Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV6260

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
16/600802-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor meerdere bedreigingen (met zware mishandeling/enig misdrijf tegen het leven gericht). Opgelegd is een gevangenisstraf van 405 dagen waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met onder andere als bijzondere voorwaarde een langdurige klinische behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600802-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein.

Raadsvrouwe mr. M. Vos, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

feit 2: [slachtoffer 3] heeft bedreigd;

feit 3: [benadeelde 1] (hoofdagent) en [benadeelde 2] (brigadier) heeft bedreigd.

De rechtbank verbetert de kennelijk schrijffout in de telastelegging, immers in de tekst van de telastelegging wordt [slachtoffer 3] genoemd, terwijl uit het proces verbaal blijkt dat de aangever genaamd is [slachtoffer 3]. De geslachtsnaam is dus [slachtoffer 3].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat dit in alle drie de gevallen bedreiging met zwaar lichamelijk letsel oplevert. Het voorgaande heeft de officier van justitie onderbouwd door te verwijzen naar de aangiftes, de getuigenverklaringen, de uitwerking van het 112-gesprek en ook de verklaring van verdachte zelf.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel, meermalen gepleegd, oplevert. Er liggen aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waaruit blijkt dat verdachte op 8 augustus 2011 door het Gagelpark in Utrecht fietste en bij de twee aangevers voornoemd stopte. Vervolgens haalde verdachte een mes uit zijn jas en wees hiermee in de richting van aangevers. Verdachte liep daarbij een stukje naar aangevers toe . Getuige [getuige] zag twee jongens wegrennen en zag verdachte met een mes in zijn hand zwaaien in de richting van de twee jongens . Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij inderdaad door het Gagelpark fietste, dat hij de twee jongens zag en dat hij het mes heeft gepakt en vervolgens een stap naar voren deed .

Vervolgens fietste aangever [slachtoffer 3] door het Gagelpark en kwamt hij verdachte tegen. Verdachte zei tegen aangever: “ga achteruit ik heb een mes”. Vervolgens trok verdachte uit zijn jas een mes en richtte met het mes met de punt richting aangever . Getuige [getuige] zag dat verdachte met het mes richting aangever zwaaide . De rechtbank is gelet op het voorgaande – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt. Aangever [benadeelde 2], brigadier bij de politie regio Utrecht, heeft verklaard dat hij zag dat verdachte ongeveer tien meter van hem afstond en dat hij zijn gezicht naar aangever toe draaide. Verdachte had een groot mes in zijn hand en wees in de richting van aangever. Verdachte deed een aantal stappen in de richting van aangever. Aangever heeft de houding van verdachte hierbij beschreven als een vechthouding. Aangever trok vervolgens zijn vuurwapen en richtte dat op verdachte. Vervolgens riep verdachte: “schiet maar, kom maar” . Vervolgens kwam aangever [benadeelde 1], hoofdagent bij de politie regio Utrecht, erbij. Hij zag dat verdachte een mes in zijn hand had en hier mee in de lucht zwaaide. Hij trok zijn vuurwapen en zag dat verdachte hem recht in de ogen keek en dat verdachte een soort grimas/lach op zijn gezicht had. Hij zag dat verdachte in zijn richting kwam lopen. Doordat verdachte met een grijns op zijn gezicht in de richting van aangever liep met dat mes in zijn hand, raakte aangever ervan overtuigd dat verdachte hem wilde neersteken . Vervolgens schoot aangever [benadeelde 1] een keer op de benen van verdachte. Verdachte bleef daarna doorlopen richting aangever. Hierdoor raakte aangever er nog meer van overtuigd dat verdachte hem wat aan wilde doen. Daarop heeft aangever nog twee schoten gelost op de benen van verdachte. Bij het laatste schot zakte verdachte op de grond. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij kan begrijpen dat de aangevers/verbalisanten zich bedreigd hebben gevoeld . De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Gelet op het feit dat verdachte niet heeft gereageerd op de getrokken wapens van de politie, maar juist op hen af liep met een grijns op zijn gezicht, dat hij zelfs nog doorliep in de richting van [benadeelde 1] nadat hij de eerste keer in zijn been was geschoten en nadat hij was overmeesterd “mooi schot” en “had mij maar neergeschoten” tegen de politieagenten heeft gezegd, is de rechtbank van oordeel dat dit naar uiterlijke verschijningsvorm een bedreiging op enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, oplevert.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 8 augustus 2011 te Utrecht, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gepakt en met een mes in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gewezen en zich (daarbij) in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewogen;

2.

op 8 augustus 2011 te Utrecht, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gepakt en met een mes in de richting van die [slachtoffer 3] gewezen en (daarbij) voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd:

"ga achteruit ik heb een mes";

3.

op 8 augustus 2011 te Utrecht, [benadeelde 1] (hoofdagent bij de politie regio Utrecht) en [benadeelde 2] (brigadier bij de politie regio Utrecht) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gepakt en met een mes in de richting van die [benadeelde 1] en De [benadeelde 2] gewezen en zwaaiende bewegingen gemaakt en zich (daarbij) in de richting van die [benadeelde 1] en De [benadeelde 2] bewogen en (daarbij) een vechthouding aangenomen en (daarbij) voornoemde [benadeelde 1] en De [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd : "Schiet maar, kom maar".

