Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV6430

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
16/600777-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor telkens bedreiging met zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600777-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in het Motivatiecentrum, gebouw Eykman te Den Dolder.

Raadsman mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: primair: heeft gepoogd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

subsidiair: [slachtoffer] met een mes heeft bedreigd;

feit 2: [slachtoffer] woordelijk heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit stelt de officier van justitie zich eveneens op het standpunt dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat dit een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht oplevert.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte in lijn met de uitspraak van het Hof van Justitie Salduz voorafgaand aan het afnemen van de eerste verklaring bij de politie een raadsman toegevoegd had moeten krijgen, nu hij, net zo als minderjarigen, zelf niet in staat moet worden geacht daarvan afstand te kunnen doen. Naar de mening van de raadsman geldt dit ook voor mensen met een verstandelijke beperking, zoals verdachte, die zwakbegaafd is. Dit klemt, naar de mening van de raadsman, des te meer nu de verdenking, op het moment van het eerste verhoor, poging doodslag betrof. De enige sanctie die daarop moet volgen is uitsluiting van de verklaring van verdachte voor het bewijs, zoals uit de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2011 LJN BQ 8907 is af te leiden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen opzet heeft gehad op de beide ten laste gelegde feiten en derhalve van deze feiten vrijgesproken moet worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Salduz

De rechtbank overweegt ten aanzien van het door de raadsman gevoerde Salduz-verweer dat zij hier niet aan toe komt, nu verdachte -zelfs indien de eerste verklaring bij de politie meegenomen zou worden bij de bewijsbeoordeling - zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, .

Vrijspraak

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gepoogd met het mes aangever [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank overweegt dat aangever heeft verklaard dat verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van aangever. Verdachte heeft dit alleen bij zijn eerste verhoor bij de politie verklaard. In alle latere verhoren heeft hij ten stelligste ontkend stekende bewegingen te hebben gemaakt. Verdachte heeft ter zitting verklaard met het mes te hebben gezwaaid, maar geen stekende bewegingen te hebben gemaakt. Daarbij dient in ogenschouw genomen te worden dat verdachte bijna niet zijn woning uit gegaan is, aangever buiten de woning veel ruimte om zich heen had, op aanzienlijke afstand van verdachte is gebleven en wist dat verdachte in vele eerdere aanvaringen nimmer agressief was geweest. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er wellicht wettig, maar geen overtuigend bewijs is voor het steken in de richting van aangever en/of lopen in de richting van aangever met het opzet om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Gelet hierop komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dit blijkt uit:

- de aangifte ;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting .

De rechtbank is van oordeel dat ook het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er ligt een aangifte van [slachtoffer] waaruit blijkt dat verdachte op 1 augustus 2011 te Amersfoort tegen aangever heeft gezegd: “ik steek je helemaal lek” . Dit wordt ondersteund door getuige [getuige] die heeft verklaard dat zij op de galerij stond en de stem van verdachte herkende die zei: “ik steek je lek” .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 1 augustus 2011 te Amersfoort, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes op die [slachtoffer] (af)gelopen;

2.

op 1 augustus 2011 te Amersfoort, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek je helemaal lek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voorzover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft een beroep gedaan op (putatief) noodweer.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie en dat voor putatief noodweer objectief moet blijken dat verdachte zich heeft vergist in de situatie. Volgens de officier van justitie is dat hier niet aan de orde..

De rechtbank verwerpt het beroep op (putatief) noodweer. Uit de hiervoor aangehaalde verklaringen volgt dat het verdachte was die boos werd toen de buurman (onder andere met zijn sleutels) op de voordeur van verdachte aanklopte en dat verdachte vervolgens een mes heeft gepakt en woorden heeft gebruikt om zijn buurman weg te jagen. Uit niets blijkt dat op enig moment sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens verdachte. Verdachte wordt zowel in de aangifte als ook in de getuigenverklaring juist aangewezen als de agressor. Ook uit de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat verdachte zijn buurman weg wilde krijgen en niet dat hij zichzelf wilde/moest verdedigen.

