Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7900

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
16/804801-10 en 16/804809-10 (ter terechtzitting gevoegd) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/804801-10 en 16/804809-10 (ter terechtzitting gevoegd) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 09 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats], [land]

zonder vaste woon- of verblijfplaats

raadsman mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 mei 2011, waarbij de officier van justitie zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging met parketnummer 16/804801-10 is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt erop neer dat verdachte zich samen met (een) ander(en) ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel gedurende de periode van 28 juli 2009 tot en met 27 maart 2010 en ten aanzien van [slachtoffer] ook nog gedurende de periode van 29 juni 2010 tot en met 25 augustus 2010.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hij baseert zich daarbij op de bevindingen uit diverse prostitutiecontroles te Den Haag, Eindhoven en Utrecht, op diverse taps van telefoongesprekken, op verklaringen van kamerverhuurders, verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5], de verklaringen van slachtoffer [slachtoffer] en die van verdachte zelf.

Volgens de officier van justitie is in de onderhavige zaak sprake van de wettelijke bestanddelen geweld, dreiging met geweld en dreiging met geweld naar naasten van de slachtoffers. Ook is volgens de officier van justitie sprake van het bestanddeel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Aan de vereisten voor dit bestanddeel is voldaan, indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren, aldus de officier van justitie. Wezenlijk is dat het slachtoffer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken of te blijven. Hiervan is in de visie van de officier van justitie sprake, aangezien de vrouwen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] hun geld afstonden aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], welk geld vervolgens werd overgemaakt naar medeverdachte [medeverdachte]. Ook stonden de vrouwen voortdurend onder controle met walkie-talkies en met telefoons en moesten zij hun verdiensten continu doorgeven. De vrouwen hadden geen eigen onderkomen in Nederland, ze hadden geen eigen beschikking over reispapieren, geen beschikking over geld en geen zeggenschap over werktijden en verdiensten. Ze spraken de Nederlandse taal niet en hadden hier bovendien geen sociale omgeving om op terug te vallen.

Volgens de officier van justitie kunnen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte] alle drie worden aangemerkt als medeplegers. Daarbij is wel sprake van een rolverdeling. Verdachte is de schaduw van zijn broer, medeverdachte [medeverdachte 2]. Hij wist van de hoed en de rand. Hij wist dat sprake was van de omstandigheden geweld, bedreigingen, idioot lange werktijden en een afhankelijke positie. Dit alles weerhield hem er echter niet van geld in ontvangst te nemen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer] en daarvan te leven. Bovendien is het eerste wat hij doet als zijn voorlopige hechtenis wordt opgeheven [slachtoffer] mishandelen en bedreigen. Door de rol die hij speelt blijkt dat hij zich evenmin bekommert om het geestelijke en fysieke welzijn van de vrouwen. Het is ook hem slechts te doen om zijn eigen geldelijk gewin.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich vanwege hem moverende redenen onthouden van het voeren van verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 16/804801-10

Feiten en feitelijkheden

De rechtbank zal allereerst uiteenzetten in hoeverre zij tot een bewezenverklaring komt van de in de tenlastelegging neergelegde feiten en feitelijkheden.

Bij een prostitutiecontrole op 28 juli 2009 in de Geleenstraat te Den Haag is [slachtoffer] voor het eerst in Nederland als prostituee gesignaleerd. Op 24 mei 2009 werd [slachtoffer 2] reeds gesignaleerd bij prostitutiecontroles in de Geleenstraat te Den Haag. Verder zijn [slachtoffer] en [slachtoffer 2] in de periode na de komst van [slachtoffer] in Nederland gesignaleerd bij prostitutiecontroles te Eindhoven en Utrecht . [slachtoffer 2] heeft zelf ook verklaard dat zij als prostituee in Eindhoven en Utrecht heeft gewerkt. Daarnaast heeft zij de plaats Groningen als werkplek genoemd. Getuige [getuige 1] heeft dit bevestigd. Hij heeft verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] samen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer] in Groningen heeft opgehaald, toen zij aldaar op zoek waren naar werk als prostituee. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] verklaard in Den Haag te zijn begonnen met haar werkzaamheden als prostituee in Nederland.

