Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7784

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
16/600379-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 6 weken voor diefstal in vereniging en gewoontewitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600380-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. M.Th.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

- zich op 12 april 2011 te Veenendaal in vereniging schuldig heeft gemaakt aan diefstal bij de Coolcat.

Feit 2:

Primair:

- zich in de periode van 1 november 2010 tot en met 12 april 2011 te Veenendaal in vereniging schuldig heeft gemaakt aan diefstal van diverse kledingstukken en handtassen.

Subsidiair:

- zich 12 april 2011 te Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van heling.

Feit 3:

- zich in de periode van 1 juli 2010 tot en 12 april 2011 te Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Feit 1:

Ten aanzien van feit 1 baseert de officier van justitie zich op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, de getuigenverklaringen en het proces-verbaal van aanhouding van verdachte.

Feit 2:

Ten aanzien van feit 2 verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken. De officier van justitie voert daartoe aan, dat de kledingstukken die onder het eerste en derde gedachtestreepje op de tenlastelegging staan, aangetroffen zijn bij de medeverdachte en niet bij verdachte thuis. De officier van justitie is daarnaast van mening dat de aangifte ten aanzien van de Kipling tassen, die onder het tweede gedachtestreepje op de tenlastelegging worden genoemd, onduidelijk is. Niet kan worden nagegaan of de tassen uit de aangifte, de tassen zijn die bij verdachte zijn aangetroffen.

Feit 3:

Ten aanzien van feit 3 baseert de officier van justitie zich op de aangifte van Kwantum en Coolcat. Tevens betrekt de officier van justitie bij de bewezenverklaring de verklaring van verdachte ter terechtzitting, waarin verdachte aangeeft dat zij inderdaad dekbedovertrekken heeft gestolen. De officier van justitie stelt dat verdachte had moeten weten dat de goederen die in haar huis zijn aangetroffen van diefstal afkomstig waren. De officier van justitie is van mening dat verdachte gestolen heeft bij Xenos, Kwantum, Blokker en Coolcat en dat verdachte van het voorhanden hebben van goederen afkomstig van diefstal een gewoonte heeft gemaakt.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Feit 1:

De raadsman stelt dat verdachte bekend heeft dat zij behulpzaam is geweest bij de diefstal in de Coolcat. De raadsman meent echter dat slechts tot medeplichtigheid kan worden geconcludeerd, nu verdachte op verzoek van de medeverdachte kleding in een tas heeft gestopt.

Feit 2:

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. De raadsman betoogt daartoe als volgt.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde stelt de raadsman dat er geen aangiftes van Perry Sport, noch van Duifhuizen Lederwaren en Jack & Jones in het dossier te vinden zijn, die verband houden met diefstal gepleegd door verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging. De raadsman stelt dat bovendien niet uit de beslaglijst blijkt dat de in de tenlastelegging genoemde goederen daarop voorkomen. De raadsman wijst erop dat verdachte ontkent dat zij deze spullen allemaal heeft gestolen. De raadsman stelt tevens dat op de beslaglijst een trainingspak wordt vermeld, terwijl verdachte nooit in het bezit is geweest van een trainingspak. De raadsman stelt dat er geen bewijs is met betrekking tot de ten laste gelegede feiten, waardoor elk overtuigend bewijs ontbreekt.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde stelt de raadsman dat, met uitzondering van de sportschoenen van Perry Sport en de dames handtassen, de genoemde goederen op de tenlastelegging niet voorkomen op de lijst van inbeslaggenomen goederen. De raadsman wijst erop dat verdachte heeft verklaard dat zij deze goederen deels heeft gekocht en deels heeft gekregen. Er is derhalve geen bewijs dat verdachte wist dat die goederen uit misdrijf afkomstig waren, het was immers haar rechtmatig verkregen eigendom, aldus de raadsman.

Feit 3:

De raadsman verzoekt de dagvaarding nietig te verklaren ten aanzien van feit 3. De raadsman stelt dat de tenlastelegging onduidelijk is en dat deze niet voldoet aan artikel 261 Wetboek van Strafvordering. De raadsman stelt daarnaast dat er geen enkel bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen te komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

De rechtbank acht het onder 1 ten lastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De bewijsmiddelen die de rechtbank hierbij van belang acht zijn de aangifte van diefstal door [aangever 1] namens de Coolcat, de bekennende verklaring van verdachte, de getuigenverklaring van [getuige 1], de getuigenverklaring van [getuige 2] en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de aanhouding van verdachte door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Op 12 april 2011 liep verdachte in Veenendaal, waar zij haar vriendin [medeverdachte] tegenkwam. Verdachte is met [medeverdachte] de Coolcat ingegaan. In de Coolcat heeft verdachte spullen in de tas van [medeverdachte] gedaan. Beide vrouwen pakten dameskleding uit de rekken en deden de kleding in de tas. Daarna liepen de vrouwen de Coolcat uit en werden door twee getuigen aangesproken. Eén van de getuigen heeft de politie gebeld. Even later werden de twee vrouwen aangehouden door de politie. De aangetroffen tas bleek een geprepareerde tas te zijn. Er zaten vijf oranje t-shirts in en een spijkerjurk. Ook zaten de prijskaartjes en de hangers nog aan de kleding. Aan de kaartjes van de kleding was te zien dat de kleding afkomstig was van de Coolcat. Van deze diefstal is door de Coolcat aan de Hoofdstraat 35 te Veenendaal aangifte gedaan.

