Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV5150

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
16/512652-10 en 16/512162-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Handel van en voorhanden hebben van cocaïne. Vrijspraak overige feiten, waaronder deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 56 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/512652-10 en 16/512162-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. P.J. Roelse, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op de zitting van 24 oktober 2011 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld in harddrugs, dan wel harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2 primair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj;

feit 2 subsidiair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj;

feit 3: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in drugs;

feit 4: op 9 december 2010 samen met (een) ander(en) opzettelijk aanwezig heeft gehad 98,37 gram hasj en/of 1,25 gram cocaïne;

feit 5: op 9 december 2010 samen met (een) ander(en) een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geld in voorraad heeft gehad;

feit 6: op 9 december 2010 een hoeveelheid harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of op 9 december 2010 een hoeveelheid softdrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de raadsman kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van het merendeel van de tenlastelegging.

Met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat het wettig bewijs ontbreekt en dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu uit het dossier niet is gebleken van enige wezenlijke structuur of hiërarchie, en evenmin waarbinnen (en op welke positie) verdachte dan precies zou hebben gestaan.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hiervoor in het dossier voldoende bewijs aanwezig is.

De raadsman heeft tot slot vrijspraak bepleit van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten, nu in het dossier het bewijs ontbreekt dat hetgeen in de [adres] in [woonplaats] is aangetroffen op 9 december 2010 aan verdachte kan worden toegerekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Algemene opmerkingen van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen in het hierna volgende verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer 2010294656 (einddossier), tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Voor zover geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna aan te duiden als overige geschriften) voor het bewijs gebruikt worden, worden deze uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

4.3.2 Bewijsoverwegingen

Start en verloop van het onderzoek

Op 12 juli 2010 is een onderzoek gestart onder de naam 09Runner. Dit betrof een onderzoek naar de handel in verdovende middelen die in georganiseerd verband plaatsvond.

Gedurende dit onderzoek werd vanaf 7 september 2010 het telefoonnummer [telefoonnummer] getapt. Tijdens de opgenomen en afgeluisterde gesprekken van de gebruiker van dit telefoonnummer werd vaak versluierd gesproken over hoeveelheden en soorten. Volgens de politie betrof de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer] [medeverdachte 1]. Op 15 september 2010 werden inzake het onderzoek 09Runner verdachten aangehouden ter zake van overtreding van de Opiumwet. Bij doorzoekingen werden ondermeer verdovende middelen, harddrugs en softdrugs, en een vuurwapen aangetroffen en inbeslaggenomen. [medeverdachte 1] is toen niet aangehouden.

Op 4 oktober 2010 werd een onderzoek gestart onder de naam 09Vinger. 09Vinger was een vervolgonderzoek op 09Runner. Ook dit onderzoek had betrekking op de handel in verdovende middelen.

Naar aanleiding van de eerdere onderzoeksbevindingen in 09Runner werd [medeverdachte 1] als verdachte aangemerkt in onderzoek 09Vinger en werd ingaande 5 oktober 2010 het telefoonnummer *[telefoonnummer] getapt waarbij de politie er vanuit ging dat [medeverdachte 1] dat nummer nog steeds in gebruik had. Vervolgens bleek dat [medeverdachte 1] dat nummer niet meer in gebruik had.

Op 6 oktober 2010 werd een aanvullende aanvraag gedaan, aangezien het nummer *[telefoonnummer] kennelijk niet (meer) in gebruik was. Uit onderzoek van het tapverkeer van 09Runner bleek dit nummer toen in 2 verschillende toestellen geplaatst te zijn geweest. Dat betrof de toestellen met de IMEI-nummers *[nummer] en *[nummer]. Vanaf 7 oktober 2010 werden deze twee IMEI-nummers getapt.

Uit het tappen van het IMEI-nummer *[nummer] bleek dat [medeverdachte 1] vermoedelijk het nummer [telefoonnummer] in gebruik had.

Op 6 december 2010 bleek dat er op 4 december 2010 gesprekken werden geregistreerd via het getapte nummer *[telefoonnummer], waaruit bleek dat [medeverdachte 1] tevens de beschikking had over het nummer [telefoonnummer].