Op 27 maart 2010 is medeverdachte [medeverdachte 2] aangehouden. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn aangehouden op respectievelijk 28 maart 2010 en 09 april 2010 . Naar aanleiding van de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft een doorzoeking plaatsgevonden in verdachtes woning te Zutphen, zijn feitelijke verblijfplaats op dat moment. Daarbij zijn onder meer aangetroffen rekeningen op naam van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] met betrekking tot kamerhuur te Eindhoven en Utrecht .

Aan de hand van het voorgaande stelt de rechtbank de ten laste gelegde periode en de ten laste gelegde plaatsen vast.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feitelijkheden zoals die zijn neergelegd in de tenlastelegging, behalve voor zover ten laste is gelegd dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, het door [slachtoffer 2] en [slachtoffer] in de prostitutie verdiende geld geheel of gedeeltelijk onder zich heeft genomen/gehouden en aldus hiervan voordeel heeft genoten. De rechtbank wijst daartoe op de volgende bewijsmiddelen.

Allereerst heeft de beheerder van het [prostitutiegebied] te [plaats] verklaard dat [slachtoffer] het door haar verdiende geld op de parkeerplaats bij de C-1000 afgeeft aan een man. [slachtoffer] heeft verklaard dat dit kan kloppen. [slachtoffer] heeft aanvankelijk verklaard dat zij hiertoe zelf het initiatief nam, maar later is zij hier ten overstaan van de rechter-commissaris op teruggekomen. Zij heeft daar verklaard dat zij onvrijwillig geld heeft afgestaan. Van het begin af aan, heeft zij alles afgegeven, aldus [slachtoffer].

Dat zowel [slachtoffer] als [slachtoffer 2] het door hun verdiende geld moesten afstaan, vindt bevestiging in de volgende telefoontaps.

In een telefoongesprek dat medeverdachte [medeverdachte 2] en [slachtoffer 2] op 13 maart 2010 voeren zegt medeverdachte [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer 2] dat zij de afgelopen vier dagen maar € 200,- in de plus heeft gestaan . In een ander telefoongesprek op 13 maart 2010 zegt medeverdachte [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer] dat ze moeten blijven werken totdat ze beide daghuren van de ramen hebben verdiend en ieder € 600,-- daar bovenop . In een telefoongesprek op 15 maart 2010 zegt medeverdachte [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer], als [slachtoffer] aangeeft dat ze heel moe is, dat [slachtoffer 2] al 30 uur niet heeft geslapen. Ze moet nog twee à drie klanten afwerken, voordat ze naar huis mag . Later die avond zegt medeverdachte [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer] dat ze haar best moet doen. Als [slachtoffer] wederom zegt dat ze moe is en in slechte stemming, zegt medeverdachte [medeverdachte 2] dat hij ook in slechte stemming is, maar dat zijn stemming gelijk beter zal worden als ze bij het volgende gesprek meldt dat ze € 200,-- heeft verdiend . Op 25 maart 2010 praat medeverdachte [medeverdachte 2] [slachtoffer 2] een schuldgevoel aan dat ze niet hard genoeg werkt. Hij zegt haar dat er niet eens genoeg geld is voor de reparatie van de auto. Hij zal haar aanwijzingen geven hoe ze moet staan en dansen, zodat ze klanten trekt . Ook in een gesprek op 26 maart 2010 geeft [slachtoffer] aan medeverdachte [medeverdachte 2] aan erg moe te zijn. Daarop zegt medeverdachte [medeverdachte 2] wederom dat de meisjes nog wat moeten verdienen, voordat zij worden opgehaald .

Dat het door [slachtoffer] en [slachtoffer 2] verdiende geld mede aan medeverdachte [medeverdachte] toekwam, stelt de rechtbank vast aan de hand van geldstromen die bij de Western Union zijn waargenomen. Te zien is dat veelvuldig geld is overgemaakt door [slachtoffer 2] aan medeverdachte [medeverdachte].

