Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV6399

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-09-2011
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
16/504204-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/504204-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats]

wonende te ([postcode]) [woonplaats], [adres]

raadsvrouwe mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 28 februari 2011 en

12 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: heeft gepoogd – al dan niet met voorbedachten rade – [slachtoffer] te doden;

subsidiair: heeft gepoogd – al dan niet met voorbedachten rade – [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

meer subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld, al dan niet met voorbedachten rade.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging moord dan wel poging doodslag, het primair ten laste gelegde feit. Bij gebrek aan adequate medische informatie en gezien de lichte steekwonden, kan niet worden geconcludeerd dat dit steken tot een aanmerkelijke kans op de dood heeft geleid. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel bewezen kan worden dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, de poging tot zware mishandeling. Dit heeft zij onderbouwd door te stellen dat vooral het steken in de borst, waar allerlei belangrijke organen dicht bij elkaar in de buurt liggen, gemakkelijk tot ernstig letsel kan leiden. De officier van justitie heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat ook bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, omdat er voldoende gelegenheid is geweest voor beraad.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit nu geen sprake is van voorbedachten rade en evenmin van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer]. Subsidiair heeft de raadsvrouwe zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Wetboek van Strafrecht. Daarom dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De bewijsmiddelen

Op 17 mei 2010 heeft [slachtoffer] een verklaring afgelegd bij de politie. Hij heeft toen verklaard dat hij op de avond van 15 mei 2010 met verdachte en een aantal vrienden naar een concert ging. Daarna ging hij met verdachte nog een biertje drinken en vervolgens gingen zij samen rond 02.00 uur (de rechtbank begrijpt: op 16 mei 2010) naar huis. Toen [slachtoffer] de slaapkamer binnen wilde gaan waar verdachte zich bevond, had zij een kleine koelkast voor de deur gezet. [slachtoffer] duwde de deur open en zette de koelkast aan de kant. Vervolgens kreeg [slachtoffer] een kopstoot en een klap van verdachte. Hij duwde haar van zich af en verdachte viel hierbij over de koelkast. Vervolgens hoorde hij verdachte zeggen:”Ga uit mijn huis, of ik steek je neer”. Hij zag dat zij naar de keuken liep en meteen daarna terug kwam met een mes in haar hand. [slachtoffer] zat op dat moment op het bed. Hij stond op toen verdachte de slaapkamer binnen kwam en zij stak hem toen met het mes in zijn borst. Vervolgens stak zij hem met het mes in zijn been. Daarna stak zij hem in zijn knie. De steekwond in het rechterbeen, ter hoogte van de knie, begon erg te bloeden. Toen verdachte het bloed zag, gaf ze [slachtoffer] een handdoek. [slachtoffer] heeft verdachte toen verzocht een ambulance te bellen en dit deed zij.

Op 4 april 2011 heeft [slachtoffer] bij de rechter-commissaris verklaard dat het mes hem in zijn borst heeft geraakt net onder zijn sleutelbeen, precies op de bovenste rib.

Op 16 mei 2010 omstreeks 03.43 uur heeft de politie aangebeld bij de woning aan de [adres] in Utrecht. Een vrouw, die geheel onder het bloed zat, deed de deur open. De verbalisant hoorde de vrouw zeggen: “Mijn vriend is gewond en ik heb hem gestoken”. Op de tweede etage van het huis een man op het bed aangetroffen. Zij zag dat de man hevig bloedde uit zijn rechter bovenbeen en bloedde uit de rechterzijde van zijn borst.

Op 16 mei 2010 werd tijdens een doorzoeking in de keuken op de tweede verdieping van de woning aan de [adres] in Utrecht op het aanrecht, achter het volle afwasrekje een groot vleesmes aangetroffen. Het vleesmes had een bruin houten handvat. De punt van het mes was aan beide zijden bebloed.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij die bewuste avond alcohol had gedronken en zich aangeschoten voelde. Vervolgens kregen verdachte en [slachtoffer] ruzie. Verdachte wilde [slachtoffer] niet de slaapkamer binnen laten. Verdachte heeft [slachtoffer] toen neergestoken. Verdachte vermoedt dat zij naar de keuken is gelopen en dat zij een mes heeft gepakt. Verdachte weet alleen nog dat zij allemaal bloed zag en dat zij heel erg schrok.

4.3.2 De bewijsoverweging

Opzet

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van het slachtoffer, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden, immers heeft verdachte het slachtoffer gestoken in de borststreek, net onder het sleutelbeen. Naar algemene ervaringsregels had dit gemakkelijk kunnen leiden tot de dood, gezien de vitale organen die zich daar bevinden. Dat er uiteindelijk weinig letsel is ontstaan bij het slachtoffer, in verband met het afstuiten van het mes op een rib, doet daar niet aan af. Indien verdachte het slachtoffer een paar centimeter er naast zou hebben geraakt, had het heel anders kunnen aflopen. Daarnaast heeft verdachte met enige kracht gestoken, immers is het mes door de kleren heen gegaan. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het opzet van de verdachte door het steken van het slachtoffer (tenminste) in voorwaardelijke zin was gericht op de dood van het slachtoffer.

Voorbedachten rade

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens over dient uit te laten is of er sprake is van poging tot moord dan wel poging tot doodslag.

