Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7879

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
16.711546-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting/diefstal/gegevens computer veranderen dan wel ontoegankelijk maken. Complottheorie niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.711546-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1984] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 maart 2009 tot en met 19 juli 2009 te Utrecht de Belastingdienst heeft opgelicht voor een bedrag van € 240.000,-;

feit 2: in voornoemde periode te Utrecht primair DigiD-codes en wachtwoorden van cliënten van bemiddelingsbureau [bemiddelingsbureau] en € 240.000,- van [slachtoffer] en/of zijn bemiddelingsbureau [bemiddelingsbureau], in dienstbetrekking, heeft verduisterd, subsidiair heeft gestolen;

feit 3: in voornoemde periode te Utrecht computergegevens heeft veranderd, gewist, onbruikbaar gemaakt dan wel ontoegankelijk heeft gemaakt voor [slachtoffer] en/of cliënten van zijn bemiddelingsbureau [bemiddelingsbureau];

feit 4: op 27 oktober 2009 te Utrecht [slachtoffer] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 baseert de officier van justitie zich daarbij op de aangifte, de getuigenverklaringen en het onderzoek van de Belastingdienst. Verdachte was, naast de eigenaren van [bemiddelingsbureau], de enige die de beschikking had over de gegevens van cliënten van [bemiddelingsbureau], waaronder de DigiD-codes en wachtwoorden. De wijzigingen zijn voornamelijk doorgevoerd vanaf het IP-adres dat is afgegeven aan het toenmalige woonadres van verdachte en de bedragen zijn na de wijzigingen telkens gestort op de bankrekening van verdachte dan wel op de bankrekening van de haar bekende [naam]. Ten aanzien van feit 2 merkt de officier van justitie voorts op dat verdachte ten tijde van het plegen van dit ten laste gelegde feit niet meer werkzaam was bij [bemiddelingsbureau], waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Wel kan worden bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat verdachte alleen geld heeft weggenomen. Het is feitelijk niet mogelijk om DigiD-codes en wachtwoorden te stelen. De rechthebbenden hebben weliswaar tijdelijk geen beschikkingsmacht meer over hun account gehad, maar de Belastingdienst kan nieuwe DigiD-codes en wachtwoorden verstrekken.

Ten aanzien van feit 4 baseert de officier van justitie zich op de aangifte en op de verklaring van getuige [slachtoffer].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken. De verdediging voert daartoe het volgende aan.

Uit het strafrechtelijk onderzoek volgt niet zonder meer dat het verdachte was die de voornoemde feiten heeft gepleegd. Uit het dossier komen tevens naar voren [A] en [naam]. Er zijn aanwijzingen dat zij een aandeel hebben gehad in de ten laste gelegde feiten. De vraag is hoe groot hun aandeel was en of er dan nog wel sprake is van strafbare betrokkenheid van verdachte. Dit alles is echter niet onderzocht. De beveiliging bij [bemiddelingsbureau] was niet zodanig dat het voor anderen onmogelijk was toegang te krijgen tot de gegevens van cliënten van [bemiddelingsbureau]. Dat het IP-adres vanwaar de wijzigingen via de computer zijn doorgevoerd is afgegeven op het toenmalige woonadres van verdachte wil niet zeggen dat het ook verdachte was die de wijzigingen heeft doorgevoerd. Verdachte heeft immers verklaard dat zij een draadloze internetverbinding had. Bovendien heeft [A] ook gebruik gemaakt van de computer van verdachte. Daarbij komt dat het grootste deel van het geld is overgemaakt naar de rekening van [naam].

De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 4 ten laste gelegde feit en verzoekt de rechtbank verdachte ook van dat feit vrij te spreken. De aangifte van [slachtoffer] wordt enkel ondersteund door de verklaring van een familielid. Er was sprake van een conflictueuze situatie tussen verdachte en [slachtoffer] en de getuige was daarvan op de hoogte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak

Ten aanzien van feit 2, primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Uit de bewijsmiddelen die hierna worden beschreven blijkt dat het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden nadat verdachte was ontslagen bij [bemiddelingsbureau]. Gelet hierop is er geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde handelingen het geld, de DigiD-codes en de wachtwoorden van cliënten als medewerker van het bemiddelingsbureau, in ieder geval anders dan door misdrijf onder zich had.