[slachtoffer 2] heeft ontkend dat zij haar geld af moest staan. De rechtbank acht dit echter niet geloofwaardig gelet op hetgeen in hiervoor vermelde tapgesprekken naar voren is gekomen. Bovendien wordt door getuige [getuige 6] bevestigd dat ook door [slachtoffer 2] onvrijwillig geld is afgestaan aan medeverdachte [medeverdachte 2]. Zij heeft verklaard dat zij de indruk had dat medeverdachte [medeverdachte 2] vooral voor het geld een relatie had met [slachtoffer 2]. Ook heeft zij verklaard dat zijzelf geld, verdiend met haar prostitutiewerkzaamheden, moest afstaan aan medeverdachte [medeverdachte 2], op het moment dat zij alleen was met hem, [slachtoffer 2] en [slachtoffer]. Dit bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat dit onder genoemde personen een gebruikelijke gang van zaken was. Getuige [getuige 3] heeft ook verklaard dat zij twee meisjes kent die werken voor een pooier, dat deze meisjes geen keuze hebben en dat die pooier het geld blijft opeisen van de meisjes. De rechtbank overweegt dat zij het gelet op de context van deze verklaring, waarin door getuige [getuige 3] veelvuldig de namen van medeverdachte [medeverdachte 2] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer] worden genoemd, aannemelijk acht dat getuige [getuige 3] hier doelt op [slachtoffer 2] en [slachtoffer]. Voorts acht de rechtbank het in dit verband opvallend dat medeverdachte [medeverdachte 2] geen duidelijkheid heeft gegeven over de inkomsten waarvan hij in Nederland heeft geleefd. Hij heeft weliswaar verklaard dat hij in een Turks restaurant in Den Haag heeft gewerkt, doch de rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende aannemelijk is geworden. Zulks geldt te meer, daar getuige [getuige 6] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] nooit echt heeft gewerkt. Zij heeft verklaard dat zij wel eens met hem is meegegaan naar het restaurant om valse papieren te halen waarop zou staan welke belasting door hem betaald moest worden. Hij had deze papieren nodig voor het geval dat hij zou worden aangehouden, aldus getuige [getuige 6]. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar, aangezien getuige [getuige 6] voor het overige ook steeds consequent en gedetailleerd heeft verklaard.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet wie voor het verblijf van hem en dat van zijn broer, medeverdachte [medeverdachte 2], in Nederland betaalde. Dit duidt er ook op dat verdachte, de eigen broer van medeverdachte [medeverdachte 2], niet op de hoogte was van enig inkomen dat zijn broer zelf zou hebben gegenereerd. Voorts duidt dit erop dat verdachte zelf ook profiteerde van de inkomsten van de beide vrouwen. Dat het geld van [slachtoffer 2] en [slachtoffer] naar verdachte en zijn medeverdachten ging, kan ten slotte worden vastgesteld aan de hand van geldstromen die bij de Western Union zijn waargenomen. Onder meer zijn veel overboekingen te zien van medeverdachte [medeverdachte 2] enerzijds en [slachtoffer 2] anderzijds naar [getuige 4], de moeder van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2].

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat verdachte’s medeverdachten het door [slachtoffer 2] en [slachtoffer] verdiende geld geheel of gedeeltelijk hebben afgenomen en dat verdachte en zijn medeverdachten dat geld geheel of gedeeltelijk onder zich heeft/hebben gehouden, in geval van verdachte door ervan te leven en zijn verblijf in Nederland ervan te (laten) betalen.

