Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV9156

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
16/712392-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van verduistering uit hoofde van dienstbetrekking. In scene gezette overval op vrachtwagen. Witwassen. Verboden wapen bezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712392-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van bewaring Nieuwegein, te Nieuwgein.

Raadsman mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1, primair: op 12 maart 2010 samen met anderen de lading van een vrachtwagencombinatie heeft verduisterd over welke lading een medeverdachte kon beschikken uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking.

Feit 1 subsidiair: op 12 maart 2010 samen met anderen de lading van een vrachtwagencombinatie heeft gestolen.

Feit 2: op 6 januari 2011 een geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig was.

Feit 3: op 6 januari 2011 een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 1 primair en feit 2 en 3 aan hem ten laste is gelegd, heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en 2.

De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om te komen tot een veroordeling van feit 1. In het dossier is enkel de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] aanwezig. De Hoge Raad heeft immers in haar uitspraken van 30 juni 2009 de eisen die artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering stelt, aangescherpt. Artikel 342 strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. In het dossier is echter geen bewijs te vinden waarmee de verklaring van [medeverdachte 1] op onderdelen kan worden ondersteund. Daarnaast is de enkele aanwezigheid van de verdachte ten tijde van het veronderstelde strafbare feit en ander indirect bewijsmateriaal ontoereikend om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Tevens dient de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] als onvoldoende overtuigend terzijde te worden geschoven. Nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Wat betreft feit 2 heeft de raadsman eveneens betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het openbaar ministerie dient het bewijs aan te brengen waaruit de feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid op grond waarvan de legale herkomst van de gelden kan worden uitgesloten. Dergelijk bewijs ontbreekt in onderhavige zaak, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Voor wat betreft feit 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.3.1 De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen betreffende feit 1 primair

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] niet kent.

De aangiften

Aangever [aangever 1], manager logistiek bij Mobile Communication Company (hierna: MCC) heeft op 18 maart 2010 aangifte gedaan van diefstal. Hij verklaarde dat hij op 12 maart 2010 door [A] van [bedrijf 1] werd gebeld met de mededeling dat hij vermoedde dat er een transport overvallen was. De goederen die tijdens deze overval zijn ontvreemd, zijn eigendom van MCC. De totale waarde van deze goederen bedraagt € 280.261,04 exclusief BTW. Deze goederen waren in opdracht opgehaald in Lelystad door firma [bedrijf 1].

Aangever [aangever 2] heeft op 19 maart 2010 eveneens aangifte gedaan van diefstal. Hij heeft verklaard dat op 12 maart 2010 een overval plaats had op een transport dat door zijn bedrijf, [bedrijf 1], werd uitgevoerd in opdracht van de firma MCC te Naarden. De firma MCC te Naarden is eigenaar van de goederen die ontvreemd zijn.

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]

Medeverdachte [medeverdachte 1] is werkzaam als chaufeur bij het bedrijf [bedrijf 1]. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij door zijn drugsdealer genaamd ‘[naam]’ is benaderd om een overval op zijn eigen vrachtwagen in scène te zetten en dat hij daarmee een leuk bedrag kon verdienen. Hij had aan deze ‘[naam]’ verteld wat voor goederen hij vervoerde. Zij spraken af bij The Wall. Bij deze ontmoeting was een tweede man aanwezig. Medeverdachte [medeverdachte 1] omschrijft hem als een grote kale Marokkaan en noemt hem ‘de Reus’. Tijdens deze ontmoeting heeft medeverdachte [medeverdachte 1] eerst met ‘[naam]’ gesproken. Daarna kwam ‘de Reus’ bij hem in de auto zitten. ‘De Reus’ vertelde hem dat hij tegen de politie moest zeggen dat hij een bordje met ‘politie volgen’ kreeg. Hij moest zeggen dat hij aangehouden was en dat twee mensen met bivakmutsen hem uit de vrachtwagen trokken en er vervolgens met de vrachtwagen vandoor gingen. En dat hijzelf later gedumpt werd. Ook werd bij The Wall besproken dat ‘de Reus’ bij [medeverdachte 1] in de vrachtwagen zou komen zitten met een stoorzender en dat hij de loods zou regelen waar de goederen gelost zouden worden. ‘[naam]’ zou met een auto achter hen aanrijden. ‘De Reus’ vertelde [medeverdachte 1] ook dat hij twee weken na de in scène gezette overval geld zou ontvangen en dat de politie [medeverdachte 1] maximaal een maand zou afluisteren. Bij een volgend contact kreeg [medeverdachte 1] een telefoon van ‘de Reus’. In de tussentijd had hij nog contact met ‘[naam]’. ‘De Reus’ zou een loods regelen en mensen en een dumpplaats voor de vrachtwagen.