4.3.2 Vaststelling van de feiten

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 subsidiair en 3

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij eigenaar is van [bemiddelingsbureau] te Utrecht, een bemiddelingsbureau voor kinderopvang. Verdachte was bij hem in dienst. Het bedrijf verzorgt naast kinderopvang ook de kinderopvangtoeslag voor een deel van hun cliënten. [bemiddelingsbureau] is daarvoor in het bezit van DigiD-codes en wachtwoorden van cliënten. De Belastingdienst maakt voor een aantal cliënten de kinderopvangtoeslagen over aan [bemiddelingsbureau]. Na aftrek van de bemiddelingskosten worden de toegekende bedragen vervolgens overgemaakt naar deze cliënten. [bemiddelingsbureau] heeft op enig moment een nieuwe bankrekening geopend met nummer [rekeningnummer], om daarop de toeslagen van de Belastingdienst te ontvangen. Verdachte was ermee belast dit nieuwe bankrekeningnummer met betrekking tot de kinderopvangtoeslagen van de cliënten van [bemiddelingsbureau] aan de Belastingdienst door te geven. Zij had daarvoor de toegang tot de DigiD-codes en wachtwoorden van cliënten.

Begin juli 2009 is verdachte ontslagen. Op 17 juli 2009 meldde een cliënt aan aangever dat zijn gegevens bij de Belastingsdienst waren veranderd. Aangever is vervolgens op zijn computer de gegevens gaan raadplegen. Hij zag daarop dat hij niet meer kon inloggen met de DigiD-codes en wachtwoorden die hij tot zijn beschikking had. De wachtwoorden van alle cliënten die hun kinderopvangtoeslag via [bemiddelingsbureau] lieten regelen, waren niet meer bruikbaar.

Uit contact met de Belastingdienst bleek dat van een groot aantal cliënten gegevens waren gewijzigd. Deze wijzigingen bleken via DigiD te zijn ingevoerd. Het aantal uren dat gebruik werd gemaakt van kinderopvang was verhoogd, inkomens waren verlaagd en de ingangsdatum van de kinderopvangtoeslag was vervroegd. Hierdoor werden de bedragen aan kinderopvangtoeslag hoger. Voorts bleek dat het rekeningnummer waarnaar de toeslagen moesten worden overgemaakt, voor een groot aantal cliënten was gewijzigd naar [rekeningnummer] en voor enkele cliënten naar [rekeningnummer]. Voornoemde gegevens waren alleen gewijzigd bij cliënten die de betaling van de kinderopvangtoeslag lieten lopen via het rekeningnummer van [bemiddelingsbureau].

Aangever heeft voorts verklaard dat op de computers (die via een gezamenlijke server lopen) van [bemiddelingsbureau] een bestand staat waarin de gegevens van cliënten, waaronder de DigiD-codes en wachtwoorden, zijn opgeslagen. Alleen aangever, zijn vrouw en verdachte hadden inloggegevens voor de computers van [bemiddelingsbureau]. Verdachte werkte heel zelfstandig en was de enige die een totaaloverzicht had van alle cliënten. In het cliëntenbestand stonden namelijk ook nog oude cliënten opgeslagen. Zij, verdachte, wist bijvoorbeeld precies wie van de cliënten de betaling van de kinderopvangtoeslag via [bemiddelingsbureau] liet lopen.

Getuige [getuige], echtgenote van aangever en eveneens werkzaam voor [bemiddelingsbureau], bevestigt de verklaring van aangever.

De Belastingdienst heeft onderzoek gedaan naar de wijzigingen van de klanten van [bemiddelingsbureau]. Op 8, 9, 17 en 18 juli 2009 zijn een groot aantal wijzigingen doorgevoerd.

Bij deze wijzigingen was 127 ingelogd via IP-nummer [IP-nummer]. Enkele keren is ingelogd van een ander IP-nummer. Het IP-nummer [IP-nummer] is afgegeven op [woonplaats], [adres], destijds het woonadres van verdachte.

