Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7857

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
16/601333-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld ter zake van het teweegbrengen van een ontploffing door middel van het in de brievenbus van een woning stoppen en aansteken van illegaal vuurwerk tot een werkstraf van 120 uur en ene voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601333-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats]

verblijvende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman: mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander (aangestoken) vuurwerk door de brievenbus van een woning heeft gegooid, waardoor personen en/of goederen in gevaar zijn gebracht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader een ontploffing teweeg heeft gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte samen met zijn mededader het plan heeft bedacht om vuurwerk bij de woning aan [adres] naar binnen te gooien en dat zij dit plan samen hebben uitgevoerd terwijl de bewoners thuis waren, hetgeen verdachte moet hebben geweten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de ten laste gelegde gevolgen en heeft daarbij verwezen naar het psychologisch rapport waaruit volgt dat verdachte zich onvoldoende bewust lijkt te zijn geweest van de mogelijke impact van het vuurwerk. Derhalve dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vaststaande feiten

Op 23 december 2010 liepen verdachte, [A], [B], [C] en [D] naar [adres] te Amersfoort. Daar rond 19.00 uur aangekomen liepen verdachte en [A] in de richting van de woning aan [adres]. De andere drie jongens liepen de andere kant op. [A] had illegaal vuurwerk, te weten een Cobra 6, bij zich. Dit vuurwerk is in de brievenbus van de voornoemde woning gestopt en is aangestoken. Het vuurwerk is in de woning tot ontploffing gekomen.

Als gevolg van de ontploffing is het hout om de brievenbus weggeslagen, is de dubbel glazen ruit van de voordeur gesprongen en is de daarachter hangende houten luxaflex beschadigd. Een stuk metaal van ongeveer dertig centimeter, afkomstig van de brievenbus, is op ooghoogte in de tussendeur van de gang naar de woonkamer terecht gekomen. De jas die aan de kapstok achter de deur hing is door de hitte verbrand of gesmolten. De thermostaat die in de woonkamer hing is van de muur los gekomen. Servies dat op het aanrecht stond is gebroken. Het bovenlichtje van de deur van één van de slaapkamers is geknapt.

Ten tijde van de ontploffing waren [benadeelde] en haar zoon [zoon benadeelde] in de voormelde woning aanwezig. De verlichting brandde en de televisie stond aan.

Opzet

De rechtbank stelt voorop dat het opzet van verdachte slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van de ontploffing, niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen.

Een verweer dat geen sprake was van opzet, kan slechts slagen als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken (Hoge Raad 9 december 2008, NJ 2009, 157, LJN BD2775). Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake. Voor het vermoeden van de aanwezigheid van die uitzonderingssituatie geven noch het omtrent de persoon van verdachte opgestelde psychologische rapport, noch het verhandelde ter terechtzitting aanleiding.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het vuurwerk in zijn aanwezigheid in de brievenbus is gestopt en is aangestoken. Ook heeft hij verklaard dat hij wist dat een Cobra 6 illegaal vuurwerk was. Het is een feit van algemene bekendheid dat illegaal vuurwerk zwaar vuurwerk is en dat dergelijk vuurwerk bij ontbranding een ontploffing teweeg kan brengen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn geweest op het teweegbrengen van een ontploffing in de woning aan [adres] te Amersfoort.

Gemeen gevaar voor goederen

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte en zijn medeverdachte bij uitstek een situatie opleveren waarin naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor de woning en goederen te duchten was, hetgeen zich ook heeft verwezenlijkt nu de woning en de inboedel daarvan fors zijn beschadigd.

Levensgevaar

Om het levensgevaar voor een ander of anderen als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (Hoge Raad 17 februari 2009, NJ 2009, 120, LJN BG1653). De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het teweegbrengen van een ontploffing met een Cobra 6 op de wijze zoals in de onderhavige zaak is geschied kan weliswaar zeer ernstige gevolgen hebben maar heeft niet zo zeer als voorzienbaar risico dat een persoon daardoor komt te overlijden. De rechtbank zal verdachte van dat deel van de tenlastelegging partieel vrijspreken.

Gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank acht bewezen dat door het handelen van verdachte en zijn medeverdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was en acht daartoe het volgende van belang.