Op 12 maart 2010 is hij met een vrachtwagencombinatie naar een loods in [woonplaats] gereden. Toen hij de straat in reed zag hij dat er betonnen blokken aan de rechterzijde stonden. Eén van deze blokken stond scheef. Hij is een loods ingereden. Toen is de trailer leeg getrokken. Daarbij werd door één persoon gebruik gemaakt van een heftruck. ‘De Reus’ was ook bij de loods. ‘[naam]’ bleef om de hoek, in zijn auto, wachten. Op een later moment heeft ‘[naam]’ de pakbonnen die op de pallets zaten, die als vracht in de trailer hadden gestaan, aan hem getoond. Hij kreeg van ‘[naam]’ € 3.000,00.

De fotoconfrontaties

Naar aanleiding van het signalement dat medeverdachte [medeverdachte 1] van de mededader die hij ook wel aanduidde met ‘de lange’ en ‘de Reus’, had gegeven, is op 9 november 2010 een fotobewijsconfrontatie gehouden. Een foto van verdachte, met nummer 4620642704, was aan de confrontatie toegevoegd en opgenomen op plaats nummer 7. Medeverdachte [medeverdachte 1] wees tijdens de fotoconfrontatie fotonummer 7 aan en verklaarde ‘dit is de persoon die ik bedoel’. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde medeverdachte [medeverdachte 1] eveneens zeggen dat dit voor 100% de man was die hij bedoelde en dat hij daarmee bedoelde de lange kale man.

Naar aanleiding van het signalement dat medeverdachte [medeverdachte 1] van zijn mededader ‘[naam]’ had gegeven, is op 15 oktober 2010 een fotobewijsconfrontatie gehouden. Een tweetal foto’s van medeverdachte [medeverdachte 2], met nummer PL0911:07:01503, waren aan de confrontatie toegevoegd en opgenomen op plaats nummer 9. Medeverdachte [medeverdachte 1] wees tijdens de fotoconfrontatie fotonummer 9 aan en verklaarde ‘dat is hem, dat is de persoon die ik bedoel. Dat is ‘[naam]’.

Waarneming ter terechzitting

Ter terechtzitting zijn de beelden van de foslo-confrontatie, waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] verdachte aanwijst als mededader ‘de lange’ bekeken. Op deze beelden is te zien dat [medeverdachte 1] zonder te aarzelen verdachte aanwijst. [medeverdachte 1] vraagt de foto nog een extra keer te mogen bekijken om er zeker van te zijn dat het verdachte is. [medeverdachte 1] is hier 100% zeker van en oogt opgelucht.

Bevindingen van verbalisanten

Op 5 oktober 2010 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] aan verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een tweetal loodsen in [woonplaats] aangewezen als de mogelijke loodsen waar hij zijn vrachtwagen op 12 maart 2010 in had gereden. Het betreft de loodsen gelegen aan [adres] en aan [adres].

