Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7574

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
16/600591-10 en 16/601390-08 (vordering tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na heropening van de zaak voor wat betreft de strafoplegging, heeft de rechtbank conform de eis van de officier van justitie de maatregel ISD opgelegd. De rechtbank acht de oplegging van deze maatregel wenselijk en noodzakelijk. Verdachte heeft onvoldoende motivatie getoond deze laatste kans te grijpen.

De rechtbank gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600591-10 en 16/601390-08 (vordering tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. E.Th. Hummels, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 september 2010, waarna op 08 oktober 2010 een tussenvonnis is gewezen. Hierin is het tenlastegelegde bewezen verklaard en is vastgesteld dat niet is gebleken van enige feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het feit en van de verdachte uitsluiten. De definitieve beslissing voor wat betreft de straftoemeting is echter aangehouden. Ook de beslissing met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging is aangehouden. Het onderzoek, dat ter terechtzitting van 24 september 2010 was gesloten, is bij dit tussenvonnis heropend.

Op 04 maart 2011 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting van 04 maart 2011 is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

1.1 De bewezenverklaring

De rechtbank heeft bij voormeld tussenvonnis d.d. 08 oktober 2010 wettig en overtuigend bewezen geacht dat verdachte

op 12 juni 2010 te Amersfoort opzettelijk zijn levensgezel, te weten [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer]

- meermalen tegen haar hoofd geslagen en

- tegen haar linkerbovenbeen getrapt en

- haar keel met kracht dichtgeknepen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank heeft deze bewezenverklaring gebaseerd op de in het tussenvonnis vermelde bewijsmiddelen.

Het bewezenverklaarde heeft het navolgende strafbare feit opgeleverd.

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

2 De strafoplegging

2.1 Beslissing in tussenvonnis

In het tussenvonnis heeft de rechtbank voor wat betreft de strafoplegging -kort gezegd- overwogen dat zij de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op zichzelf gezien passend acht, gelet op hetgeen bewezen is verklaard en gelet op het feit dat verdachte volledig voldoet aan de criteria die gelden voor de oplegging van een dergelijke maatregel. In het psychiatrische rapport d.d. 23 augustus 2010, opgemaakt door E.J. Spuijbroek en E.A.M. Schouten, is hiertoe ook geadviseerd. De reclassering heeft daarentegen ter terechtzitting van 24 september 2010 een ambulante behandeling geadviseerd.

Over de haalbaarheid van de door de reclassering voorgestelde ambulante behandeling heeft de rechtbank in haar tussenvonnis ernstige twijfels geuit. Gelet op het uitdrukkelijke advies hiertoe van de reclassering en de positieve steun hiervoor van de officier van justitie onder de voorwaarden zoals door de reclassering gesteld, heeft de rechtbank verdachte toch een laatste kans gegund om onder bepaalde condities, een ambulante behandeling te volgen.

Deze voorwaarden, zoals ter terechtzitting van 24 september 2010 door de deskundige van de reclassering genoemd, betreffen een contactverbod met het slachtoffer, een verplicht verblijf bij zijn ouders, een alcoholverbod, een behandeling bij De Waag en een meldingsgebod bij Centrum Maliebaan. De definitieve beslissing met betrekking tot de op te leggen straf is opgeschort, in afwachting van het verloop van het voorgestelde ambulante traject onder deze voorwaarden.

Om het voorgaande praktisch te kunnen realiseren heeft de rechtbank bij afzonderlijke beslissing de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst tot aan de dag van de nader te bepalen volgende terechtzitting. De bijzondere voorwaarden waaronder deze schorsing heeft plaatsgevonden betreffen een meldplicht bij Centrum Maliebaan, verblijf op het adres van de ouders van verdachte met een verplichting voor eventuele verhuizingen toestemming te vragen bij Centrum Maliebaan, een behandeling bij De Waag, een behandeling bij de verslavingszorg van Centrum Maliebaan en een contactverbod met [slachtoffer].

