Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7692

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
16/600301-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging diefstal met geweld. Geen reden om aan verklaring aangever te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600301-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

thans voor deze zaak verblijvende te PI Utrecht, HvB Wolvenplein

raadsvrouw mr. R. de Vries, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 25 maart 2011 te Amersfoort primair met geweld en/of bedreiging met geweld een mobiele telefoon en/of een mp3-speler heeft gestolen van [slachtoffer],

subsidiair een poging daartoe heeft gedaan, en

meer subsidiair die [slachtoffer] heeft mishandeld en/of bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op: de aangifte, foto’s van het letsel en de verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de aangifte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiar ten laste gelegde feit en van de onder meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging. Slechts de onder meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen. De verdediging wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit. Verdachte had niet het opzet om zich de mobiele telefoon dan wel mp3-speler van aangever toe te eigenen. Er is onvoldoende bewijs voor de verbale bedreiging met geweld. De door verdachte gegeven klap had niet het doel de diefstal voor te bereiden dan wel gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit verwijst de verdediging naar hetgeen zij heeft aangevoerd ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit. Voorts is er geen sprake van een begin van uitvoering.

Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging geldt dat de aangifte niet wordt ondersteund door enig ander bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal de verdachte daarvan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat niet uit de bewijsmiddelen voortvloeit dat verdachte de mobiele telefoon dan wel de mp3-speler van aangever heeft weggenomen. Aangever had geen mobiele telefoon bij zich, zodat verdachte die ook niet kon wegnemen. Aangever had wel een mp3-speler bij zich, maar deze is bij de aanhouding op heterdaad niet bij verdachte aangetroffen.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank zal eerst oordelen over de verklaringen die verdachte heeft afgelegd bij de politie. De verdediging heeft aangevoerd dat de door verdachte op 26 maart 2011 afgelegde verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat hij voorafgaand aan dat verhoor heeft aangegeven een advocaat te willen raadplegen. Hieraan is echter geen gehoor gegeven.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 30 juni 2009 (LJN BH3079) uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) - met name de uitspraak van het EHRM inzake Salduz tegen Turkije van 27 november 2008 - afgeleid dat een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen, die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om, voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, een advocaat te raadplegen. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat.

De rechtbank overweegt dat verdachte in onderhavige zaak voor aanvang van het eerste verhoor d.d. 25 maart 2011 is gewezen op voornoemd recht, maar dat verdachte toen ondubbelzinnig heeft geantwoord hiervan geen gebruik te willen maken. Echter, voorafgaand aan dan wel ten tijde van het tweede verhoor heeft verdachte aangegeven alsnog gebruik te willen maken van dit recht. Hieraan is blijkbaar niet direct gehoor gegeven. De rechtbank zal in het licht van voornoemde jurisprudentie de verklaring die verdachte d.d. 26 maart 2011 bij de politie heeft afgelegd niet gebruiken voor het bewijs.

De rechtbank is echter van oordeel dat ook zonder de verklaringen die verdachte in deze zaak d.d. 26 maart 2011 bij de politie heeft afgelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 25 maart 2011 te Amersfoort op de Barchman Wuytierslaan werd aangesproken door een man. De man vroeg hem of hij mocht bellen met zijn, aangevers, telefoon. Aangever antwoordde daarop dat hij geen telefoon bij zich had. Aangever hoorde vervolgens dat de man tegen hem zei: ‘Je liegt tegen mij. Ik ga je hoofd van je romp aftrekken en ik sla je in elkaar.’ Aangever zag en voelde dat de man met beide handen zijn jas vastpakte en in de binnenzak van zijn, aangevers, jas naar een mobiele telefoon zocht. Er ontstond duw- en trekwerk waarbij zij beiden in de heg terecht kwamen. Aangever hoorde de man vervolgens tegen hem zeggen: ‘Ik ga je hoofd van je romp aftrekken en ik ga je in elkaar slaan’. Aangever zag en voelde dat de man hem kennelijk opzettelijk met zijn rechterhand die tot vuist was gebald op zijn onderlip sloeg. Aangever heeft verklaard dat hij aan het handgemeen onder andere een opgezwollen lip en een kras op zijn wenkbrauw heeft opgelopen. Van dit letsel zijn foto’s gemaakt.