Getuige [getuige], medewerker bij [bedrijf 2], gevestigd aan perceel [adres] te [woonplaats], en tegenover perceel [adres] te [woonplaats], heeft ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], verklaard dat hij heeft gezien dat één van de betonnen blokken, gelegen op de [straat] ter hoogte van zijn eigen bedrijf en recht tegenover de loods aan de [adres], scheef stond.

Op 6 januari 2011 was verbalisant [verbalisant 4] als hulpofficier van justitie aanwezig bij een doorzoeking in een woning van medeverdachte [medeverdachte 2], perceel [adres] te [woonplaats]. Tijdens deze doorzoeking werden onder andere groene handelaarskentekenplaten aangetroffen. Deze kentekenplaten werden aan de bewoners van de woning getoond, te weten de zussen van medeverdachte [medeverdachte 2]. Verbalisant [verbalisant 4] hoorde [B], zus van medeverdachte [medeverdachte 2], zeggen ‘Dat is van die [C].’

Op 6 januari 2011 vond eveneens een doorzoeking plaats in het pand aan [adres] te [woonplaats]. Tijdens deze zoeking sprak verbalisant [verbalisant 5] met [getuige 2]. [getuige 2] verklaarde dat hij het kantoorgedeelte huurde van [C]. Deze [C] heeft ook een pand op de [adres] te [woonplaats].

Er is onderzoek verricht naar de telefoonnummers in gebruik bij verdachte. Het telefoonnumer [telefoonnummer] staat op naam van verdachte, wonende op het adres [adres] [woonplaats]. De rechtbank leidt daaruit af dat het telefoonnummer wordt gebruikt door verdachte. De historische printgegevens van dit telefoonnummer zijn over de periode van 5 januari 2010 tot en met 13 maart 2010 vergeleken met de historische printgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer]. Beide telefoonnummers straalden op tijdstippen die dicht bij elkaar zijn gelegen, een mast aan op dezelfde locatie of masten op nabijgelegen locaties. ‘s Ochtends en ’s avonds straalden de telefoonnummers masten aan in Vianen. De rechtbank leidt daaruit af dat het telefoonnummer [telefoonnummer] wordt gebruikt door verdachte.

Het telefoonnummer [telefoonnummer], in gebruik bij verdachte, belt op 21 februari 2010 om 21:18 uur uit naar telefoonnummer [telefoonnummer]. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 16 maart 2010 aangegeven gebruik te maken van het telefoonnummer [telefoonnummer].

4.3.2 Aanvullende bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1]

Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de verklaringen die door [medeverdachte 1] zijn afgelegd voor zover die hiervoor zijn weergegeven. De rechtbank acht niet aannemelijk dat medeverdachte [medeverdachte 1] er enig belang bij heeft om twee onschuldige mensen aan te wijzen als zijn mededaders.

Leugenachtige verklaring ter terechtzitting van verdachte

Zoals hiervoor al is weergegeven is verdachte de gebruiker van [telefoonnummer]. Dit nummer belt op 21 februari 2010 om 21:18 uur uit naar het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2], [telefoonnummer]. Deze feiten schreeuwen om een verklaring die verdachte niet heeft gegeven. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat verdachte en [medeverdachte 2] contact met elkaar hebben gehad.

Verdachte heeft ontkend dat hij [medeverdachte 2] kent. De rechtbank acht deze ontkenning gelet op het bovenstaande leugenachtig. Verdachte heeft deze leugenachtige verklaringen kennelijk afgelegd om de waarheid te verhullen.

Unus testis nullus testis

Door de raadsman is bepleit dat, op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft, niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, nu er geen aanvullend bewijs in het dossier aanwezig is die de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteunt.

De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Het tweede lid van artikel 342 Wetboek van Strafvordering betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Op grond van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in geval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt is niet vereist dat het aanvullende bewijs betrekking heeft op de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde gedraging. Die eis kan niet worden afgeleid uit het bepaalde in artikel 342, tweede lid, noch uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Op grond van artikel 342, tweede lid, is (slechts) vereist dat er voldoende aanvullend bewijs aanwezig is dat betrekking heeft op de feiten en omstandigheden die deze ene getuige over de ten laste gelegde gedraging in zijn verklaring heeft genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring voor zover deze voor het bewijs is gebruikt voldoende steun vindt in andere gebruikte bewijsmiddelen.