Het juridisch kader van artikel 273f Wetboek van Strafrecht

De rechtbank is van oordeel dat verdachte’s medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte] de vrouwen [slachtoffer 2] en [slachtoffer] (tegen hun zin) in een situatie hebben gebracht van uitbuiting. Indien [slachtoffer 2] en [slachtoffer] weerstand hadden kunnen bieden aan deze medeverdachten, zouden zij niet in een dergelijke situatie terecht zijn gekomen. De medeverdachten hebben een sfeer gecreëerd, waarin [slachtoffer] en [slachtoffer 2] niet de vrijheid hadden hun prostitutiewerkzaamheden te verrichten onder de omstandigheden die passen bij een hedendaagse mondige prostituee in Nederland. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte’s medeverdachten [slachtoffer 2] en [slachtoffer] in een afhankelijke situatie hebben gebracht door hen te dwingen hun inkomsten af te staan. Hierdoor hadden zij zelf immers geen financiële middelen meer ter beschikking om van te leven. De rechtbank kwalificeert deze situatie als een situatie van uitbuiting, zowel ten aanzien van [slachtoffer 2] als ten aanzien van [slachtoffer].

Medeplegen

Verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte] hebben bij het voorgaande alle drie een andere rol vervuld. Verdachte heeft weinig actieve handelingen verricht ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer]. Omdat hij in één hotel dan wel huis woonde met medeverdachte [medeverdachte 2] en de vrouwen [slachtoffer 2] en [slachtoffer], moet hij echter hebben geweten waarmee [slachtoffer 2] en [slachtoffer] inkomsten genereerden. De telefoongesprekken die in dat verband tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer] en de medeverdachten enerzijds en tussen medeverdachten onderling anderzijds werden gevoerd en het geweld en de dreigementen die jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer] werden uitgeoefend, kunnen hem bovendien niet ontgaan zijn. Hij moet dan ook op de hoogte zijn geweest van de omstandigheden waaronder de vrouwen hun werkzaamheden verrichtten, alsmede van het feit dat zij (onder dwang) werden uitgebuit. Desondanks heeft hij geleefd van de inkomsten van de vrouwen. Dat hij in het kader van de uitbuiting van de vrouwen weinig actieve handelingen heeft verricht, doch ‘slechts’ heeft meegeprofiteerd van de inkomsten onder die omstandigheden, maakt niet dat hem daarvan geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Gelet op deze rol merkt de rechtbank verdachte aan als medepleger voor zover de tenlastelegging inhoudt het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander, zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid ahf en onder sub 6 van het Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot de overige ten laste gelegde varianten van het misdrijf mensenhandel stelt de rechtbank vast dat er ten aanzien van verdachte sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het (mede)plegen daarvan, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het (mede)plegen van deze andere varianten van mensenhandel.

Conclusie

Gelet op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna onder bewezenverklaring vermeld.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 16/804809-10

De rechtbank heeft in het kader van het feit op de dagvaarding met parketnummer 16/804801-10 overwogen en vastgesteld dat de periode waarin de uitbuitingssituatie van de vrouwen [slachtoffer 2] en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden heeft geduurd tot 27 maart 2010, het moment van de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 2]. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn aangehouden op 28 maart 2010 respectievelijk 09 april 2010. Niet duidelijk is geworden of de uitbuitingssituatie, zoals die in eerste instantie door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte] is gecreëerd en waarvan verdachte heeft meegeprofiteerd, nadien nog heeft voortgeduurd. In ieder geval kan aan de hand van de aanwezige bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachte in de periode na zijn vrijlating uit voorlopige hechtenis op 28 juni 2010 actieve handelingen heeft verricht die ertoe hebben geleid dat [slachtoffer] onder onvrijwillige omstandigheden prostitutiewerk heeft verricht. [slachtoffer] heeft aanvankelijk wel belastend verklaard over verdachte ten aanzien van deze periode, doch recentelijk is zij hier ten overstaan van de rechter-commissaris op teruggekomen. Zij heeft verklaard dat haar belastende verklaring door boosheid was ingegeven. Het andere belastende bewijsmateriaal ten aanzien van deze periode was indirect ook van [slachtoffer] afkomstig, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte in de periode vanaf 28 juni 2010 heeft geprofiteerd van inkomsten die zijn verkregen uit een situatie van uitbuiting, zodat de rechtbank verdachte van het (mede)plegen van deze variant van mensenhandel in de betreffende deze periode zal vrijspreken. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat voor de overige onder dit parketnummer ten laste gelegde varianten van (het medeplegen van) mensenhandel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, zodat verdachte ook van het (mede)plegen van die andere varianten van mensenhandel dient te worden vrijgesproken. Een en ander betekent dat verdachte integraal wordt vrijgesproken van het onder parketnummer 16/804809-10 ten laste gelegde.