Voorzover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 2:

bedreiging met zware mishandeling;

feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van de verdachte laten voorlichten door drs. E. Boere, psychiater in opleiding, en drs. W. de Boer, psychiater, die op 21 oktober 2011 een rapport hebben uitgebracht.

Uit het rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO, met zowel antisociale als borderline kenmerken. Voorts is sprake van ernstige alcoholafhankelijkheid. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was er sprake van een beperkte impulscontrole, een onvermogen om op adequate wijze met emoties als boosheid en agressie om te gaan en een lacunaire gewetensfunctie in combinatie met ernstige alcoholintoxicatie. Uit het rapport blijkt dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht, nu verdachte zelf verantwoordelijkheid draagt voor de mate waarin hij onder invloed van alcohol verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de licht verminderde toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 405 dagen waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en daarnaast maximaal

9 maanden wordt opgenomen in een zorginstelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte loopt tot de datum waarop verdachte met zijn behandeling kan beginnen, derhalve tot 21 december 2011 en een voorwaardelijk deel met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat behandelen in een forensische verslavingskliniek. .

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen. Dat zijn heel ernstige feiten. Verdachte heeft er bij deze feiten blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor andere personen. De door verdachte gepleegde feiten dragen bij aan het ontstaan van gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Daarnaast heeft verdachte het respect en gezag ten aanzien van de ambtenaren die een publieke taak verrichten ondermijnd.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten;

- een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland van 9 november 2011. Uit dit rapport blijkt dat er met name problemen zijn op de leefgebieden alcohol en emotioneel welzijn. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog indien verdachte geen langdurige intensieve klinische behandeling zal ondergaan. Derhalve is het advies om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met hierbij als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en opname in een zorginstelling;

- het hiervoor onder 5.2 genoemde psychiatrisch rapport waarin wordt geadviseerd om verdachte de bijzondere voorwaarde op te leggen dat hij zich in een forensische verslavingskliniek laat behandelen, waar zowel de bestaande verslavingsproblematiek als zijn persoonlijkheidsstoornis behandeld kunnen worden.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, in beginsel slechts een aanzienlijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd Gelet op het hoge recidiverisico indien verdachte geen langdurige klinische behandeling zal ondergaan acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte deze langdurige klinische behandeling zal ondergaan. De rechtbank zal daarom een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich klinisch zal laten behandelen Nu deze behandeling vanaf 21 december 2011 kan plaatsvinden, zal de rechtbank de duur van het onvoorwaardelijke deel beperken tot 135 dagen. De rechtbank komt daarom tot een gevangenisstraf voor de duur van 405 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden verplichte begeleiding door de Reclassering Nederland en een klinische behandeling.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat het mes dat in beslag is genomen, wordt onttrokken aan het verkeer. De inbeslaggenomen fiets kan retour naar verdachte.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de fiets teruggegeven moet worden aan verdachte. Ten aanzien van het inbeslaggenomen mes, refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen fiets.

De rechtbank zal het onder verdachte inbeslaggenomen mes onttrekken aan het verkeer, nu gebleken is dat de feiten zijn begaan met behulp van dit voorwerp.

8 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 500,00 aan immateriële schade ten aanzien van feit 3. De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 650,00 aan immateriële schade eveneens ten aanzien van feit 3.

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de voornoemde vorderingen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen dienen te worden afgewezen. De raadsman heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar jurisprudentie.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schades een rechtstreeks gevolg zijn van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schades.

De gevorderde bedragen zijn voldoende duidelijk omschreven en aannemelijk gemaakt en gelet op de ernst van het feit zijn dit geen oneigenlijke bedragen, zodat de vorderingen zullen worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 405 dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 270 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

*dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens

Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang en zo frequent als die reclasseringsinstelling dat nodig acht;

*dat de veroordeelde zal meewerken aan een klinische behandeling in de Oostvaarderskliniek te Almere of een soortgelijke instelling met ingang van 21 december 2011. Deze klinische behandeling zal 12 maanden duren, of zoveel korter als de leiding van de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

*met opdracht aan voornoemde reclasseringsinstelling de veroordeelde bij de naleving van

de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen fiets;

- verklaart het mes onttrokken aan het verkeer;

Benadeelde partijen

[benadeelde 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 500,00, ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 8 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], € 500,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van

€ 650,00, ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 8 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 650,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 13 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en mr.

A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 november 2011.