Plaats delict

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de vrachtwagen naar binnen heeft gereden bij een loods waar tegenover betonnen blokken stonden. Eén van deze blokken stond scheef. Getuige [getuige] spreekt eveneens van een scheef staand betonnen blok tegenover de loods aan de [adres] te [woonplaats]. Ottevanger zelf heeft [adres] te [woonplaats] aangewezen als mogelijke loods waar de goederen gelost zijn. [adres] te [woonplaats]is eigendom

van [C]. Uit bovenstaande feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de vrachtwagen is gelost aan de [adres] te [woonplaats].

4.3.3 Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 en feit 3

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen werk heeft en leeft van een uitkering van de sociale dienst.

Doorzoeking van de woning

Op 6 januari 2011 vond een doorzoeking van de woning, gelegen aan de [adres], [woonplaats], waar verdachte woonachtig is, plaats. Tijdens de doorzoeking is een geldbedrag van in totaal € 7.350,00 aangetroffen en in beslag genomen. Ook is in de meterkast van de woning een psitool van het Zastava aangetroffen. Dit wapen betreft een pistool, merk Crvena Zastava, model 70, kaliber 7.65mm. Dit pistool is een vuurwapen als bedoeld in artikel 1 derde 3 juncto artikel 2 eerste lid, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. In de houder van het pistool bevonden zich vier scherpe patronen, kaliber 7.65mm. Deze munitie is bestemd of geschikt om met dit vuurwapen te worden afgevuurd.

Aanvullende bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 en feit 3

In de woning waar verdachte woonachtig is, is een aanzienlijk geldbedrag en een vuurwapen met munitie aangetroffen. Over het vuurwapen en de munitie heeft verdachte geen verklaring willen geven. Ten aanzien van het geld heeft verdachte verklaard dat hij dat in beheer had voor een derde. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geen werk heeft en leeft van een uitkering.

Het wapen en de munitie is in de woning en daarmee in de aanwezigheid van verdachte aangetroffen. Niet is gebleken dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] door andere personen dan verdachte in gebruik is. Het wapen inclusief munitie bevond zich daardoor in de machtssfeer van verdachte.

Verdachte heeft geen werk en leeft van een uitkering. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen die leven van een uitkering hiervan vaak net rond kunnen komen. Toch is in de woning van verdachte een aanzienlijk geldbedrag aangetroffen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij dit in beheer heeft voor een derde. Wie deze derde is en waarom verdachte het geld voor deze derde in beheer heeft, is niet duidelijk geworden. De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat verdachte het geld voor een derde in beheer heeft. Hiervoor zijn geen aanknopingspunten in het dossier gevonden en verdachte heeft hierover ook niet nader verklaard. Verdachte heeft, zoals hiervoor is weergegeven, zich schuldig gemaakt aan de verduistering van electronica met een aanzienlijke waarde.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat zowel feit 2 als feit 3 wettig en overtuigend bewezen is.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

Op 12 maart 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk de totale lading van een vrachtwagencombinatie, te weten een grote hoeveelheid digitale goederen ter waarde van ongeveer 280.000 Euro excl. BTW, toebehorende aan het bedrijf Mobile Communication Company te Naarden, en welke goederen zijn mededader uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en van zijn beroep als chauffeur van voornoemde vrachtwagencombinatie onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

op 06 januari 2011, te Vianen, een voorwerp, te weten 7.350 EURO, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

op 06 januari 2011 te Vianen, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Crvena Zastava, model 70, en bijbehorende munitie van categorie III, te weten vier patronen, kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair: Medeplegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit

hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft.

Feit 3: Witwassen.

Feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en feit 2. Nu enkel feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden en mede gelet op de persoon van verdachte, is een straf gelijk aan het voorarrest passend en geboden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft, samen met zijn mededaders, de lading van een vrachtwagen, welke toebehoorde aan MCC, verduisterd. Verdachte heeft door deze handelswijze zowel [bedrijf 1] als MCC voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Vervolgens heeft medeverdachte [medeverdachte 1] ten overstaan van de politie aangifte gedaan van diefstal met geweld, terwijl hij wist dat dit feit niet gepleegd was. Mede door het handelen van verdachte en de medeverdachten is de angst in de transportsector toegenomen voor overvallen waarbij de vrachtwagenchauffeur door een nep politieagent wordt gemaand te stoppen en hij, onder bedreiging van geweld, wordt beroofd van de lading die hij vervoert. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen en zijn eigen financieel gewin voorop heeft gesteld.

Ook heeft verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tevens levert het voorhanden hebben van wapens en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen op. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond, dan wel verantwoordelijkheid heeft getoond voor zijn handelen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 11 januari 2011, waaruit blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor onder meer (poging tot) diefstal in vereniging.

Daar verdachte geen enkele verklaring heeft willen geven en niet mee heeft willen werken aan een rapportage door de reclassering, is de rechtbank ook niet gebleken dat er sprake is van verzachtende feiten en omstandigheden, waarmee bij de strafoplegging ten voordele van verdachte rekening moet worden gehouden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank zal, conform de vordering van de officier van justitie, een gevangenisstraf opleggen van 27 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf 1] heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 1.208,72 aan materiële schade.

De officier van justitie verzoekt de gevorderde vorderingen benadeelde partij ingediend door [aangever 2] hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 998,72, waarvan € 663,05 met de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 558,05 (bestaande uit

€ 500,00 eigen risico en € 58,05 vervoerskosten) een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

Het gevorderde bedrag voor materiële schade betreffende de inzet van extra personeel voor een bedrag van € 315,00 acht de rechtbank niet toewijsbaar. Dat gedeelte van de vordering zou een nadere behandeling en bewijsvoering vergen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt, te weten € 335,67, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Met betrekking tot de toegekende vordering ten bedrage van € 558,05 ten aanzien van [bedrijf 1] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Hierbij heeft de rechtbank de gevorderde kosten betreffende advocaatkosten in mindering gebracht op het totaal toe te wijzen bedrag, overeenkomstig artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

8 Het beslag

Ten aanzien van het beslag verzoekt de officier van justitie:

- Een drietal geldbedragen van € 5.000,00 respectievelijk € 1.400,00 en € 950,00 verbeurd te verklaren.

- Kleding, een tas, één stuk papier’, drie mutsen en een zaklamp en jas te retourneren aan verdachte.

- Eén vuurwapen, twee jerrycans, een jammer en een holster te onttrekken aan het verkeer.

De raadsman heeft verzocht alle in beslag genomen goederen, met uitzondering van het vuurwapen en de munitie, aan verdachte te retourneren.

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.2 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat met betrekking tot dit geld het onder 2 bewezen verklaarde feit is begaan.

8.3 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar het onder 1 ten laste gelegde feit, zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen (kunnen) dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, en tot de belemmering van de opsporing daarvan.

Met betrekking tot het als nummer 4 op de beslaglijst genummerde voorwerp, is het onder 3 bewezen verklaarde feit begaan.

Verder zijn de voorwerpen, genummerd op de beslaglijst 4, 11 tot en met 14, voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, dan wel het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 322 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair: Medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft.

Feit 3: Witwassen.

Feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] van € 558,05 terzake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 335,67;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [bedrijf 1] een bedrag van € 558,05 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 3a (envelop met notities, maar zonder het geld), 5 tot en met 10;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 en 11 tot en met 14;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 3.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, en mr. M.S. Koppert en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 april 2011.