De politie is vervolgens ter plaatse gekomen. Zij troffen aangever aan en zagen dat hij bloed op zijn lip en een kras in zijn gezicht had. Aangever heeft vervolgens een man als dader aangewezen. Deze man bleek later verdachte te zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 juni 2011 verklaard dat hij aan [slachtoffer] vroeg of hij met zijn mobiele telefoon mocht bellen. Toen [slachtoffer] zei dat hij geen mobiele telefoon bij zich had, heeft verdachte tegen [slachtoffer] gezegd dat hij loog en heeft hij aan [slachtoffer] zijn jas gevoeld of er echt geen mobiele telefoon in zat. Hierna kwamen zowel verdachte als [slachtoffer] ten val en heeft verdachte [slachtoffer] met gebalde vuist een stomp gegeven, waarna zij uit elkaar gingen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 juni 2011 ontkend dat hij aangever heeft bedreigd met geweld en dat hij met zijn handen in de jaszak van aangever heeft gezocht naar diens mobiele telefoon; hij, verdachte, zou slechts aan de jaszak van [slachtoffer] hebben gevoeld. De rechtbank ziet echter geen reden om aan de verklaring van aangever te twijfelen, zeker nu verdachte wel toegeeft op zoek te zijn geweest naar de mobiele telefoon van [slachtoffer], en gaat dan ook uit van diens verklaring.

De verdediging heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat er geen sprake is van opzet om zich de telefoon toe te eigenen, noch van een begin van uitvoering.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat verdachte wilde bellen met de telefoon van aangever. Toen aangever zei dat hij geen mobiele telefoon bij zich had, heeft verdachte het heft in eigen handen genomen en is hij in de jaszak van aangever gaan zoeken naar een mobiele telefoon, om deze zonder toestemming van de aangever te pakken en te gebruiken. Uit deze gedraging blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte het opzet had om zich de mobiele telefoon van aangever wederrechtelijk toe te eigenen. De gedraging van verdachte is naar haar uiterlijke verschijningsvorm voorts gericht op de voltooiing van het misdrijf diefstal en daartoe ook geëigend. Dit is niet anders indien de afwezigheid van een mobiele telefoon de uitvoering van bedoeld voornemen onmogelijk maakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Hoge Raad 4 april 1978, NJ 1979/24.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de poging tot diefstal was voorafgegaan, vergezeld dan wel gevolgd van geweld.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en verwijst naar de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen. Hieruit vloeit voort dat verdachte [slachtoffer] heeft vastgepakt en in zijn kleding heeft gezocht naar een mobiele telefoon, alsmede dat verdachte [slachtoffer] vervolgens een stomp heeft gegeven nadat beiden ten val waren gekomen en dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze stomp heeft gegeven teneinde de vlucht mogelijk te maken.

Ten aanzien van de ten laste gelegde verbale bedreiging, die door verdachte wordt ontkend, volgt de rechtbank aangever in zijn verklaring. De rechtbank ziet geen reden om op dat punt aan de aangifte te twijfelen, nu verdachte zelf toegeeft dat hij in paniek was, aangever uit een impuls heeft geslagen en best tegen aangever kan hebben gezegd: ‘Je liegt tegen mij’.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair

op 25 maart 2011 te Amersfoort, op de openbare weg, de Barchman Wuytierslaan aldaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen en te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hebbende hij, verdachte,

- tegen die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, gezegd: "Je liegt tegen mij. Ik ga je hoofd van je romp aftrekken en ik sla je in elkaar" en

- die [slachtoffer] vastgepakt en in zijn jaszak gevoeld en

- die [slachtoffer] in diens gezicht gestompt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte aangever een stomp heeft gegeven, omdat hij zich hiertoe ter verdediging van zichzelf genoodzaakt voelde. Voor zover de verdediging zich hiermee beroept op noodweer(-exces) overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat er sprake was van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands lijf, eerbaarheid of goed. Zoals uit het hier voorgaande is gebleken, was verdachte immers de agressor, tegen wie [slachtoffer] zich mocht verdedigen en niet andersom. Daarbij komt dat verdachte ter terechtzitting van 27 juni 2011 zelf heeft verklaard dat hij de klap aan aangever niet had moeten en hoeven geven. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch onderzoek pro justitia van 1 juli 2011 van R. Bout, GZ-psycholoog. In dit rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd.