Gelet op het voorgaande was van een noodweersituatie geen sprake.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van zodanige feiten en omstandigheden dat verdachte gerechtvaardigd in de veronderstelling heeft verkeerd dan wel heeft kunnen verkeren dat hij zich tegen het latere slachtoffer moest verdedigen op de wijze zoals bewezen verklaard.

Het beroep op putatief noodweer wordt derhalve eveneens verworpen.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair, feit 2:

telkens bedreiging met zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

5.2.1 De standpunten van de verdediging en van de officier van justitie

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er geen sprake is van opzet bij verdachte, aangezien verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, dan wel dat er sprake is van psychische overmacht dan wel noodweerexces. De raadsman stelt daartoe dat verdachte, gelet op zijn persoonlijkheidsstoornis gecombineerd met externe factoren – het tikken van de buurman op de deur van verdachte – niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan aangezien ieder inzicht van verdachte in zijn handelen ontbrak. De officier van justitie heeft zowel betwist dat verdachte geen opzet heeft gehad door zijn psychische toestand als ook dat er sprake zou zijn van psychische overmacht, nu verdachte verschillende andere mogelijkheden had om te reageren.

5.2.2 Het oordeel van de rechtbank

Toerekeningsvatbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door

dr. D.J. Burck, gz-psycholoog, en drs. M.L.I.M. van Thiel, psychiater, die op respectievelijk

3 en 6 oktober 2011 een rapport hebben uitgebracht.

Deze beide deskundigen komen min of meer tot dezelfde conclusies. Uit het rapport van Burck blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. Daarnaast is hij lijdende aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een depressie met agitatie en psychotische trekken. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten verkeerde verdachte in een depressieve toestand. Het ging lichamelijk niet goed met hem en hij voelde zich bedreigd door zijn buren. Door het isolement waarin hij verkeerde is het gevoel van uitzichtloosheid en bedreiging een eigen leven gaan leiden en heeft steeds meer paranoïde vormen aangenomen. Verdachte heeft zich door de buurman die aanklopte om te vragen of het wat zachter kon, bedreigd gevoeld. Gezien de beperkingen van zijn verstandelijke vermogens en het isolement waarin hij door de depressie verkeerde, kon hij de situatie niet meer overzien en waren zijn handelingsalternatieven zodanig beperkt dat hij kennelijk geen andere mogelijkheid heeft gezien dan de bedreigende buurman met een mes op afstand te houden. Burck is van mening dat verdachte derhalve sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

Uit het rapport van Van Thiel blijkt dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de zin van zwakbegaafdheid. Tevens is hij lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, in de zin van atypische depressieve stoornis en amfetamineafhankelijkheid. Ten gevolge van zijn zwakbegaafdheid heeft verdachte een verminderd relativeringsvermogen en kan hij zijn reacties minder nuanceren. Bovendien kan hij door zijn verstandelijke beperking situaties minder overzien. Door de bij zijn depressie horende sterk verhoogde achterdocht voelde hij zich door zijn omgeving bedreigd. Op het moment dat de buurman op zijn raam tikte schrok hij dusdanig dat hij zijn territorium op impulsieve wijze meende te moeten afbakenen en uit zelfverdediging een dreigend agressieve houding aannam. Verdachte kan op grond van het voorgaande als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd, aldus Van Thiel.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de sterk verminderde toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare. De rechtbank ziet – anders dan de raadsman – geen aanwijzing om aan te nemen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, nu verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij boos was, het zwart voor zijn ogen werd en hij de buurman weg wilde krijgen. Uit deze verklaring blijkt dat verdachte enig inzicht in zijn handelen had en dat er daarom sprake van opzet in de zin van de wet was.