Feit 2:

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde te komen. Omdat de rechtbank deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen acht, zal de rechtbank verdachte hiervan vrij spreken.

Feit 3:

Ten aanzien van het beroep van de raadsman op nietigverklaring van de dagvaarding ten aanzien van feit 3, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een onduidelijke tenlastelegging. De rechtbank oordeelt dat uit de tenlastelegging kan worden afgeleid wat verdachte wordt verweten, zodat het beroep op nietigheid wordt afgewezen.

De rechtbank acht het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De bewijsmiddelen die de rechtbank hierbij van belang acht zijn de aangifte door [aangever 2] namens de Kwantum, de aangifte door [aangever 3], namens de Xenos, een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] naar aanleiding van de doorzoeking van de woning van verdachte met aangehechte beslaglijst en de verklaring van verdachte ter terechtzitting, waarin zij verklaart dat zij dekbedovertrekken bij de Kwantum heeft gestolen. Tevens bekent verdachte ter terechtzitting dat zij een pannenset heeft gestolen en dat zij goederen bij de Xenos heeft gestolen.

Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte ter zake van winkeldiefstal bij de Coolcat te Veenendaal, hebben verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] de woning van verdachte doorzocht. Op de zolder werd een groot aantal ongebruikte goederen aangetroffen. Deze goederen, die vermoedelijk van diefstal afkomstig waren, zijn door de verbalisanten inbeslaggenomen. Verdachte heeft afstand gedaan van de goederen die in haar woning zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. Uit de aangiftes, in combinatie met de inbeslaggenomen goederen is vast komen te staan dat verdachte bij de Xenos keukengerei heeft gestolen, waaronder een pan en magnetrondozen. Deze diefstal heeft plaatsgevonden in de periode van 7 februari 2011 tot 12 april 2011. Van deze diefstal is aangifte gedaan op 4 mei 2011 door [aangever 3] namens Xenos te Veenendaal. Vast is komen te staan dat verdachte in diezelfde periode dekbedovertrekken bij de Kwantum heeft gestolen. Deze dekbedovertrekken zijn eveneens aangetroffen bij verdachte thuis. De Kwantum heeft aangifte gedaan van de diefstal van dekbedovertrekken. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat zij inderdaad dekbedovertrekken bij de Kwantum heeft gestolen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich op grond van het bovenstaande schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 12 april 2011 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen vijf t-shirts en een spijkerjurk geheel toebehorende aan Coolcat, gelegen aan de Hoofdstraat 35.

3.

in de periode van 7 februari 2011 tot en met 12 april 2011 te Veenendaal van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, voorwerpen, te weten dekbedovertrekken en keukengerei, waaronder een pan en magnetrondozen, verworven en voorhanden gehad, terwijl zij wist dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 3: Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen en een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de eis van de officier van justitie fors is. De raadsman stelt vast dat de eis van de officier van justitie gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopig hechtenis heeft doorgebracht. De raadsman stelt dat deze termijn niet als leidraad dient te geleden voor het opleggen van een straf. De raadsman verzoekt de rechtbank rekening te houden met de proceshouding en de minimale justitiële documentatie van verdachte. De raadsman verzoekt de rechtbank niet de visie van de reclassering over te nemen, waarin bij verdachte een patroon van vermogensdelicten wordt geconstateerd. De raadsman verzoekt de eis van de officier van justitie niet te volgen en aan verdachte enkel een werkstraf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Het spreekt voor zich dat de door deze feiten ontstane materiële schade groot is geweest. Daarbij is winkeldiefstal een ergerlijk feit, dat naast schade en hinder, in het algemeen bij het winkelpersoneel gevoelens van onrust en onveiligheid oproept. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de gestolen goederen, door de gestolen goederen een lange tijd in haar woning verborgen te houden. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Wat betreft de persoon van de verdachte, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 29 juni 2011.

- het Reclasseringsadvies van J. Veel van 21 april 2011, waaruit blijkt dat het recidiverisico van verdachte wordt ingeschat als matig. Deze inschatting is gebaseerd op het recidiveren van verdachte wat betreft winkeldiefstal in vereniging. Ondanks het geconstateerde patroon in delictgedrag, acht de reclassering toezicht met bijzondere voorwaarden niet geïndiceerd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 6 weken onvoorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopig hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

7 Het beslag

Onder verdachte is een groot aantal goederen inbeslaggenomen. Verdachte heeft afstand gedaan van deze goederen.

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake meer is van beslag, nu alle goederen reeds zijn teruggegeven of weggegeven zijn.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de spullen, waarvan niet is vast komen te staan dat deze uit diefstal afkomstig zijn, worden geretourneerd aan verdachte.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen goederen. Teruggave aan verdachte is derhalve niet aan de orde. De inbeslaggenomen goederen zijn grotendeels geretourneerd aan de rechtmatige eigenaren. De goederen waarvan niet meer te achterhalen was wie de rechtmatige eigenaar was, zijn op 4 mei 2011 door de politie afgegeven bij het Leger des Heils te Veenendaal.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 310, 311, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 3: Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wassing, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 juli 2011.

Mr. Y.A.T. Kruijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.