2.2 Ingekomen stukken sedert tussenvonnis

Sedert voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank allereerst kennisgenomen van het rapport van Centrum Maliebaan d.d. 02 maart 2011. In dit rapport heeft Centrum Maliebaan verslag uitgebracht van het verloop van de nakoming van de diverse voorwaarden. Vermeld wordt dat verdachte de eerste twee voorwaarden zoals opgenomen in de beschikking schorsing voorlopige hechtenis goed is nagekomen. Hij heeft zich volgens de afspraken gemeld en is met toestemming verhuisd naar zijn huidige adres.

Voor wat betreft de behandeling bij De Waag luiden de bevindingen als volgt. Ten gevolge van wachtlijsten en ziekte van de zijde van De Waag heeft na de intake slechts één gesprek plaatsgevonden. Bij de intake bleek bij verdachte echter geen hulpvraag te bestaan en toonde hij geen intrinsieke motivatie. Ook bij Centrum Maliebaan toonde verdachte geen hulpvraag. Volgens hem was geen sprake van een alcoholprobleem. Geconstateerd is dat verdachte geen inzicht heeft in zijn problematiek, dat geen sprake is van ziekte-inzicht en dat er geen intrinsieke motivatie bestaat tot verandering. Zonder verplichting zou hij zich niet hebben gemeld. Indien geen verandering zal plaatsvinden in de houding van verdachte, is het voor Centrum Maliebaan niet mogelijk een passende behandeling aan te bieden, aldus het rapport.

Met betrekking tot het contactverbod is gemeld dat wel meerdere keren contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer]. Volgens verdachte nam [slachtoffer] hiertoe echter steeds het initiatief.

De conclusie van de reclassering luidt dat verdachte op geheel instrumentele wijze omgaat met de gestelde voorwaarden en dat op deze wijze geen daadwerkelijke inhoud kan worden gegeven aan het toezicht. Indien de rechtbank van oordeel is dat het bewezen verklaarde feit ISD-waardig is, wordt dan ook geadviseerd om vanuit de ISD toe te werken naar een klinische behandeling.

Ter terechtzitting heeft mevrouw A. Nobel van de reclassering voornoemd advies bevestigd. Daarbij heeft zij wel de kanttekening geplaatst dat het traject bij zowel De Waag als Centrum Maliebaan nog nauwelijks tot stand is gekomen, zodat op grond daarvan nog niet kan worden geconcludeerd of een ambulante behandeling haalbaar is. De problemen met betrekking tot de motivatie van verdachte vormen echter een herhaling van eerdere pogingen hem te behandelen. De eerste signalen voor het welslagen van een ambulante behandeling zijn dan ook negatief. Dit wordt ondersteund door de bevindingen tijdens huisbezoeken. Hierbij werd verdachte tenminste één keer aan het bier aangetroffen.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het proces-verbaal van aangifte van verdachte tegen diens ex-vriendin [slachtoffer]. Hierin heeft verdachte verklaard dat hij tijdens een feestje in februari 2011 door [slachtoffer] in zijn gezicht is gestoken en met iets op zijn achterhoofd is geslagen. Hij zou op 12 februari 2011 rond 20:00 uur op dat feestje zijn gearriveerd, aldus verdachte, voordat [slachtoffer] rond 20:30 uur zich bij het gezelschap zou hebben gevoegd. Zijn alcoholgebruik gedurende de hele avond bedroeg volgens verdachte ongeveer zes halve liters bier. Het feit zou hebben plaatsgevonden op 13 februari 2011 te 01:38 uur.

Ter terechtzitting heeft verdachte over het incident in februari verklaard dat het een feestje betrof in een ruimte van circa 25m². Ze waren daar in totaal met vijf personen. Toen hij op het punt stond weg te gaan, ging het mis tussen hem en [slachtoffer]. Voorafgaand aan dat moment, had geen onenigheid tussen hem en [slachtoffer] plaatsgevonden. Hij was de hele avond ook niet in haar buurt gaan zitten, aldus verdachte.

