Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7938

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
16-601015-10; 09-900678-08 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging ambulancepersoneel en vernieling ambulance.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/601015-10; 09/900678-08 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats],

wonende [adres], [woonplaats],

doch verblijvende [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd voor deze zaak te PI Arnhem-den Berg, Arnhem Noord,

raadsvrouw mr. F.E. van der Zee, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: ambulancepersoneel heeft bedreigd;

feit 2: een ambulance heeft vernield.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Overweging ten aanzien van feit 1.

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op 11 oktober 2010 heeft [slachtoffer 1], ambulanceverpleegkundige, namens Stg. Reg. Ambulance voorziening Pr. aangifte gedaan van bedreiging. [slachtoffer 1] reed die nacht met zijn collega [slachtoffer 2], ambulancechauffeur, per ambulance van het politiebureau te Baarn naar het ziekenhuis met verdachte als patiënt. Verdachte was onder invloed van cocaïne. Op het moment dat [slachtoffer 1] een hartfilmpje bij verdachte wilde maken, zag hij dat verdachte overeind kwam en wilde uithalen met zijn rechterarm waarbij zijn rechterhand gevormd was tot een gebalde vuist. Mede door de kleine ruimte in de ambulance voelde [slachtoffer 1] zich angstig. [slachtoffer 1] riep tegen zijn collega [slachtoffer 2], die de ambulance aan het besturen was dat hij moest remmen. [slachtoffer 2] remde meteen. [slachtoffer 1] zag dat verdachte door het remmen niet meer met zijn rechterarm in zijn richting kon uithalen.

[slachtoffer 1] is vervolgens snel uit de ambulance gestapt en zag dat [slachtoffer 2] hetzelfde had gedaan. [slachtoffer 1] zag dat verdachte die nadien ook was uitgestapt een lifehammer in zijn rechterhand vasthield, waarmee hij stond te zwaaien.

Bovenstaande wordt bevestigd door [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] heeft aanvullend verklaard dat verdachte met de lifehammer in zijn rechterhand zijn arm boven zich hield en op hem af kwam lopen. Kennelijk met de bedoeling om [slachtoffer 2] hiermee te verwonden.

Overweging ten aanzien van feit 2.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op het moment dat hij uit de ambulance was gestapt, zag [slachtoffer 1] verdachte met een helm tegen de zijruiten slaan en vervolgens met de lifehammer alle ruiten gelegen aan de rechterachterzijkant van de ambulance inslaan. Verdachte heeft een uitzuiger, een helmhouder en een helm vernield. Nadat verdachte door de politie is aangehouden heeft [slachtoffer 2] de schade in de ambulance opgenomen en zag hij dat de uitzuiger van de wand was getrokken, de veiligheidshelm met houder en al van de muur was getrokken en dat de zijdeur van het achtercompartiment scheef was. Van de schade aan/in de ambulance zijn foto’s gemaakt en in het dossier gevoegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 11 oktober 2010 te Baarn [slachtoffer 1], ambulanceverpleegkundige, en [slachtoffer 2], ambulancechauffeur, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl hij onder invloed van cocaïne verkeerde, in een rijdende ambulance zijn vuist gebald in de richting van die [slachtoffer 1] en is verdachte vervolgens, nadat de ambulance tot stilstand was gekomen en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en verdachte waren uitgestapt, met opgeheven arm en een zogenaamde lifehammer in zijn hand in de richting van die [slachtoffer 2] gelopen;

2.

op 11 oktober 2010 te Baarn, opzettelijk en wederrechtelijk, meerdere ruiten van een ambulancevoertuig en een uitzuiger en een helmhouder en een helm en een zijdeur van een ambulancevoertuig, toebehorende aan Stg. Reg. Ambulance Voorziening Pr. Utrecht, heeft vernield en beschadigd door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk met een lifehammer voornoemde ruiten in te slaan en door voornoemde uitzuiger en helmhouder van de wand van een ambulancevoertuig te trekken en voornoemde zijdeur te forceren.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: bedreiging met zware mishandeling;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan

