Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV6663

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
16/710981-09.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Utrecht

Sector straf

zaaknummer v.i.: 99-000079-21

parketnummer: 16/710981-09

Beslissing van de rechtbank d.d. 27 oktober 2011 op een vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

in de zaak tegen de veroordeelde

[veroordeelde],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

verschenen is raadsvrouwe mr. A.J. van der Velden, advocaat te Utrecht (niet gemachtigd).

Veroordeelde is op 8 september 2009 door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek.

De voorwaardelijke invrijheidstelling is bij besluit van 2 december 2010 verleend.

De officier van justitie heeft op 23 augustus 2011 schriftelijk gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde zal worden herroepen, nu veroordeelde zich niet aan de bijzondere voorwaarden, welke aan de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn verbonden, heeft gehouden. Deze vordering is op diezelfde dag door de griffie van de rechtbank ontvangen.

De behandeling ter terechtzitting

De behandeling van deze vordering heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 oktober 2011. De officier van justitie heeft daar haar standpunt toegelicht. De veroordeelde is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gehandhaafd en in haar visie dient herroeping van de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling plaats te vinden.

De beoordeling

Het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling is op 12 november 2011 aan de veroordeelde in persoon betekend. Daarin is opgenomen dat veroordeelde zich gedurende de voorwaardelijke invrijheidstelling met een proeftijd van 300 dagen heeft te houden aan de volgende bijzondere voorwaarden:

- de ARVA training moet volgen en afmaken;

- zich binnen 5 werkdagen na invrijheidsstelling en vervolgens gedurende de gehele proeftijd bij Reclassering Nederland (Unit Justitiële Nazorg Amsterdam) zal melden, zo vaak als deze reclasseringsinstelling dit nodig acht. Veroordeelde dient zich derhalve te houden aan de aanwijzingen en opdrachten van Reclassering Nederland.

Uit het rapport van Reclassering Nederland d.d. 9 augustus 2011, volgt onder meer dat veroordeelde diverse malen niet is verschenen bij zowel de ARVA training als de meldplicht afspraken. Hiervoor heeft veroordeelde op 24 maart 2011 een officiële waarschuwing gekregen, waarna op 6 juni 2011een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de Advocaat-Generaal van het parket te Arnhem en veroordeelde. Daarna is veroordeelde wederom meermalen niet verschenen bij de meldplicht afspraken.

De conclusie van het rapport luidt dat veroordeelde zijn verantwoordelijkheid niet neemt en, ondanks een officiële waarschuwing, de hem opgelegde bijzondere voorwaarden niet nakomt. De reclassering ziet hierdoor geen verdere mogelijkheden om het toezicht voort te zetten.

De rechtbank stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden gesteld aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling.

De rechtbank is van oordeel dat er termen zijn de vordering van de officier van justitie toe te wijzen. De rechtbank ziet in de gang van zaken, zoals geschetst in het advies van Reclassering Nederland, geen enkele aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De vordering tot herroeping van de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling dient derhalve toegewezen te worden.

De rechtbank overweegt tot slot het volgende. In het Besluit voorwaardelijke invrijheidstelling wordt als ingangsdatum van de voorwaardelijke invrijheidstelling 5 december 2010 genoemd. In de Bevestiging start toezicht v.i. van 24 december 2010 wordt gesteld dat veroordeelde op 17 december is vrijgekomen. Dit zou kunnen betekenen dat de in het Besluit genoemde ingangsdatum onjuist is. Een tweede mogelijkheid is dat verdachte nog enige dagen uit andere hoofde gedetineerd heeft gezeten. Een derde mogelijkheid is dat de ingangsdatum die in het besluit wordt genoemd juist is, maar dat veroordeelde abusievelijk 12 dagen te laat in vrijheid is gesteld.

Uit het dossier blijkt niet welke van bovengenoemde mogelijkheden de juiste is. De rechtbank wijst daarom de volledige periode van 300 dagen toe, met dien verstande dat in het geval veroordeelde abusievelijk te laat in vrijheid is gesteld, de hiervoor genoemde 12 dagen in mindering dienen te worden gebracht op deze periode.

Toepasselijke artikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15g, 15i en 15j van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 300 dagen, voorzover van toepassing met aftrek van het aantal dagen dat van deze periode reeds ten uitvoer is gelegd.

Deze beslissing is gegeven door mr. S. Wijna, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en L.M.G. de Weerd, rechters, bijgestaan door mr. M. van der Meulen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2011.