2.3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft thans gevorderd aan verdachte alsnog de maatregel ISD op te leggen voor de duur van twee jaren. Zij acht dit wenselijk en noodzakelijk. Gelet op het rapport van de reclassering bestaat bij de officier van justitie niet langer het vertrouwen dat verdachte met voldoende motivatie zal meewerken aan een ambulante behandeling. Voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting van 24 september 2010 stond zij -ondanks haar voorstel daartoe - al enigszins twijfelachtig tegenover een ambulante behandeling en met de bevindingen uit het laatste rapport zijn deze twijfels versterkt. Er blijkt wederom een gebrek aan motivatie en ziekte-inzicht, hetgeen de noodzaak van duidelijke kaders onderstreept. Ook het incident in februari 2011 laat zien dat verdachte onvoldoende inzicht heeft in probleemsituaties en dat hij omstandigheden die tot problemen leiden niet tijdig uit de weg gaat. Dat het behandelplan buiten toedoen van verdachte nauwelijks tot stand is gekomen, maakt in de visie van de officier van justitie niet dat aan verdachte opnieuw een kans moet worden geboden.

2.4 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht verdachte alsnog vrij te spreken. Volgens de raadsman onderstreept het incident van 13 februari jl. dat de aangifte die [slachtoffer] in juni 2010 tegen verdachte heeft gedaan, niet geloofwaardig is.

Subsidiair is de verdediging van mening dat aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel, dan wel een andere voorwaardelijke veroordeling moet worden opgelegd. Volgens de raadsman heeft verdachte geen voorwaarden overtreden. Hij heeft zich steeds aan de afspraken gehouden en heeft zelf geen contact gezocht met [slachtoffer]. Daarnaast kan het in de visie van de raadsman niet in het nadeel van verdachte werken dat hij op instrumentele wijze met voorwaarden omgaat. Voor verdachte is dit de manier om aan zijn problemen te werken.

Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de beslissing voor wat betreft de straftoemeting opnieuw moet worden aangehouden in afwachting van het verloop van de behandelingen bij De Waag en Centrum Maliebaan en het advies dat de professionele behandelaars naar aanleiding daarvan nog moeten geven.

2.5 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank benadrukt allereerst dat zij in dit kader alleen een beslissing heeft te, en derhalve zal nemen met betrekking tot de op te leggen straf of maatregel. De eindbeslissing voor wat betreft de bewezenverklaring, de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte is al genomen bij tussenvonnis d.d. 08 oktober 2010. Gelet hierop zal de rechtbank niet ingaan op het primaire verzoek van de raadsman, waarbij hij heeft gepersisteerd ook nadat de rechtbank hem op het voorgaande heeft gewezen.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in haar eis tot het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is.

Bij de keuze tot het opleggen van deze maatregel heeft de rechtbank gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juni 2010, het psychiatrische rapport d.d. 23 augustus 2010, opgemaakt door E.J. Spuijbroek en E.A.M. Schouten, het reclasseringsadvies van 11 augustus 2010 van Centrum Maliebaan, opgesteld door E.R. Jap-A-Joe, de nadere toelichting die L. van Os van de reclassering ter terechtzitting van 24 september 2010 als deskundige op voormeld reclasseringsadvies heeft gegeven, het aanvullende rapport van Centrum Maliebaan d.d. 02 maart 2011 opgemaakt door C. Buist, reclasseringswerker en de toelichting daarop ter terechtzitting van 04 maart 2011 gegeven door A. Nobel.

