Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV6677

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
16/600695-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600695-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. V.J.P. Tuma, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 26 juni 2011 tot en met 10 juli 2011 in XTC-pillen, bevattende MDMA, heeft gehandeld.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit, gelet op het dossier, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er zijn geen onregelmatigheden in het dossier aangetroffen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen , het rapport Opiumwet , het NFI-rapport en de bekennende verklaring van de verdachte bij zowel de politie als de rechter-commissaris . De verdachte heeft zijn bekentenis ter zitting bevestigd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 2 juli 2011 tot en met 10 juli 2011 te Baarn opzettelijk heeft vervoerd,

ongeveer 60 pillen (XTC), bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

hij in de periode van 2 juli 2011 tot en met 10 juli 2011 te Baarn opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt,

ongeveer 4 pillen (XTC), bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- een werkstraf voor de duur van 60 uren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, een vervangende hechtenis van 30 dagen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om naast een werkstraf van 60 uur geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals wel door de officier van justitie is gevorderd. Dit gelet op de aard van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de landelijke oriëntatiepunten en de persoon van de verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Bij verdachte is een handelshoeveelheid XTC-pillen aangetroffen, die hij een aantal dagen daarvoor van zijn medeverdachte had gekocht. Verdachte had reeds vier pillen verkocht. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte op grote schaal in drugs dealde, maar wel dat hij drugs verkocht aan anderen om daar mee geld te kunnen verdienen. De rechtbank is van oordeel dat het verkopen van harddrugs een ernstig feit is. MDMA, de werkzame stof in XTC-pillen, is immers een stof die schadelijk is voor de gezondheid. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat gebruikers van harddrugs, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs mee dat een zwart geld circuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank heeft gelet op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, zoals weergegeven in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS). Volgens die oriëntatiepunten is drie maanden (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf het uitgangspunt voor het verkopen van gebruikershoeveelheden harddrugs op straat gedurende een periode korter dan een maand. De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte van de bewezenverklaarde (handels)hoeveelheid pillen slechts vier pillen heeft verkocht en dat niet is gebleken van handel in harddrugs over een langere periode dan een week en ziet daarin aanleiding om naar beneden af te wijken van het oriëntatiepunt.

Wat betreft de persoon van de verdachte, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- Volgens de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 augustus 2011, is verdachte in het verleden niet eerder veroordeeld;

- Uit het (beknopt) reclasseringsadvies d.d. 12 juli 2011 blijkt dat verdachte een redelijk stabiele leefsituatie heeft. Er zijn geen problemen op de verschillende leefgebieden geconstateerd.

- Volgens verdachtes verklaring ter terechtzitting is hij zijn baan door het bewezenverklaarde verloren, maar heeft hij inmiddels een nieuwe full-time baan gevonden;

De rechtbank weegt deze omstandigheden ten gunste van de verdachte mee bij de strafoplegging.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met alleen een taakstraf. Alles in aanmerking nemende, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Met de voorwaardelijke straf beoogt de rechtbank de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van een maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mrs. M.J. Veldhuijzen en R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 oktober 2011.

Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.