Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7873

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
16/710740-11 en 16/443315-09 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van diefstal met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/710740-11 en 16/443315-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1984] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, Nieuwegein

raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging, zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: een overval heeft gepleegd op een bakkerij in Utrecht en daarbij heeft gedreigd met een mes;

feit 2: een aantal goederen heeft geheeld.

3 De voorvragen

Namens verdachte is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de rechtbank niet beschikt over het originele procesdossier.

Dit verweer wordt verworpen. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

Ter terechtzitting heeft de raadsman aan de rechtbank een proces-verbaal getoond met daarin opgenomen originele foto’s. De rechtbank heeft ter terechtzitting vastgesteld dat zij niet beschikt over het originele dossier, maar dat zij beschikt over een kleurenkopie conform het originele dossier. Deze omissie is in strijd met de normale gang van zaken, maar dient naar het oordeel van de rechtbank niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is in casu geen sprake. Het Openbaar Ministerie heeft derhalve geen tekort gedaan aan het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

De rechtbank acht de officier van justitie derhalve ontvankelijk in de vervolging.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met geweld en afpersing. De officier acht de onder 2 ten laste gelegde heling niet wettig en overtuigend bewezen en vordert de verdachte daarvan vrij te spreken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat de rechtbank ter zake van beide ten laste gelegde feiten niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld en/of afpersing niet wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier blijkt dat verdachte meermalen is herkend op camerabeelden die korte tijd voor de overval zijn gemaakt bij hotel [hotel]. De rechtbank overweegt dat - wat er ook zij van de herkenning van verdachte op deze beelden - in het dossier geen bewijs voorhanden is waaruit naar voren komt dat een directe relatie bestaat tussen de persoon afgebeeld op deze beelden en degene die de bakkerij heeft overvallen. De 70 tot 90 procent herkenning door de bakkerijmedewerkster van de persoon op deze beelden als de overvaller en de herkenning van de door de overvaller gebruikte fiets zijn daartoe onvoldoende redengevend.

Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Feit 2

De rechtbank acht de onder 2 ten laste gelegde heling niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft mondeling een schadevergoeding van € 1.700,-- gevorderd voor feit 1.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf, te weten een geldboete van € 250,--, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 15 maart 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

Nu verdachte wordt vrijgesproken, dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

7 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mrs. G. Perrick en A. Wassing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verspaget-Kruyt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2011.