worden gesteld, zoals een verplicht reclasseringscontact alsmede een contact- en locatieverbod ter bescherming van de moeder, zussen en het broertje van verdachte. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van 2 jaar verbinden.

De rechtbank merkt op dat zij geen meerwaarde ziet in het opleggen van een meldingsgebod, noch in behandeling van verdachte als bijzondere voorwaarden, nu verdachte elke medewerking aan het tot stand komen van een reclasseringsrapportage en een psychologisch rapport eerder al heeft geweigerd en zich ook overigens niet meewerkend heeft opgesteld in de richting van de reclassering.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 11 van de Wet tijdelijk huisverbod zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 : Handelen in strijd met een met toepassing van artikel 9, lid 1 Wet tijdelijk

huisverbod, gegeven huisverbod;

feit 2 en 3: telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van honderdtachtig (180) dagen, waarvan zestig (60) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd (een van) de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd zal onthouden van enig contact met zijn moeder, zijn zussen en zijn broertje, tenzij dit door de reclassering en de betrokken personen wordt toegestaan;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd niet zal ophouden in en rond de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], anders dan met toestemming van de reclassering en van zijn moeder,

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 december 2011.

Mr. A.G. van Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.