Vervolgens bleek bij het uitluisteren van met dit telefoonnummer gevoerde gesprekken dat dit telefoonnummer ook werd gebruikt door [verdachte]. Bij zijn aanhouding is onder andere een toestel met dit telefoonnummer aangetroffen.

Voorts werd vanaf 27 oktober 2010 het nummer [telefoonnummer] getapt. In eerste instantie naar aanleiding van het vermoeden dat dit nummer ook in gebruik was bij [medeverdachte 1]. Later bleek dit nummer in gebruik te zijn bij [verdachte].

Aanhouding en doorzoeking

Op 9 december 2010 is verdachte [verdachte] aangehouden in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats].

Op het adres [adres] zijn woonachtig, ondermeer, [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte].

Tijdens de doorzoeking werd onder andere het volgende aangetroffen en in beslaggenomen:

Keuken:

- een grammenweegschaal, merk Tanita, in een kastje onder de geiser

- een grammenweegschaal, merk Triton in lade tussen de handdoeken

- een grammenweegschaal, merkloos in lade tussen de handdoeken

Woonkamer:

- een plak samengeperste bruine substantie boven op de vitrinekast

Slaapkamer (van onder andere [medeverdachte 1] en [verdachte]):

- een geldbedrag van € 970,- in kledingkast tussen de kleding

- een zakje met wikkels op de kledingkast

- een zakje met acht zogenaamde “ponypacks” in kledingkast

- een potje vloeistof op kledingkast

- administratieve bescheiden in kledingkast

- bivakmuts met zelfgeknipte gaten

- een mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer]

Hal:

- zakje met weed in een jaszak aan de kapstok

Bij onderzoek aan de kleding van [verdachte] werd ondermeer aangetroffen en in beslaggenomen:

- vijf dichtgevouwen zogenaamde “ponypacks” elk inhoudende een geringe hoeveelheid op cocaïne gelijkende stof (jas [verdachte]);

- zes kleine briefjes met daarop vermeld het telefoonnummer [telefoonnummer] (jas [verdachte]);

- twee mobiele telefoons voorzien van de nummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] (broekzak [verdachte]);

- een geldbedrag van € 75,00 (broekzak [verdachte]).

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft gehandeld in cocaïne, heroïne, MDMA of amfetamine, dan wel één van deze harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Verklaring afnemer [getuige]

Op 14 december 2010 heeft [getuige], die woonachtig is in [woonplaats], tegenover de politie verklaard dat hij de persoon op foto 1 (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1]) herkende als [naam]. Hij kende deze [naam] sinds ongeveer 2 maanden en heeft van [naam] cocaïne gekocht. Hij kon via het telefoonnummer *[telefoonnummer] contact opnemen met [naam].

Tijdens de aanhouding van verdachte [verdachte] zijn in zijn kleding meerdere ponypacks aangetroffen, met hierin een hoeveelheid cocaïne. Tevens is in zijn kleding de telefoon met het telefoonnummer *[telefoonnummer] aangetroffen.

Tapgesprekken

Naar het oordeel van de rechtbank kan, op grond van het proces-verbaal van bevindingen en de aanwezigheid bij verdachte van een telefoon met het telefoonnummer *[telefoonnummer], als vaststaand worden aangenomen dat verdachte [verdachte] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer *[telefoonnummer] gedurende de getapte periode.

In het dossier bevinden zich uitgewerkte tapverslagen van telefoongesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. Deze gesprekken houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

Gespreksnummer 831 d.d. 17 november 2010

NNman[telefoonnummer] belt uit naar NNman[telefoonnummer]

[telefoonnummer]: Ja

[telefoonnummer]: Hej

[telefoonnummer]: Ja

[telefoonnummer]: Hij heb... voor die donker die je nu op zak heb

[telefoonnummer]: Ja?

[telefoonnummer]: Daar moet je 125 betalen he.

[telefoonnummer]: Oke Safi

[telefoonnummer]: Ciao

Gespreksnummer 2442 d.d. 6 december 2010

[medeverdachte 1]:Ja, hallo?

[telefoonnummer]:Bij winkelcentrum, bij winkelcentrum.

[medeverdachte 1]:he

[telefoonnummer]: Bij winkelcentrum.