De Rabobank heeft gegevens verstrekt ten aanzien van de bankrekeningnummers die bij de wijzigingen zijn ingevoerd. De bankrekening met nummer [rekeningnummer] staat op naam van verdachte. De bankrekening met nummer [rekeningnummer] staat op naam van [naam]. Op voornoemde rekeningen is respectievelijk € 15.518,- en € 304.021,- aan kinderopvangtoeslag overgemaakt door de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft een deel van deze bedragen overgemaakt op 20 juli 2009.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de persoon genaamd [naam]. [naam] werkt bij [bedrijf]. [B] en [A] zijn eigenaren van voornoemd bedrijf. [A] is daarnaast de vriend van verdachte. Op het adres waar [bedrijf] is gevestigd, is tevens [gastouderbureau] gevestigd. Deze laatste onderneming staat op naam van verdachte. Het pand waarin beide bedrijven worden gedreven is relatief klein zodat het onwaarschijnlijk is dat de eigenaren en werknemers van de daarin gevestigde bedrijven elkaar niet zouden tegenkomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat [naam] en verdachte elkaar (al dan niet direct) kennen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De verdediging heeft aangevoerd dat, doordat er onvoldoende onderzoek is gedaan, niet kan worden uitgesloten dat [A] en [naam] de ten laste gelegde feiten hebben (mede) gepleegd, waardoor ten aanzien van verdachte wellicht geen sprake is van strafrechtelijke betrokkenheid.

De rechtbank is met de verdediging van mening dat meer onderzoek naar de betrokkenheid van [A] en [naam] wenselijk was geweest. Niet is uit te sluiten dat zij een aandeel hebben gehad bij de ten laste gelegde feiten. Dit laat echter onverlet dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten eerste was verdachte naast de twee eigenaren van [bemiddelingsbureau] de enige die toegang had tot de gegevens van cliënten die nodig waren om de wijzigingen door te voeren. Dat ook anderen daar de toegang toe hadden acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van de getuigen bij de rechter-commissaris over computergebruik bij [bemiddelingsbureau]. Evenmin is aannemelijk dat de gegevens -ongezien- zijn gehaald uit de ordner waar zij ook in bewaard werden. Daarbij komt dat voor het plegen van voornoemde feiten specifieke kennis nodig is met betrekking tot bepaalde informatie, zoals de te wijzigen gegevens om in aanmerking te komen voor meer kinderopvangtoeslag en de namen en gegevens van cliënten die de kinderopvangtoeslag via de bankrekening van [bemiddelingsbureau] lieten betalen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een ander dan verdachte deze kennis bezat.

Ten tweede zijn de meeste wijzigingen doorgevoerd via het IP-adres dat was afgegeven op het toenmalige adres van verdachte. De suggestie dat anderen van haar aansluiting gebruik hebben gemaakt is, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk. Daarbij is nog van belang dat verdachte bij de politie suggereert dat [slachtoffer] in de omgeving van haar huis stond om haar netwerk te gebruiken, maar thans verklaart dat het haar vriend was die haar computer gebruikte. Nog minder aannemelijk is dat een ander kon beschikken over zowel de DigiD codes en wachtwoorden én over verdachtes IP-adres.

Ten derde is de rekening waarop door de Belastingdienst het geld werd gestort deels gewijzigd naar een rekeningnummer op naam van verdachte en deels naar een rekeningnummer op naam van een bekende van verdachte.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, de bewijsmiddelen in onderling verband en nauwe samenhang bezien, het niet anders kan dan dat het in ieder geval verdachte was die de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en dat, indien zij dit samen met anderen heeft gedaan, haar aandeel groot moet zijn geweest.

Aanvullend ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen het ten laste gelegde “er (door middel van het overzetten van computergegevens op haar laptop(s)) voor gezorgd dat de DigiD-codes en de wachtwoorden van die cliënten niet meer toegankelijk waren voor voornoemde [slachtoffer] en/of één of meer medewerker(s) van voornoemd bedrijf,”. De rechtbank overweegt hiertoe dat deze gedraging feitelijk niet kan hebben bijgedragen aan de ten laste gelegde oplichting.

Aanvullend ten aanzien van feit 2, subsidiair

Periode

De rechtbank overweegt ten aanzien van de ten laste gelegde periode het volgende. De betalingen zijn door de Belastingdienst gedaan op 20 juli en 20 augustus 2009. Voor zover de betalingen zijn gedaan op 20 augustus 2009, vallen deze naar het oordeel van de rechtbank niet binnen de ten laste gelegde periode.

Diefstal?

Voor diefstal is wezenlijk dat het goed wordt gebracht buiten de beschikkingsmacht van de rechthebbende. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte DigiD-codes en wachtwoorden van cliënten van [bemiddelingsbureau] heeft gestolen. De rechtbank overweegt daartoe dat cliënten toegang hebben tot hun DigiD met een code in combinatie met een persoonlijk wachtwoord. Verdachte heeft deze wachtwoorden veranderd, waardoor de cliënten van [bemiddelingsbureau] geen toegang meer hadden. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat op verzoek een nieuw wachtwoord verstrekt wordt, wanneer personen niet meer kunnen inloggen in hun eigen DigiD. De DigiD-code raakt aldus niet uit de beschikkingsmacht van de rechthebbende en het wachtwoord wordt veranderd, niet weggenomen.

