Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7643

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
16.600475-11 en 16.504057-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreigingen van hulpverleners en levensgezel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600475-11 en 16.504057-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1983] te [geboorteplaats]

thans verblijvende te PPC Maastricht

raadsvrouw mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 9 mei 2011 te Nieuwegein [slachtoffer 1] (medewerkster van stichting Humanitas) heeft bedreigd;

feit 2: op 10 mei 2011 te Nieuwegein zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

feit 3: op 10 mei 2011 te Nieuwegein [slachtoffer 3] (medewerker van het Leger des Heils) heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften en de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1

Aangeefster [slachtoffer 1], medewerkster van stichting Humanitas, heeft verklaard dat zij begeleider is van verdachte en hem op 9 mei 2011 te Nieuwegein bezocht. Zij hoorde hem zeggen: ‘ik maak je kapot, ik ga je slaan, nu wegwezen, anders sla ik je in elkaar’. Aangeefster voelde zich hierdoor bedreigd.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tegen aangeefster heeft gezegd: ‘ik maak je kapot, ik sla je in elkaar’.

Ten aanzien van feit 2

Aangeefster [slachtoffer 2], vriendin van verdachte, heeft verklaard dat zij bij verdachte te Nieuwegein woont en dat toen zij op 10 mei 2011 thuis waren, verdachte drie kopjes naar haar heeft gegooid. In ieder geval één kopje raakte haar arm. Aangeefster voelde hierdoor pijn. Ook zag zij dat er een aantal bloedende wondjes op haar arm zat.

Toen verbalisanten ter plaatse kwamen constateerden zij dat aangeefster op haar onderarm diverse snijwonden en krassen had zitten.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting van 20 juli 2011 als bij de politie verklaard dat hij kopjes naar aangeefster heeft gegooid.

Ten aanzien van feit 3

Aangeefster [slachtoffer 3], werkzaam bij het Leger des Heils, heeft verklaard dat zij verdachte op 10 mei 2011 te Nieuwegein bezocht en dat verdachte zijn rechterarm ophief en zijn rechterhand tot een vuist balde. Zij hoorde verdachte zeggen: ‘als je het huis binnenkomt, maak ik je kapot’. Aangeefster voelde zich hierdoor bedreigd.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tegen aangeefster heeft gezegd dat hij haar zou slaan, dat ze het huis niet in mocht en: ‘ik maak je kapot’.

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 en 3

Verdachte heeft bij de politie ten aanzien van de ten laste gelegde feiten een verklaring afgelegd die op essentiële punten overeenkomt met de drie aangiftes. Dat verdachte over feit 1 en feit 3 ter terechtzitting een andere verklaring heeft afgelegd, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het bovenstaande. De rechtbank heeft geen redenen om aan de aangiftes van de hulpverleners [slachtoffer 1] of [slachtoffer 3] te twijfelen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 9 mei 2011 te Nieuwegein, [slachtoffer 1] (werkzaam bij/voor de stichting Humanitas) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: ‘ik maak je kapot’ en ‘ik ga je slaan’ en ‘nu wegwezen, anders sla ik je in elkaar’;

2.

op 10 mei 2011 te Nieuwegein opzettelijk mishandelend een kopje tegen een arm van zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 2], heeft gegooid, waardoor deze [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

op 10 mei 2011 te Nieuwegein, [slachtoffer 3] (werkzaam bij/voor het Leger des Heils) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn vuist gebald en daarbij voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: ‘Als je het huis binnenkomt, maak ik je kapot’.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 en 3: telkens, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat daarbij reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, ook als dat inhoudt een behandeling bij Wier voor maximaal een jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht aan verdachte de door de officier van justitie gevorderde straf op te leggen. Verdachte heeft hulp nodig en kan terecht bij Wier.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in twee dagen tijd twee hulpverleners bedreigd. De rechtbank acht dit zeer ernstig. Hij heeft hiermee ernstige gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaakt, welke slachtoffers verdachte nota bene wilden helpen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Verdachte heeft zich bovendien in dezelfde periode schuldig gemaakt aan wat in de volksmond ‘huiselijk geweld’ wordt genoemd. Verdachte heeft, door met kopjes naar haar te gooien, zijn vriendin niet alleen angst aangejaagd, maar ook letsel toegebracht, terwijl zij zich in een vertrouwde omgeving bevond.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor misdrijven, waaronder een keer eerder voor huiselijk geweld;

- een ter terechtzitting door de verdediging voorgedragen schrijven van M. de Kroon, psycholoog bij Altrecht d.d. 13 april 2010, waaruit blijkt dat verdachte een laag IQ heeft en dat er sprake is van gedragsproblematiek. Verdachte heeft PDD NOS en autistische trekken. Wier te Den Dolder zou verdachte een passende behandeling kunnen geven.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden noodzakelijk is, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 2 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze voorwaardelijke straf maakt tevens een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk, waardoor verdachte kan worden behandeld in Wier.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis d.d. 28 januari 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat indien aan verdachte de straf zoals gevorderd wordt opgelegd, de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen. De bewerkstelliging van de bijzondere voorwaarde is niet te verenigen met het uitvoeren van een werkstraf.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De bijzondere voorwaarde die zal worden opgelegd staat hieraan niet in de weg.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 57, 285, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 en 3: telkens, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een behandeling bij Wier te Den Dolder, of een soortgelijke instelling, voor maximaal een jaar;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 28 januari 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16.504057-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 augustus 2011.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.