Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7716

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
16/600337-11 en 16/512450-10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake bedreiging, belediging en werderspannigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600337-11 en 16/512450-10 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

verblijvende op het adres [adres] te [woonplaats].

raadsman mr. G. Tj. de Jong, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich heeft schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, waarbij hij geweld heeft gebruikt;

feit 2: agenten heeft bedreigd, met een misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid bij zijn aanhouding;

feit 4: agenten heeft beledigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit gedeeltelijk bekent. Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten ontkent verdachte de ten laste gelegde bedreigingen te hebben geuit, dan wel zich te hebben verzet bij zijn aanhouding. Van deze feiten moet verdachte dan ook worden vrijgesproken. Dit geldt ook voor de onder 4 ten laste gelegde belediging. Verdachte erkent de ten laste gelegde woorden te hebben gebruikt. De raadsman heeft aangevoerd dat deze bewoordingen, gelet op de omstandigheden waaronder ze zijn geuit, echter niet kunnen worden geduid als beledigend.

4.3 Vrijspraak

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank heeft niet de overtuiging dat verdachte de verbalisanten de bewoordingen “Ik heb een mes bij me en zal jullie wel doodsteken” heeft toegevoegd. Verdachte zal dan ook van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht worden vrijgesproken.

4.4 De bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 12 juli 2011 ;

- de aangifte van [aangever 1] ;

- de aangifte van [aangever 2] ;

- de verklaring van de getuige [getuige] .

Ten aanzien van de feiten 3 en 4:

Uit de processen-verbaal van bevindingen blijkt dat [verbalisant 1], hoofdagent van politie, belast met algehele incident afhandeling, en [verbalisant 2], surveillant van politie, belast met avonddienst wijk , op 6 april 2011 naar aanleiding van een melding over een agressief persoon naar de Albert Heijn te Maarsen zijn gegaan .

Ten aanzien van feit 3:

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [verbalisant 1] voornoemd ter plaatse zag dat verdachte middels een klem door een beveiligingsbeambte onder controle werd gehouden. [verbalisant 1] heeft vervolgens verdachte aangeroepen te zijn aangehouden. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd hebben verdachte van de beveiligingsmedewerker overgenomen. [verbalisant 1] zag dat verdachte niet reageerde op de aanroep om zich met zijn gezicht naar de muur te draaien. Hij zag en voelde dat verdachte in de richting van hem en zijn collega probeerde te komen. [verbalisant 1] voelde dat hij steeds meer kracht moest gebruiken om verdachte tegen de muur te houden. Hij voelde dat verdachte steeds meer verzet begon te plegen. Agent [verbalisant 2] probeerde vervolgens de arm van verdachte te pakken. Verdachte probeerde zijn arm echter weer los te rukken. Met moeite heeft agent [verbalisant 2] uiteindelijk de transportboeien kunnen aanleggen . Agent [verbalisant 2] heeft in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat nadat aan verdachte was medegedeeld dat hij was aangehouden en hem gezegd was dat hij mee moest werken, hij voelde dat verdachte zich in een andere richting bewoog als waar hij hem trachtte naartoe te bewegen . Door [aangever 2] en [aangever 1] wordt gezien dat verdachte zich tegen de politie verzette , dat hij zich breed maakte en dat hij zijn armen weghield van de agenten, die hem bij zijn armen probeerde te pakken .

Ten aanzien van feit 4:

In het proces-verbaal van bevindingen relateert [verbalisant 1] voornoemd dat verdachte op 6 april 2011 te Maarsen hem en [verbalisant 2] voornoemd meermalen “kankerlijers” heeft genoemd . Zowel [verbalisant 1] als [verbalisant 2] voelden zich door de uitspraken beledigd en in hun eer, goede naam en functie aangetast. Verdachte deed deze uitspraken terwijl er veel personeel van de Albert Heijn en meerdere omstanders van het winkelcentrum om hen heen stonden . Door [aangever 1] werd gehoord dat verdachte de ter plaatse gekomen agenten uitschold, dan wel beledigde.

4.5 Nadere bewijsoverweging

Het verweer dat de uitlatingen van de verdachte, gelet op de context waarin deze zijn geuit, niet als zijnde beledigend geduid kunnen worden, treft geen doel. Uit de processen-verbaal van aangevers [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt dat de verdachte zich meermalen jegens hen beledigend heeft uitgelaten en dat daar verschillende mensen getuigen van zijn geweest.