Aanvullend ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen het ten laste gelegde“- de inkomensgegevens van die cliënt(en) verlaagd (waardoor die cliënt(en) méér kinderopvangtoeslag zouden krijgen) en/of (vervolgens) het rekeningnummer waarnaar de kinderopvangtoeslag zou worden overgemaakt, gewijzigd (te weten in het rekeningnummer [rekeningnummer]0 en/of rekeningnummer [rekeningnummer]) en/of”. De rechtbank overweegt hiertoe dat deze gedraging feitelijk niet kan hebben bijgedragen aan de ten laste gelegde aantasting van computergegevens.

Ten aanzien van feit 4

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 27 oktober 2009 toen hij in Utrecht reed, werd gebeld door een vrouw. Hij hoorde dat ze tegen hem zei: ‘wacht maar, je bent ten dode opgeschreven, je gaat eraan’. Aangever herkende de stem als die van verdachte. Hij hoorde haar vervolgens zeggen: ‘Karim maakt jou dood, ik heb een geldsom op jouw hoofd gezet, mijn vader heeft al een huurmoordenaar betaald in Marokko en zodra jij één voet daar zet ga je eraan, ik zou als ik jou was elke dag achterom kijken, je hebt niet lang meer te leven’. Aangever voelde zich hierdoor bedreigd.

Getuige [slachtoffer] hoorde eveneens de stem van een vrouw die hij herkende als verdachte (de telefoon stond op de speaker). Hij hoorde haar onder andere zeggen: ‘wacht maar tot je in Marokko komt, mijn vader gaat veel geld geven aan iemand die je dood gaat maken’.

De verdediging heeft vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en voornoemde getuige. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en aangever een conflict hadden en dat de getuige daarvan op de hoogte was. De rechtbank ziet echter onvoldoende reden om aan de verklaringen van aangever en voornoemde getuige te twijfelen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 juli 2009 tot en met 19 juli 2009 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen, de Belastingdienst telkens heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte en/of haar mededader(s) telkens met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- telkens opzettelijk valselijk en listiglijk met behulp van DigiD-codes en wachtwoorden van cliënten van bemiddelingsbureau [bemiddelingsbureau]

- de inkomensgegevens van die cliënten verlaagd (waardoor die cliënten méér kinderopvangtoeslag zouden krijgen) en/of het rekeningnummer waarnaar de kinderopvangtoeslag zou worden overgemaakt gewijzigd (te weten in het rekeningnummer [rekeningnummer]0 en/of rekeningnummer [rekeningnummer])

waardoor de Belastingdienst werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

subsidiair

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 19 juli 2009 in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of (cliënten van) bemiddelingsbureau [bemiddelingsbureau];

3.

op tijdstippen in de periode van 1 juli 2009 tot en met 19 juli 2009 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk gegevens, te weten DigiD-codes en wachtwoorden van cliënten van het bemiddelingsbedrijf [bemiddelingsbureau], in een geautomatiseerd werk (te weten in één of meer computer(s) en/of in een netwerk van computers), heeft veranderd en ontoegankelijk gemaakt, immers heeft verdachte opzettelijk en wederrechtelijk met behulp van DigiD-codes en wachtwoorden van cliënten van voornoemd bemiddelingsbureau [bemiddelingsbureau]

- ervoor gezorgd dat de DigiD-codes en de wachtwoorden van die cliënten niet meer toegankelijk waren voor [slachtoffer] en/of een of meer medewerker(s) van voornoemd bedrijf;

4.

op 27 oktober 2009 in Nederland, [slachtoffer] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “wacht maar, je gaat eraan, je bent ten dode opgeschreven” en “mijn vader heeft al een huurmoordenaar betaald in Marokko en zodra je daar een voet zet ga je eraan” en “ik heb een geldsom op je hoofd gezet” en “ik zou als ik jou was elke dag achterom kijken, je hebt niet lang meer te leven”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: (medeplegen van) oplichting, meermalen gepleegd.

Feit 2, subsidiair: diefstal.

Feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen veranderen en ontoegankelijk maken.

Feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op slinkse wijze misbruik gemaakt van gegevens die zij ter beschikking had via haar voormalige werkgever [bemiddelingsbureau], een bedrijf dat bemiddelt bij kinderopvang en hulp biedt bij het krijgen van kinderopvangtoeslag. Zij logde met de DigiD-codes en wachtenwoorden van cliënten van [bemiddelingsbureau] in op de website van de Belastingdienst en heeft vervolgens gegevens van die cliënten dusdanig gewijzigd dat de kinderopvangtoeslag waar die cliënten recht op hadden werd verhoogd en werd gestort op de rekening van verdachte en de haar bekende [naam]. Mede gezien het feit dat een groot deel van de geldbedragen werd gestort op de rekening van [naam], acht de rechtbank zeer aannemelijk dat verdachte hulp kreeg van anderen. Zij heeft echter zelf het hele delict voltooid. De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten dermate ernstig dat dit een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Verdachte heeft door zo te handelen zowel haar ex-werkgever als diens cliënten gedupeerd. Door aldus te handelen heeft verdachte bovendien bewust misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Verdachte heeft echter enkel oog gehad voor haar financieel gewin.

De officier van justitie heeft er voor gekozen om het hiervoor omschreven samenstel van feitelijkheden in drie aparte feiten ten laste te leggen. Hoewel de rechtbank drie feiten bewezen verklaart, werkt dit in de gegeven omstandigheden niet strafverhogend. De straf die de rechtbank voor deze drie feiten oplegt, is gelijk aan de straf die zou zijn opgelegd indien verdachte enkel voor een van de drie feiten zou zijn vervolgd.

Verdachte heeft voorts de haar bekende [slachtoffer], eigenaar van [bemiddelingsbureau], bedreigd met de dood. Uit de aard van de bedreigingen en hetgeen verdachte blijkens de aangifte nog meer heeft gezegd leidt de rechtbank af dat zij de bedreigingen heeft geuit naar aanleiding van het feit dat [slachtoffer] aangifte tegen haar heeft gedaan van het hiervoor beschreven feit. De rechtbank acht dit zeer ernstig. Verdachte heeft [slachtoffer] hiermee angst aangejaagd. Voorts zorgen bedreigingen in het algemeen gedurende een langere periode voor een groot gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 3 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen en dat daarbij telkens de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen nu verdachte naar de mening van de verdediging dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij [bemiddelingsbureau], ten aanzien van de extra gewerkte uren, verloren klanten en overige kosten, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vordering is ten aanzien van die posten onvoldoende onderbouwd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[bemiddelingsbureau]

De benadeelde partij [bemiddelingsbureau] vordert een schadevergoeding van € 125.170,25 voor de feiten 1, 2 en 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 951,17 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit -ter zake van materiële schade- en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Voornoemd deel van de vordering is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en bovendien door de verdediging bestreden. Aanhouding van de behandeling van de zaak louter vanwege behandeling van deze vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 458,61 voor feit 4.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 8,61 ter zake van materiële schade en € 450,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen ter beschikking worden gesteld aan de Belastingdienst, zodat de Belastingdienst ervoor kan zorg dragen dat aan de rechthebbenden de hun toekomende bedragen worden betaald.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich niet tegen het ter beschikking stellen van de in beslag genomen geldbedragen aan de Belastingdienst.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Onder verdachte is beslag gelegd op de rekeningnummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] van de Rabobank, respectievelijk ten name van [verdachte] en [naam] en ter waarde van € 16.437,12 en € 295.899,92.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen geldbedragen aan de Belastingdienst, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt van delen van de geldbedragen die teveel zijn uitgekeerd en deze voorts de aangewezen persoon is om aan (de cliënten van) [bemiddelingsbureau] dat deel aan kinderopvangtoeslag uit te keren waar zij recht op hebben.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 57, 285, 326, 310, 311 en 350a van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: (medeplegen van) oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2, subsidiair: diefstal;

feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen veranderen en ontoegankelijk maken;

feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bemiddelingsbureau] van € 951,17, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 458,61, waarvan € 8,61 ter zake van materiële schade en € 450,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen [bemiddelingsbureau] en [slachtoffer] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [bemiddelingsbureau] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bemiddelingsbureau], € 951, 17 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 19 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 458,61 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan de Belastingdienst van de hierna genoemde in beslag genomen goederen:

*het tegoed op rekeningnummer [rekeningnummer] van de Rabobank ten name van [verdachte] ter waarde van € 16.437,12;

*het tegoed op rekeningnummer [rekeningnummer] van de Rabobank ter name van [naam] ter waarde van € 295.899,92.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. I. Bruna en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juli 2011.

Mr. I. Bruna is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.