2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht met een meldingsgebod, opname in De Ponder te Eindhoven (gemiddelde opname van 12 maanden) of een soortgelijke instelling, meewerken aan de intake en aan urinecontroles.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een (korter) behandeltraject op vrijwillige basis bepleit, inhoudende detoxificatie en aansluitend 7 weken klinische behandeling ten aanzien van het middelengebruik en persoonlijkheidspathologie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd heeft

de rechtbank in het bijzonder het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van ambulancepersoneel, terwijl dit personeel bezig was hem te helpen en daarnaast aan vernieling van de ambulance. Dit zijn ernstige feiten. Doordat de bedreiging zich in de kleine ruimte van de ambulance heeft afgespeeld, is dit zeer beangstigend voor de ambulanceverpleegkundige geweest. De hulpverleners zijn door het gedrag van verdachte in hun persoonlijke integriteit geschaad, hun gevoel voor veiligheid is aangetast en zij zijn belemmerd in hun werkzaamheden. Hulpverleners zouden in de uitoefening van hun werkzaamheden niet bedacht hoeven te zijn op dit soort geweld. Tevens zorgen feiten als onderhavige voor grote opschudding in de samenleving en wordt het gevoel van openbare veiligheid aangetast. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Gelet op de aard en de ernst van deze feiten acht de rechtbank in beginsel dan ook een gevangenisstraf een passende straf.

De rechtbank heeft in het kader van de persoon van verdachte het volgende meegewogen:

- een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten;

- een verdachte betreffend Pro Justitia rapport naar aanleiding van psychologisch onderzoek door drs. P.G.J. Greeven, psycholoog-psychotherapeut, d.d. 8 januari 2011

inhoudende - kort gezegd - dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd vanwege een ziekelijke stoornis in de vorm van cocaïneafhankelijkheid, alsmede dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundige over en maakt deze tot de hare;

- een verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 2 maart 2011, opgemaakt door

L. Hoogland, reclasseringswerker, inhoudende een hulpverleningstraject voor de behandeling van zijn cocaïneverslaving met als strafadvies: een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met verplicht reclasseringscontact, een meldingsgebod, opname in De Ponder te Eindhoven en urinecontroles.

Alles overwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ervoor om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd van

2 jaar met als bijzondere voorwaarden:

1. verdachte dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, inclusief een meldingsgebod;

2. verdachte dient mee te werken aan opname in Centrum forensische behandeling De Ponder te Eindhoven of een soortgelijke instelling voor de duur van 4 maanden;

3. verdachte dient mee te werken aan urinecontroles.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van

2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 20 februari 2009 door de Politierechter te Den Haag, ten uitvoer zal worden gelegd.

De verdediging heeft een verlenging van de proeftijd met 1 jaar bepleit.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten. De rechtbank acht wel verlenging van de proeftijd met 1 jaar op zijn plaats.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b. 14c, 14d, 14f, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: bedreiging met zware mishandeling;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. verdachte moet zich tijdens de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde, met een meldingsgebod. Daartoe moet verdachte zich zo vaak als de reclasseringsinstelling dit wenselijk acht melden bij GGZ Inforsa JVz Amsterdam, Noordse Bosje 43 te Hilversum te beginnen op vrijdag 11 maart 2011 om 09:00 uur;

2. verdachte moet meewerken aan een klinische behandeling bij Centrum forensische behandeling De Ponder te Eindhoven, of een soortgelijke instelling voor de maximale duur van 4 maanden;

3. verdachte moet meewerken aan urinecontroles.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

- verlengt de proeftijd met 1 jaar;

- wijzigt de aan verdachte opgelegde voorwaarden in die zin dat voor deze proeftijd dezelfde voorwaarden gelden als die in de hoofdzaak zijn gesteld;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat de duur van het voorarrest gelijk is aan de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. A. Wassing en

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 maart 2011.