4.6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 6 april 2011 te Maarssen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee pakjes noodles (merk Yum Yum) en een rol Pringles toebehorende aan Albert Heijn, welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen

[aangever 1] en/of [aangever 2] (beveiliger bij Albert Heijn), gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [aangever 2] met kracht

- kopstoten heeft gegeven en

- in het gezicht heeft geknepen en

- op het lichaam heeft gestompt,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [aangever 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik kom je wel tegen en dan pak ik je wel, ik zie je wel lopen, want Nederland is klein"

en

welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [aangever 1] met kracht met de tot vuist gebalde hand in het gezicht heeft gestompt

en

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [aangever 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: Laat me erdoor of ik sla je kapot";

3.

hij op 6 april 2011 te Maarssen toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren

- [verbalisant 1] (hoofdagent van Politie Utrecht) en

- [verbalisant 2] (surveillant van Politie Utrecht)

verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen genoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

4.

hij op 6 april 2011 te Maarssen opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van Politie Utrecht), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, belast met algehele incidentafhandeling en [verbalisant 2] (surveillant van Politie Utrecht), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, belast met een avonddienst wijk, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerlijers".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1.

Diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

3.

Wederspanningheid;

4.

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest, met als bijzondere voorwaarden:

- klinische opname bij Wier of een soortgelijke instelling voor de duur van maximaal één (1) jaar, of zoveel korter dan door de instelling wordt nodig geacht;

- een verplicht reclasseringscontact, ook indien dat wordt uitgevoerd door de afdeling jeugdreclassering van de William Schrikker Groep.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat volstaan kan worden met een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Verdachte heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een voorwaardelijk deel van een op te leggen straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden en een proeftijd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij het navolgende in het bijzonder in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, die na betrapping op heterdaad werd gevolgd van fors geweld en bedreiging met geweld tegen de bedrijfsleider en de beveiliger van de winkel. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven. Het op de winkeldiefstal volgende geweld, heeft naast pijn en letsel bij de slachtoffers ook gevoelens van onrust in de samenleving veroorzaakt. Daarnaast heeft de verdachte zich bij zijn aanhouding met geweld verzet tegen opsporingsambtenaren die in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Hij heeft hen tevens beledigd tijdens hun werk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het gegeven dat uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 mei 2011 blijkt dat de verdachte op 19 januari 2011 is veroordeeld ter zake mishandeling en belediging tot een voorwaardelijke werkstraf. De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de inhoud van de rapportages zoals deze zijn opgesteld door de William Schrikker Groep d.d. 21 april 2011 en 11 juli 2011 en door het Leger des Heils d.d. 27 mei 2011. Uit deze rapportages blijkt dat begeleiding door de reclassering voor volwassenen niet mogelijk is omdat de verdachte niet in staat is de verantwoordelijkheden te dragen die daarbij horen. De William Schrikker Groep (afdeling jeugdreclassering) heeft zich bereid verklaard de begeleiding van verdachte op zich te nemen en adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een verplicht contact met de jeugdreclassering (met de maatregel hulp en steun) en de plaatsing van verdachte bij Wier (Altrecht).

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 128 dagen passend en geboden is. De rechtbank ziet in bovengenoemd advies aanleiding een deel daarvan, te weten 30 dagen, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de jeugdreclassering mogelijk. Met deze voorwaardelijke straf wordt eveneens beoogd verdachte te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering dat de voorwaardelijke werkstraf van 40 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 19 januari 2011 ten uitvoer zal worden gelegd gewijzigd in de vordering dat de proeftijd behorende bij voornoemde voorwaardelijke werkstraf zal worden verlengd met één jaar.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging in beginsel worden toegewezen. De rechtbank zal dit niet beslissen, omdat aan verdachte in het onderhavige vonnis wederom een voorwaardelijke sanctie zal worden opgelegd.

De rechtbank acht, nu de eerder opgelegde voorwaardelijke straf dateert van begin 2011 en de proeftijd mitsdien nog geruime tijd van kracht zal zijn, een verlenging van de proeftijd niet op zijn plaats. De vordering ten uitvoerlegging zal dan ook worden afgewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 180, 266, 267 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.6 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1.

Diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

3.

Wederspanningheid;

4.

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 128 (honderdachtentwintig) dagen, waarvan 30 (dertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat de verdachte moet meewerken aan een klinische opname bij Wier, of een soortgelijke instelling voor de duur van maximaal 1 (één) jaar, of zoveel korter dan de instelling noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de William Schrikker Groep (afdeling jeugdreclassering), met opdracht aan voornoemde instelling de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbey en J.M. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verspaget-Kruyt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 juli 2011.