4.4 De bewezenverklaring

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/804801-10

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 28 juli 2009 tot en met 27 maart 2010 in de gemeente Utrecht en/of Groningen en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen,

- telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer],

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- het door die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer] met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk onder zich gehouden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Omtrent verdachte is zowel een psychologisch als een psychiatrisch rapport opgemaakt. In de rapporten zijn de deskundigen tot de conclusie gekomen dat geen aanwijzingen bestaan voor een ziekelijke stoornis, dan wel van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ook is geen ernstige psychiatrische stoornis aan het licht gekomen. Gelet hierop is het bewezen verklaarde feit geheel aan verdachte toe te rekenen. Nu ook niet is gebleken van een andere omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar voor zijn gedragingen.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich vanwege hem moverende redenen onthouden van het naar voren brengen van een standpunt met betrekking tot de straftoemeting.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Mensenhandel is een zeer vergaande manier van uitbuiting waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen geheel ondergeschikt wordt gemaakt aan geldelijk gewin. Naar het oordeel van de rechtbank verdient de pooierpraktijk die bekend staat als mensenhandel een forse bestraffing, gelet op de inbreuk die daarbij wordt gemaakt op fundamentele rechten als de menselijke waardigheid en de persoonlijke vrijheid.

Kwalijk is in dit geval dat de vrouwen onder niet vrijwillig gekozen omstandigheden hun werkzaamheden moesten verrichten. Zij werden in aanzienlijke mate in hun bewegingsvrijheid beperkt doordat zij continu werden gecontroleerd en zij vaak vele uren achterelkaar door moesten werken. Zij mochten pas stoppen indien zij voldoende inkomsten hadden gegenereerd. Tekenen van ernstige vermoeidheid en honger werden door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte] totaal genegeerd.

Verdachte zag dit allemaal aan, liet dit toe en hoewel hij niet zelf actief bijdroeg aan het creëren en in stand houden van de aldus ontstane uitbuitingssituatie, profiteerde hij mee van de inkomsten die de vrouwen op deze manier binnen haalden. Niet gebleken is dat verdachte enige inspanning heeft verricht om gedurende zijn verblijf in Nederland zelf inkomsten te genereren. Op deze wijze leven van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer] kwam hem duidelijk beter uit. Dat door deze omstandigheden evenwel een zeer grote inbreuk is gepleegd op de integriteit van voornoemde vrouwen, lijkt voor verdachte nauwelijks een rol te hebben gespeeld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat zijn rol, zeker in verhouding tot die van zijn medeverdachten, beperkt was en hij zelf niet actief heeft bijgedragen aan het creëren en in stand houden van de uitbuitingssituatie waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer] verkeerden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 08 april 2011, waarin geen eerdere contacten met politie en justitie in Nederland staan vermeld. De rechtbank rekent dit eveneens mee in het voordeel van verdachte, waarbij opgemerkt moet worden dat verdachte maar korte tijd in Nederland is verbleven.

Ten opzichte van de eis van de officier van justitie houdt de rechtbank ten slotte rekening met het feit dat zij tot een andere bewezenverklaring komt. Niet alleen van een groot deel van de feitelijkheden van het feit op de dagvaarding met parketnummer 16/804801-10, maar ook van het gehele feit op de dagvaarding met parketnummer 16/804809-10, heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat met een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, kan worden volstaan.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de op de dagvaarding met parketnummer 16/804801-10 ten laste gelegde varianten van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, aanhef en sub 1, 3, 4 en 9;

- spreekt verdachte vrij van het op de dagvaarding met parketnummer 16/804809-10 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 207 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mrs. A.G. van Doorn en M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 09 juni 2011.