Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7650

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
16-512574-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 WvW en schuldheling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512574-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], aan de [adres],

raadsvrouw mr. H. Schouten, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is op 15 maart 2011 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging (zoals ter terechtzitting gewijzigd) is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. (primair) op 4 oktober 2010 te Maarssen heeft geprobeerd [verbalisant], surveillant van politie, van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of (subsidiair) op 4 oktober 2010 te Maarssen zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [verbalisant] lichamelijk letsel heeft opgelopen.

2. op 3 oktober 2010 te Maarssen een scooter heeft verworven, waarvan hij ten tijde van het verwerven (primair) wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, dan wel (subsidiair) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (poging zware mishandeling) en 2 subsidiair (schuldheling) heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat hij moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging doodslag/zware mishandeling, nu er geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft niet de intentie gehad om de agent aan te rijden. Het gedrag van de verdachte moet naar mening van de verdediging worden opgevat als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend.

Ten aanzien van feit 2 wordt door de raadsvrouw opgemerkt dat er naar haar mening sprake is van schuldheling.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Feit 1

Feiten en omstandigheden

Op 4 oktober 2010 staat verbalisant [verbalisant], politiebiker, naast zijn fiets op het trottoir gelegen langs het fietspad tussen de wijken Fazentenkamp en Duivenkamp te Maarssen. Tussen beide wijken gaat het fietspad door een tunnel. Op enig moment hoort de verbalisant een hard en fel motorgeluid. De verbalisant besluit het naderende voertuig te controleren en stapt naar voren waardoor hij met zijn fiets ongeveer een derde van het fietspad blokkeert.

De verdachte rijdt als bestuurder van een scooter met [betrokkene] achterop uit de tunnel omhoog. Voornoemde agent geeft hem daarop een stopteken .

De verdachte negeert het stopteken en rijdt met een snelheid van tussen de 40 en 45 kilometer per uur tegen [verbalisant] en zijn fiets aan . Als gevolg van de aanrijding heeft [verbalisant] zijn linkerhand gekneusd, zijn linkerknie verstuikt en het bot van zijn rechterscheenbeen gescheurd , waardoor hij zijn werkzaamheden enige tijd niet heeft kunnen verrichten .

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat het aan de schuld van de verdachte te wijten is dat de aanrijding met [verbalisant] heeft plaatsgevonden.Vooropgesteld wordt dat niet kan worden vastgesteld of verdachte recht op [verbalisant] heeft afgestuurd zoals [verbalisant] heeft verklaard, dan wel dat verdachte geprobeerd heeft naar links uit te wijken maar dat [verbalisant] met zijn fiets in die richting meebewoog. Dit neemt niet weg dat verdachte, die hard reed, geen snelheid heeft verminderd laat staan is gaan remmen toen [verbalisant] het stopteken gaf. Evenmin is aannemelijk geworden dat er voor verdachte geen enkele mogelijkheid bestond om uit te wijken en aldus een aanrijding te voorkomen. Gelet op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het delict vijftien jaar was, en dus niet in het bezit van een geldig bromfietscertificaat, en volgens zijn eigen verklaring ook nauwelijks rijervaring had en bovendien een passagier achterop had, is de rechtbank van oordeel dat de aanrijding is ontstaan doordat verdachte geen enkele controle had over de scooter. Dit gebrek aan controle heeft zich gemanifesteerd toen verdachte [verbalisant] zag en schrok, kennelijk omdat hij zonder helm en zonder bromfietscertificaat op een gestolen scooter reed. Dat verdachte [verbalisant] opzettelijk heeft willen aanrijden is in dat licht onvoldoende gebleken, ook gelet op de evidente risico’s die dat voor hemzelf en zijn medepassagier zou meebrengen, welke risico’s zich overigens gedeeltelijk hebben verwezenlijkt. Uit een en ander volgt dat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Wel acht de rechtbank roekeloos rijden bewezen.

Feit 2

De verdachte heeft op 3 oktober 2010 een scooter gekocht van een jongen van wie hij alleen een voornaam kende. De prijs was aanzienlijk lager dan gebruikelijk voor een dergelijke scooter en de verdachte was daarvan op de hoogte. Bij de koop van de scooter zijn aan de verdachte geen kentekenpapieren overhandigd . Na onderzoek bleek de door de verdachte gekochte scooter op 30 september 2010 te zijn gestolen .

Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van de koop van de scooter redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een gestolen scooter betrof. De verdachte wordt van de primair ten laste gelegde opzetheling vrijgesproken.

4.4 Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. (subsidiair)

Op 4 oktober 2010 te Maarssen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (brom)fietspad gelegen tussen de Duivenkamp en de Fazantenkamp zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos als bestuurder van een scooter met verhoogde snelheid (tussen de 40 en 45 km/uur) tegen een persoon en diens fiets aan te rijden, waardoor [verbalisant] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2. (subsidiair)

op 3 oktober 2010 te Maarssen een scooter, merk Piaggio, kenteken [kenteken] heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van genoemde scooter redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. (subsidiair)

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994;

2. (subsidiair)

schuldheling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is bepleit dat een werkstraf gelijk aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de door de officier van justitie geëiste werkstraf passend is. Een voorwaardelijk strafdeel is, gelet op het gegeven dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen niet noodzakelijk.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich, door roekeloos te rijden, schuldig gemaakt het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte niet alleen de lichamelijke gezondheid en integriteit van het slachtoffer aangetast, maar ook de algemene verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Bovendien was het slachtoffer van het verkeersongeval een politieagent die de verdachte een stopteken had gegeven. Dit was temeer een reden geweest om anders te rijden dan verdachte heeft gedaan. Het slachtoffer twijfelt of hij bij de politie moet blijven nu hieraan kennelijk forse risico’s kleven, zelfs bij een gewone verkeerscontrole. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een scooter en daarmee bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met het gegeven dat uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 april 2011 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. In haar beslissing betrekt de rechtbank voorts dat de Raad voor de Kinderbescherming in het rapport van 19 januari 2011 geen aanwijzingen heeft gevonden voor onderliggende problemen of stoornissen. Er zijn dan ook geen signalen dat de verdachte dit gedrag vaker vertoont.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde werkstraf van 120 uur voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. Een gedeelte van deze straf, te weten 60 uur, zal zij voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [verbalisant] vordert een schadevergoeding van € 508,50 voor

feit 1. De officier van justitie acht de vordering in haar geheel toewijsbaar. De advocaat van verdachte is echter van mening dat het immateriële deel van de vordering lager zou moeten zijn omdat het in haar ogen niet gaat om een opzettelijk gepleegd delict. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het eerste bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De vordering van de immateriële schade is alleszins redelijk in hoogte, ook nu de rechtbank roekeloosheid en niet opzet heeft bewezen geacht. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. Verder zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h,77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. (subsidiair)

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994;

2. (subsidiair)

schuldheling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant] van € 508,50 waarvan € 133,50 ter zake van materiële schade en € 375,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant], € 508,50 te betalen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. E.A. Messer, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. K. Verspaget-Kruyt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting

op 7 juni 2011.