Uit de aangifte blijkt dat de bewoners van de woning aan [adres] te Amersfoort thuis waren ten tijde van het feit. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gezien dat het licht boven in de woning brandde en dat hij daaruit concludeerde dat er iemand in de woning aanwezig was.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het stoppen van een aangestoken stuk zwaar vuurwerk als de Cobra 6 in de brievenbus van een woning terwijl de bewoners van die woning op dat moment in de woning aanwezig zijn, het naar algemene ervaringsregels voorzienbare risico met zich mee dat een persoon daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er in de media tegen het einde van ieder kalenderjaar steeds ruim aandacht wordt gevraagd voor de risico’s bij het afsteken van vuurwerk. Er wordt duidelijk op gewezen dat het onjuist gebruik of het afsteken van illegaal vuurwerk tot gevolg kan hebben dat ledematen gemist moeten worden.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit, op de wijze zoals hierna is omschreven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 23 december 2010 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door toen en daar bij een woning

gelegen aan [adres] een lont van zwaar vuurwerk (een zogenaamde

Cobra 6) tot ontbranding te brengen en dit vuurwerk door de brievenbus in die woning te stoppen, alwaar dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de inboedel ervan en gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Uit het door dr. A. van der Donk, gz-psycholoog, opgemaakte rapport van 7 maart 2011 blijkt dat verdachte functioneert op een zwakbegaafd intelligentieniveau. Er is geen sprake van ernstige psychiatrische problematiek. Wel is sprake van antisociale trekken, beperkte zelfredzaamheid, beïnvloedbaarheid en impulsiviteit. Voorts beschrijft het rapport dat verdachte slecht met regels en structuur overweg kan en dat hij moeite heeft om de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Verdachte lijkt zich onvoldoende bewust te zijn geweest van de mogelijke impact van het vuurwerk. De psycholoog adviseert om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Met de hiervoor weergegeven conclusies en het gegeven advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid kan de rechtbank zich verenigen en zij maakt die tot de hare.

Nu uit de voornoemde rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt het volgen van een CoVa+ training. De officier van justitie heeft voorts oplegging van een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, gevorderd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest alsmede een geheel voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan heeft de rechtbank gelet op het volgende.

Verdachte heeft op 23 december 2010 samen met een ander een ontploffing veroorzaakt in een woning, een plek waar mensen zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen, door illegaal vuurwerk in de brievenbus van die woning te stoppen en aan te steken. De ontploffing veroorzaakte een enorme knal en heeft veel schade berokkend aan de woning en de inboedel daarvan.

Ten tijde van de ontploffing bevonden zich twee personen in de woning. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde] blijkt dat zij en haar zoon enorm zijn geschrokken en nog dagelijks de gevolgen van het bewezenverklaarde ondervinden. Sinds het gebeuren slapen zij slecht, schrikken zij van onverwachte geluiden en hebben zij, uit angst, hun leven verplaatst naar de achterkant van de woning. Ook gebruikt [benadeelde] sinds de gebeurtenis antidepressiva.

Naast de gevolgen voor de slachtoffers doet een dergelijk feit ook het gevoel van onveiligheid in de samenleving toenemen. De vrees dat er vuurwerk in de brievenbus van de woning wordt geworpen wordt door het feit gevoed. De rechtbank neemt ten voordele van verdachte in aanmerking, dat verdachte door zijn houding op zitting blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het over verdachte opgemaakte rapport van gz-psycholoog, dr. A. van der Donk, van 7 maart 2011, waaruit volgt dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, en het rapport van Reclassering Nederland van 25 juli 2011.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte één keer eerder met justitie in aanraking is gekomen, echter ter zake van een geheel andersoortig feit.

Door de gz-psycholoog en de reclasseringswerker wordt geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, zodat hieraan reclasseringscontact en het volgen van een CoVa+ training kan worden gekoppeld.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet op grond van de over verdachte opgemaakte rapportages aanleiding om aan het voorwaardelijke strafdeel de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde te verbinden. Vanwege de ernst van het gepleegde feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf, zoals door de raadsman is verzocht. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de werkstraf rekening gehouden met de beperkte belastbaarheid van verdachte.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gelet op de vordering van de benadeelde partij gevorderd de materiële schade alsmede de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-- toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. De vordering dient wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard nu het de vraag is in hoeverre deze schade (mede) is veroorzaakt door het overlijden van de moeder van [benadeelde] als gevolg van een woningbrand in november 2010.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1.305,20, waarvan € 5,20 ter zake van materiële schade en € 1.300,-- ter zake van immateriële schade als gevolg van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van € 5,20 alsmede de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-- een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. Hoewel de impact van het bewezenverklaarde op de benadeelde partij ongetwijfeld groter zal zijn geweest nu haar moeder een maand voor het bewezenverklaarde aan een woningbrand is overleden, komt de rechtbank een bedrag van € 1.000,--, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de lange (materiële) nasleep daarvan, redelijk voor.

De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor de schade in totaal groot

€ 1.005,20. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank de vordering tot dat bedrag bij wijze van voorschot hoofdelijk zal toewijzen.

Nader onderzoek naar de bewijsbaarheid ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade zal een onevenredige belasting opleveren voor het strafproces, zodat de rechtbank de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het volgen van een CoVa+ training;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 1.005,20, waarvan € 5,20 ter zake van materiële schade en € 1000,-- als voorschot op de immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 december 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde], € 1.005,20 te betalen, bij niet-betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en

mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Landen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 augustus 2011.

Mr. P.L.C.M. Ficq is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.