Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV6720

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-10-2011
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
16/600693-11 en 16/513592-09 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van mishandeling. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat het beroep van verdachte op noodweer slaagt. De rechtbank acht het bewezenverklaarde derhalve niet strafbaar. Verdachte dient terzake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600693-11 en 16/513592-09 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovengenoemd parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

primair: heeft gepoogd [slachtoffer 1] van het leven te beroven;

subsidiair: heeft gepoogd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

meer subsidiair: zich samen met (een) ander(en) aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] heeft schuldig gemaakt;

meest subsidiair: [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

2.

primair: heeft gepoogd [slachtoffer 2] van het leven te beroven;

subsidiair: heeft gepoogd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

meer subsidiair: [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van noodweer en dat verdachte derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] tegen het hoofd heeft geschopt. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op essentiële punten van elkaar afwijken. Voorts vertonen deze verklaringen op essentiële punten lacunes, mogelijk (mede) veroorzaakt door alcoholgebruik. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet consistent verklaard: hun verklaringen bij de politie wijken op onderdelen af van hun verklaringen bij de rechter-commissaris en de twee verklaringen van [slachtoffer 1] bij de politie afgelegd komen onderling niet geheel overeen.

De verklaring van verdachte daarentegen vindt steun in de verklaring(en) van [getuige] (die bij de politie en de rechter-commissaris overeenkomstig heeft verklaard).

De verdachte heeft ter terechtzitting in grote lijnen hetzelfde verklaard als bij de politie.

Voorts overweegt de rechtbank dat voor het aanwezige hoofdletsel er ook andere mogelijke oorzaken zijn (een worsteling, waarbij de vechtenden in een droge greppel met stenen zijn gerold wat betreft [slachtoffer 2] respectievelijk klappen in het gezicht wat betreft [slachtoffer 1]).

Gelet hierop komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair, het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van de openlijke geweldpleging zoals deze onder 1 meer subsidiair ten laste is gelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Hiervoor is reeds overwogen dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] tegen het hoofd heeft geschopt. Daarnaast kan om min of meer dezelfde redenen niet bewezen worden dat er sprake is geweest van enig geweld van verdachte richting [slachtoffer 1] in die zin van het ten laste gelegde schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 1]. Aangever [slachtoffer 1] is niet consistent in zijn verklaringen over de handelingen van verdachte jegens hem en bovendien wordt hij in zijn verklaringen niet ondersteund door andere verklaringen in het dossier.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde openlijke geweldpleging ten aanzien van [slachtoffer 1] voorts dat uit de stukken valt af te leiden dat op een gegeven moment twee groepjes van vechtenden zijn ontstaan. [getuige] was in een handgemeen verwikkeld met [slachtoffer 1] en verdachte met [slachtoffer 2]. [getuige] heeft bij de politie verklaard [slachtoffer 1] hierbij te hebben geslagen. Verdachte was naar het oordeel van de rechtbank niet betrokken bij het handgemeen tussen [getuige] en [slachtoffer 1], hetgeen niet alleen valt af te leiden uit de verklaringen van verdachte en [getuige], maar ook uit de verklaring van [slachtoffer 2]. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan het door [getuige] gepleegde geweld tegen [slachtoffer 1], zodat niet bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] heeft gepleegd.

Verdachte zal gelet op het bovenstaande niet alleen worden vrijgesproken van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit, maar ook van de meest subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 1].

4.3.2 Bewezenverklaring

Op 9 juli 2011 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van mishandeling gepleegd door verdachte. Op diezelfde dag hebben verbalisanten verdachte verhoord. Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht met [getuige] (de rechtbank begrijpt: [getuige]) in het centrum van Wijk bij Duurstede liep en zij daar twee jongens tegenkwamen (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]). Deze jongens scholden hen uit. Vervolgens liepen verdachte en [getuige] door, maar de twee jongens liepen achter hen aan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een duw kreeg van [slachtoffer 2] en dat hij vervolgens een klap kreeg van [slachtoffer 1]. Toen [slachtoffer 2] vervolgens dreigend op hem afkwam, heeft verdachte hem een klap gegeven. Hij sloeg hem met een vuist in zijn gezicht.

In het dossier bevindt zich geen medische verklaring waaruit kan worden afgeleid of [slachtoffer 2] letsel dan wel pijn heeft ondervonden naar aanleiding van de mishandeling door verdachte. De rechtbank overweegt echter dat het een feit van algemene bekendheid is dat er sprake is van enige mate van pijn als iemand een klap/stomp in zijn gezicht krijgt. Derhalve kan, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling onder feit 2.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

Meer subsidiair:

op 09 juli 2011 te Wijk bij Duurstede, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] tegen diens

gezicht heeft geslagen of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat dit beroep niet kan slagen.

De vraag ligt ter beoordeling of de voorwaarden voor de aanvaarding voor het beroep op noodweer zijn vervuld. Daartoe is vereist dat een feit wordt begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank stelt allereerst vast dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring van verdachte, nu deze steun vindt in de verklaring(en) van [getuige], terwijl de verklaringen van aangevers wisselend en daarmee niet consistent zijn. Uit de verklaring van verdachte en [getuige], deels bevestigd door de aangevers, kan worden afgeleid dat verdachte en [getuige] werden uitgedaagd en achtervolgd door aangevers, waarvan één van hun een petje van [getuige] afpakte. Daarop ontstond een woordenwisseling . De twee aangevers waren in de stad geweest en hadden alcohol gedronken. Verdachte en [getuige] kwamen op hetzelfde moment van hun werk en hadden niet gedronken. Op enig moment kreeg verdachte een duw van [slachtoffer 2] en vervolgens een klap van [slachtoffer 1]. Hierna kwam [slachtoffer 2], die ondertussen zijn jas had uitgedaan en een kop groter is dan verdachte, dreigend op verdachte af. De rechtbank is van oordeel dat de situatie voor verdachte dermate bedreigend was, dat weglopen onder de gegeven omstandigheden niet als een reëel alternatief kon worden beschouwd. Verdachte mocht er van uitgaan dat het duwen van [slachtoffer 2] en de klap van [slachtoffer 1] slechts het begin waren van jegens de verdachte uit te oefenen geweldplegingen door onder meer [slachtoffer 2].

Vervolgens moet worden beoordeeld of tegen deze aanranding de gevoerde verdediging noodzakelijk en geboden was. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Daarbij is van belang dat de gevoerde verdediging in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (de zogenaamde proportionaliteitseis). Gelet op het bovenstaande kon van verdachte niet worden verlangd dat hij de nog te verwachten geweldplegingen over zich heen liet komen, zonder zich te verweren. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het geven van een klap/stomp niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep van verdachte op noodweer slaagt. De rechtbank acht het bewezenverklaarde derhalve niet strafbaar. Verdachte dient terzake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 535,00.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden gematigd tot een bedrag van € 285,00. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt. De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de proeftijd reeds was verstreken ten tijde van het tenlastegelegde. De raadsman heeft zich hierbij aangesloten.

De rechtbank stelt – met de officier van justitie en de raadsman – vast dat de proeftijd reeds was verstreken voor de pleegdatum van de onderhavige ten laste gelegde feiten. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair, alsmede hetgeen onder 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk in zijn vordering.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Vordering tenuitvoerlegging

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering.

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Velden, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en

mr. I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 oktober 2011.

Mr. I. Bruna is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.