Aan de hand van voornoemd Uittreksel uit de Justitiële Documentatie heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte voldoet aan de formele criteria die aan de oplegging van de ISD maatregel door de wet zijn gesteld. Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. De misdrijven waarvoor verdachte gedurende de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit is veroordeeld betreffen onder meer een veroordeling op 02 maart 2010 voor mishandeling van zijn levensgezel, een veroordeling op 22 januari 2009 voor mishandeling en vernieling, een veroordeling op 4 maart 2008 voor vernieling en een veroordeling op 10 oktober 2008 voor mishandeling, meermalen gepleegd. De mishandelingen vonden steeds plaats in de huiselijke sfeer. Voorts is het onderhavige feit begaan na tenuitvoerlegging van de straffen of maatregelen voor voornoemde veroordelingen en dient ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gelet op de aard van de misdrijven waarvoor verdachte telkens is veroordeeld, eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel.

De diverse rapporten en de toelichting daarop ter terechtzitting laten zien dat verdachte te kampen heeft met onder meer agressie- en alcoholproblematiek. Tot op heden is meermalen geprobeerd om verdachte hulp en begeleiding te verlenen, maar heeft dit nooit tot een bevredigend resultaat geleid. Veelal was het verdachte die onvoldoende motivatie en inzet toonde om een passende behandeling te ondergaan. Na het tussenvonnis van 08 oktober 2010 was de trage start van de behandelingen weliswaar vooral te wijten aan oorzaken die buiten de invloedssfeer van verdachte lagen, maar de houding van verdachte in de gesprekken die wel hebben plaatsgevonden, was veelzeggend en gaf weinig vertrouwen in een voorspoedig verloop van de behandeling. Uit zijn verklaring ter terechtzitting blijkt dat de motivatie van verdachte om geen alcohol meer te nuttigen niet uit hemzelf komt, maar is ingegeven door vrees voor nieuwe contacten met justitie. Alleen op momenten dat hem een alcoholcontrole te wachten staat, heeft hij zich van alcoholgebruik onthouden. Op andere momenten zag hij daar de noodzaak kennelijk niet van in. Een voorbeeld hiervan is het feestje in februari, alwaar hij naar eigen opgave zes halve liters bier dronk. Dit laat zien dat verdachte niet in staat is zonder strakke kaders aan zijn alcoholprobleem te werken. Ook de omstandigheid dat hij niet uit eigen beweging wegging van een feestje in een kleine ruimte waar hij zich tegelijk met [slachtoffer] bevond, toont dat de bedoeling achter het contactverbod voor verdachte geen of weinig betekenis had. Dat [slachtoffer] eerst na verdachte op het feestje arriveerde, doet aan het voorgaande niet af. Indien bij verdachte intrinsieke motivatie had bestaan de voorwaarden na te leven, had hij kort na haar komst de ruimte verlaten. Verdachte heeft zich aan de woordelijke betekenis van het contactverbod gehouden, maar heeft niet laten zien dat hij heeft begrepen dat het contactverbod ertoe diende nieuwe conflictsituaties tussen hem en [slachtoffer] te voorkomen.

De rechtbank heeft de beslissing voor wat betreft de straftoemeting bij tussenvonnis d.d. 08 oktober 2010 aangehouden, omdat de reclassering nog mogelijkheden zag voor een ambulante behandeling. Nu verdachte onvoldoende motivatie heeft getoond deze laatste kans te grijpen en de reclassering ook niet langer vertrouwen in verdachte heeft geuit, ziet de rechtbank alsnog aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van deze maatregel recht doet aan de situatie waarin verdachte zich thans bevindt.

Ter bescherming van de maatschappij zal de rechtbank de gevorderde ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren opleggen. Om de recidive te beëindigen en tot een zo optimaal mogelijke oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

De rechtbank zal, met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bepalen dat de officier van justitie binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank hieromtrent dient te berichten.

3 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft in verband met de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel gevorderd de voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 22 januari 2009 niet ten uitvoer te leggen.

De raadsman heeft zich ook verzet tegen de tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de verlengde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat zij de tenuitvoerlegging van deze straf gelet op de op te leggen ISD-maatregel niet opportuun acht.

4 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

5 De beslissing

De rechtbank:

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

- bepaalt dat het verloop van deze maatregel tussentijds dient te worden beoordeeld na zes maanden.

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mrs. A.G. van Doorn en M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 maart 2011.