Om tot een bewezenverklaring van moord te komen is het noodzakelijk dat er tijd en gelegenheid is geweest voor kalm beraad en rustig overleg. Hiervan is sprake

als komt vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het steken met het mes vond direct plaats na de mededeling van verdachte dat [slachtoffer] het huis moest verlaten en dat verdachte hem anders zou neersteken. Er verstrijken slechts enkele seconden tussen het moment van dreigen en het moment dat verdachte de slaapkamer daadwerkelijk binnenkomt met het mes. Dit is verklaarbaar gezien de ligging van de keuken direct naast de slaapkamer. Daarnaast leidt de rechtbank uit de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte af dat sprake was van een hectische situatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voor verdachte onvoldoende gelegenheid is geweest voor een moment van kalm beraad en rustig overleg om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachten rade. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.

Vrijwillige terugtred

Het verweer van de raadsvrouwe dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred volgt de rechtbank niet. Op grond van het voorgaande kan bewezen worden dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken met een mes in het been en in de borststreek, waarbij het mes is afgeketst op een rib van [slachtoffer]. Dat verdachte daarna spijt heeft gekregen van haar handelen, een handdoek heeft gepakt om zodat de wond kon worden afgebonden en op initiatief van [slachtoffer] 112 heeft gebeld, is onvoldoende om van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken. Het gebeurde kon niet ongedaan gemaakt worden.

Nu het primair ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, behoeft het verweer ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde geen verdere bespreking.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair.

op 16 mei 2010 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet,

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij hem neer zou steken en (vervolgens)

- een mes heeft gepakt en (vervolgens)

- die [slachtoffer] met dat mes in de borst en in een been heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

primair: poging tot doodslag.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van de verdachte laten voorlichten door

R. Bout, GZ-psycholoog, en drs. M.L,I.M. van Thiel, psychiater, die op respectievelijk

10 en 11 mei 2011 een rapport hebben uitgebracht.

Deze beide deskundigen komen min of meer tot dezelfde conclusies. Uit het rapport van Bout blijkt, dat diagnostisch gezien de kern van de problematiek van verdachte is dat er sprake is van problemen in de impulsbeheersing waardoor zij bij oplopende spanningen impulsief kan reageren. Daarbij is er sprake van misbruik van alcohol. Er zijn volgens Bout onvoldoende termen aanwezig om volgens het DSM-IV classificatiesysteem te spreken van een persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was er sprake van een matige impulscontrole, doordat verdachte spanningen niet heeft herkend en daarnaast heeft de alcohol hierbij een ontremmend effect gehad. Verdachte heeft weliswaar het wederrechtelijke van haar handelen in kunnen zien, maar is in enigszins verminderde mate in staat geweest haar wil conform dit inzicht te bepalen. Bout is van mening dat verdachte derhalve enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

Uit het rapport van Van Thiel blijkt dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, in de zin van een agressieregulatiestoornis met een stoornis in de impulsbeheersing. Voorts is er sprake van alcoholmisbruik. Opgespaarde agressie kan bij verdachte impulsief tot ontlading komen door overmatig alcoholgebruik, te meer daar zij ten tijde van het ten laste gelegde feit verminderde psychische spankracht had. Verdachte kan op grond van het voorgaande als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd, aldus Van Thiel.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de enigszins verminderde toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en daarnaast deelneemt aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- een werkstraf voor de duur van 240 uren, indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op haar standpunt aangaande het bewijs en gelet op de eis van de officier van justitie, aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Verdachte moet wel behandeld worden. De raadsvrouwe stelt zich op het standpunt dat er een lagere werkstraf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft haar partner zodanig met een mes gestoken, dat er sprake was van een aanzienlijke kans dat hij hierdoor zou komen te overlijden. Dat is op zichzelf reeds een ernstig feit. Daar komt nog bij dat het heeft plaatsgehad in de relationele sfeer. Huiselijk, relationeel getint geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer, maar ook het vertrouwen in verdachte als partner wordt er flink door beschadigd. Bovendien zorgen dergelijke feiten voor onrust in de samenleving. Daar komt bij dat er ten tijde van de bewezenverklaarde feiten kinderen in het huis aanwezig waren, die de ruzie (ten minste) hebben gehoord.

Een dergelijk misdrijf rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, in dit geval zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daarbij een werkstraf voor een aanzienlijke duur. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was. Voorts heeft zij na de steekpartij de intentie gehad om ervoor te zorgen dat de situatie niet verder uit de hand zou lopen. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] (die geen aangifte heeft willen doen) een gezin hebben met kinderen waarover zij samen de zorg hebben. De rechtbank waardeert het verder positief dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat zij daarnaast vrijwillig hulp heeft gezocht voor haar alcohol- en agressieprobleem en derhalve reeds aan een behandeling bij De Waag is begonnen. Bovendien heeft verdachte een baan.

De rechtbank deelt de conclusies van de reclassering, zoals verwoord in het rapport d.d. 16 juni 2010, en de psycholoog en psychiater, dat begeleiding op het gebied van omgaan met alcohol en agressie geïndiceerd is. De voorwaardelijke gevangenisstraf maakt zowel een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk als ook de behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling. Bij de duur van de werkstraf is nog rekening gehouden met het feit dat het contact met de reclassering, maar zeker ook de behandeling bij De Waag, intensief en tijdrovend is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- spreekt verdachte vrij van het impliciet ten laste gelegde feit (de poging tot moord) onder het primair ten last gelegde;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

- Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

- Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang en zo frequent als die reclasseringsinstelling dat nodig acht;

- dat de veroordeelde zich laat behandelen bij De Waag of een soortgelijke ambulante instelling;

- met opdracht aan voornoemde reclasseringsinstelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

- veroordeelt de verdachte voorts tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 september 2011.