Verdachte is een gemiddeld begaafde man die is gericht op de bevrediging van zijn behoeften en die een vrijwel constante onverantwoordelijkheid heeft, waardoor hij niet in staat is een woning of werk te behouden. Relaties met anderen hebben voor hem vooral een functionele betekenis en hij kan hooghartig overkomen. Daarnaast is er sprake van prikkelbaarheid en impulsiviteit. Het gebruik van drugs en alcohol werkt daarbij drempelverlagend. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van middelenmisbruik. Deze verstoring van zijn ontwikkeling bestond ook ten tijde van het ten laste gelegde feit en heeft verdachte zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde feit ook beïnvloed. Op dat moment was er sprake van een slechte impulscontrole. Het gebruik van alcohol voorafgaand aan het feit heeft hierbij een ontremmend effect gehad. De onderzoeker concludeert dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank neemt de conclusie uit het rapport van de psycholoog, dat het feit verdachte in enigszins verminderde mate moet worden toegerekend, over en maakt deze tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden (met aftrek van het reeds door verdachte ondergane voorarrest), waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht wordt opgelegd, uit te voeren door Centrum Maliebaan, afdeling GAVO.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte kan zich vinden in het reclasseringsrapport en is bereid mee te werken aan het GAVO-project. De verdediging heeft de rechtbank voorts verzocht om, indien de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, de duur hiervan te beperken tot het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. Verdachte heeft een hem onbekende persoon, te weten [slachtoffer], die nietsvermoedend op straat liep aangesproken met de vraag of hij met zijn mobiele telefoon mocht bellen. Toen die [slachtoffer] antwoordde dat hij geen telefoon bij zich had, geloofde verdachte hem niet en is verdachte door het lint gegaan. Verdachte heeft [slachtoffer] bedreigd en heeft in zijn jas gevoeld of er niet toch een mobiele telefoon in zat. Daarop ontstond een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer], waarop verdachte [slachtoffer] ook nog in zijn gezicht heeft gestompt. De rechtbank acht dit zeer ernstig. Verdachte heeft verklaard dat hij per se wilde bellen naar de apotheek om zijn Methadon op tijd te verkrijgen en daardoor in paniek raakte. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte absoluut voor de verkeerde weg heeft gekozen om zijn doel te bereiken. Dat verdachte in paniek verkeerde, doet niet af aan de gevoelens van angst die zijn handelen bij het slachtoffer teweeg moet hebben gebracht. Daarvoor heeft verdachte op dat moment in het geheel geen oog gehad. Tevens is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten bijdragen aan de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen.

Uitgangspunt voor de bestraffing van een voltooide straatroof met licht geweld of bedreiging met geweld is een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor zowel diefstallen als een mishandeling.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 27 mei 2011, opgesteld door A. Balfoort (reclasseringswerker) - kort samengevat - inhoudende: dat verdachte afhankelijk is van alcohol en drugs en voorts een huisvestingsprobleem heeft. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht bij Centrum Maliebaan, afdeling GAVO.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, geëist. De rechtbank is, mede gelet op de geestelijke toestand waarin verdachte ten tijde van het plegen van het feit verkeerde, van oordeel dat de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

6 maanden passend is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel van deze straf, te weten 2 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk. Voorts wordt met deze voorwaardelijke straf beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Er is voldoende verband tussen het feit en het kwijtraken van de mp3-speler. Voorts is de vordering voldoende onderbouwd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de schade slechts verband houdt met het primair ten laste gelegde feit en de verdediging van mening is dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 339,- in verband met het verlies van zijn mp3-speler.

De rechtbank acht aannemelijk dat de mp3-speler bij de worsteling tussen aangever en verdachte is gevallen. Dat betekent dat [slachtoffer] als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde zijn mp3-speler is verloren. Verdachte is dus aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt -de benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met een kassabon en de rechtbank heeft geen reden om aan die kassabon te twijfelen- zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voorbereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan, afdeling GAVO;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van het voorarrest gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 339,- terzake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 339,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juli 2011.

Mr. I. Bruna is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.