[medeverdachte 1]: Ewa, ga over 10 minuten

[telefoonnummer]:ja

[medeverdachte 1]:... moet je bij... euhhh.. me deur zijn. komt [medeverdachte 3]

(fon).... ewa... je moet... euhhh. je weet toch, die

doosje..

[telefoonnummer]: Doosje?... die doosje in de kast?

[medeverdachte 1]:ja toch, je weet welke

[telefoonnummer]:ja ja

[medeverdachte 1]:dat is een mix, geef die aan hem

[telefoonnummer]:safi

[medeverdachte 1]:alleen die mix, alles gewoon die mix.

De rechtbank stelt vast dat in de genoemde telefoongesprekken in versluierde taal wordt gesproken over “donker” (waarvoor een geldbedrag betaald moet worden), alsmede over een “mix”. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze dan wel soortgelijke termen vaak worden gebruikt in de handel van verdovende middelen.

Gelet op de verklaring van [getuige], dat hij zijn cocaïne kocht via het telefoonnummer *[telefoonnummer] bij ene [naam], de aanwezigheid van deze telefoon in de kleding van verdachte [verdachte], de aanwezigheid in de kleding van verdachte [verdachte] van diverse ponypacks met hierin cocaïne en het veelvuldig contact van verdachte [verdachte] met medeverdachte [medeverdachte 1] waarin versluierd over verdovende middelen wordt gesproken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld in cocaïne.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de handel in de andere ten laste gelegde harddrugs dan cocaïne, nu hiervoor in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met een ander handelde in cocaïne, met dien verstande dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een kortere periode bewezen acht. De rechtbank zal hiervoor het als eerste genoemde tapgesprek d.d. 17 november 2010 als uitgangspunt nemen.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj (primair) of een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj (subsidiair).

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de zich in het dossier bevindende gesprekken tussen verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] worden afgeleid dat er versluierd gesproken wordt over drugs.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter uit het dossier onvoldoende af te leiden of verdachte, naast cocaïne, eveneens zou handelen in hasj.

Derhalve kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte hasj heeft bereid of bewerkt of verwerkt of verkocht of afgeleverd of verstrekt of vervoerd.

Onder feit 2 is eveneens ten laste gelegd dat verdachte opzettelijk hasj aanwezig zou hebben gehad. In de woning van verdachte is een plak hasj aangetroffen van 98,37 gram, hetgeen afzonderlijk is ten laste gelegd onder feit 4, zodat naar het oordeel van de rechtbank het opzettelijk aanwezig hebben van hasj, zoals ten laste gelegd onder feit 2, niet ziet op deze aangetroffen plak hasj.

Nu het wettig bewijs ontbreekt voor het onder 2 ten laste gelegde feit, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit:

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van de Opiumwet is sprake in geval van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waardoor op de individuele leden druk kan worden uitgeoefend om zich aan de regels te houden. Voorts is een zekere duurzaamheid van het samenwerkingsverband noodzakelijk.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld was er ter zake van de handel in harddrugs sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de genoemde medeverdachten. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat er tevens sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er weliswaar sprake was van een min of meer structureel samenwerken tussen verdachte en genoemde medeverdachten, maar -naar het oordeel van de rechtbank- onvoldoende dat er sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband. Hoewel gesproken kan worden van een in tijd langer durend samenwerkingsverband en de doelstelling voor ieder individu ongetwijfeld geldelijk gewin zal zijn geweest, is van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een gemeenschappelijke doelstelling en een bepaalde hiërarchie onvoldoende gebleken. Als gevolg hiervan is ook van enige druk op de individuele leden, die gemeenschappelijke regels niet zouden naleven, niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan niet vastgesteld worden dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, zodat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij op 9 december 2010 opzettelijk 1,25 gram cocaïne aanwezig heeft gehad en/of samen met (een) ander(en) opzettelijk aanwezig heeft gehad 98,37 gram hasj.

In de fouillering van verdachte [verdachte] zijn in zijn jaszak vijf dichtgevouwen zogenaamde “ponypacks” aangetroffen met elk inhoudende een geringe hoeveelheid op cocaïne gelijkende stof .

Onderzoek heeft uitgewezen dat de “ponypacks” 1,25 gram cocaïne bevatten.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 december 2010 opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,25 gram cocaïne.