Psychische overmacht

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat sprake is van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. Zo de reactie van verdachte op het tikken van aangever op de deur als bedreigend kan worden beschouwd, dan nog had verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. Hij had immers de deur niet open kunnen doen en aan zijn buurman kunnen vragen om weg te gaan. De rechtbank heeft kennis genomen van bovenstaande rapporten van Burck en Van Thiel. Uit deze rapporten blijkt dat bij verdachte weliswaar sprake is van een persoonlijkheidsstoornis die van invloed is geweest op zijn handelen. Echter, deze stoornis is niet van dien aard geweest –zo begrijpt de rechtbank het rapport van de psycholoog en de psychiater- dat verdachte niet meer de keuze had om anders te reageren op het moment dat hij zich bedreigd voelde. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake was van psychische overmacht en verwerpt dit beroep.

Noodweerexces

De raadsman heeft tevens een beroep gedaan op noodweerexces.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat nu er –zoals overwogen onder 5.1 – geen sprake is van een noodweersituatie, er ook geen sprake kan zijn van noodweerexces.

Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 123 dagen met aftrek, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact inclusief een meldingsgebod en behandelverplichting en inclusief de verplichting om mee te werken aan een klinische behandeling in De Wier of een door het IFZ/reclassering te bepalen geschikte inrichting van maximaal 12 maanden of zoveel korter als de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht. Daarnaast zal verdachte zijn verblijf in Eykman voorzetten zo lang de klinische behandeling nog geen aanvang heeft genomen. Verder zal verdachte na de klinische behandeling verblijven in een begeleid wonen instelling, door de reclassering te bepalen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank – ondanks het verweer van de raadsman – tot een bewezenverklaring zou komen, verdachte zich kan vinden in de eis van de officier van justitie nu behandeling van verdachte noodzakelijk is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zowel een woordelijke bedreiging van zijn buurman als ook een bedreiging met een mes. Dat zijn heel ernstige feiten. Verdachte heeft er bij deze feiten blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor andere personen. De door verdachte gepleegde feiten dragen bij aan het ontstaan van gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten;

- een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland van 9 november 2011, opgemaakt door A. Schreurs, reclasseringswerker en de toelichting van A. Schreurs en R.C. Boon ter terechtzitting. Het is volgens de reclassering van belang dat verdachte zich laat behandelen en dat hij na de behandeling in een begeleid wonen vorm terecht komt. Door de reclassering wordt derhalve geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een opname in De Wier of een soortgelijke instelling.

De verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat hij bereid en gemotiveerd is om aan een behandeling mee te werken.

De rechtbank is van oordeel dat alles afwegende de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Gezien de problematiek van verdachte, dient van deze gevangenisstraf een deel voorwaardelijk te worden opgelegd om een klinische behandeling mogelijk te maken. De rechtbank zal van de gevangenisstraf een deel van 100 dagen voorwaardelijk opleggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering Nederland en een klinische behandeling mogelijk.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten opleveren:

feit 1 subsidiair, feit 2:

telkens bedreiging met zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 123 dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 100 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

*dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens

Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang en zo frequent als die

reclasseringsinstelling dat nodig acht;

*de verplichting dat de veroordeelde zal meewerken aan een onder auspiciën van de Reclassering in te richten behandeltraject, waarvan in ieder geval een deel een intramurale behandeling zal betreffen, waarbij geldt dat verdachte voor dat intramurale deel ook zal hebben te verblijven in De Wier of een inrichting te bepalen door het IFZ/reclassering, dat hiertoe een inrichting zal aanwijzen waar feitelijke invulling aan een dergelijke intramurale behandeling zal kunnen worden gegeven. Het intramurale deel van de behandeling van veroordeelde zal 12 maanden duren, of zoveel korter als de leiding van de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

*de verplichting dat de veroordeelde zijn verblijf in Eykman zal voorzetten zo lang de intramurale behandeling nog geen aanvang heeft genomen;

*de verplichting dat de veroordeelde zal meewerken aan een begeleid wonen vorm na afloop van de intramurale behandeling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

Voorlopige hechtenis

- Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 november 2011.