Voorts is bij de doorzoeking in de woning aan de [adres] is op 9 december 2010 in de woonkamer, op de vitrinekast, een plak samengeperste bruine substantie aangetroffen van 98,37 gram.

Onderzoek heeft uitgewezen dat de plak bruine substantie hasj betrof.

De plak hasj is aangetroffen op een vrij toegankelijke plaats in de woning van verdachte. De plak hasj was niet heimelijk verborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het dossier echter onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van deze plak hasj. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit gedeelte van het onder 4 ten laste gelegde feit.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten:

Op 9 december 2010 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de [adres] te [woonplaats].

Tijdens deze doorzoeking werd, ondermeer, het volgende aangetroffen en in beslaggenomen:

Hal woning:

- twee pakketjes met daarin een bruine geperste substantie met vermoedelijk hasj;

- een weegschaaltje;

Keuken woning:

- een weegschaaltje;

- blauw zakje met grijs/bruin poeder;

- plak bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rood bakje met daarin een weegschaal

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp met bijbehorende demper, geschikt voor afdreiging

- een notitieboekje met hierin vermeld vermoedelijke geldbedragen

Woonkamer:

- een mobiele telefoon, merk Nokia, met het nummer [telefoonnummer]

- een mobiele telefoon, merk Blackberry

- een mobiele telefoon, merk Samsung, met het nummer [telefoonnummer]

Slaapkamer:

- een vuistvuurwapen

- glazen potje, met daarin poeder

Slaapkamer:

- een kogelwerend vest

Slaapkamer:

- een doosje met 42 scherpe 9mm patronen

- plastic zakje met groen poeder

Kelderbox:

- kunststof tas met daarin meerdere getapete blokken

- witte plastictas met daarin een grote witte bol

- Super de Boer plastictas met daarin een deegroller en diverse zakjes

- Albert Heijn plastic tas met daarin grote plakken bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rode tas van Dirk met daarin diverse verpakkingsmaterialen en een zakje wit poeder

- stuk geperste bruine substantie vermoedelijk hasj.

Naar het oordeel van de officier van justitie kunnen de op de [adres] aangetroffen drugs worden toegerekend aan alle verdachten, dus ook aan verdachte [medeverdachte 2]. Volgens de officier van justitie komt uit het onderzoek naar voren dat de woning aan de [adres] een “safehouse” is en dat de verdachten na een levering veelvuldig naar de [adres] gaan en dat daar de spullen worden bewaard, bewerkt en verwerkt.

De rechtbank is echter van oordeel dat, wat er ook zij van het bestaan van een safehouse op de [adres] in [woonplaats], niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de ten laste gelegde verdovende middelen en geneesmiddelen in de woning op de [adres] op of omstreeks 9 december 2010, noch dat er sprake was van medeplegen van verdachte. Verdachte zal daarom van het onder 5 en 6 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op meer tijdstippen in de periode van 17 november 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

op 09 december 2010 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,25 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 236 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde ITB-Plus. Tevens heeft zij een werkstraf gevorderd voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte te veroordelen tot de periode die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met hierbij eventueel een proeftijd, zonder oplegging van de bijzondere voorwaarde van ITB-Plus. Ook heeft de raadsman verzocht aan verdachte niet een werkstraf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich met een ander of anderen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne. De rechtbank acht dit ernstige strafbare feiten. Cocaïne is immers een stof die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend is. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in drugs met zich mee dat een zwart geldcircuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in drugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Daarnaast is er bij verdachte een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat het bezit van harddrugs een ernstig feit is.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten;

- een rapportage van Bureau Jeugdzorg Utrecht d.d. 23 september 2011, waarin wordt geadviseerd aan verdachte ITB-Plus begeleiding op te leggen.

Aangezien verdachte van een gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan is gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft op 16 juni 2011 gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 20 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 oktober 2010 ten uitvoer zal worden gelegd (parketnummer 16/512162-10). Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de verlenging van de proeftijd met een jaar gevorderd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, maar acht een verlenging van de proeftijd wel op zijn plaats.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 77a, 77g, 77i, 77h en 77cc van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2, 3, 5 en 6 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 56 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, maar verlengt de proeftijd met één jaar;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;

Beslag

- verklaart verbeurd de op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1, 3 en 4;

- beveelt de teruggave aan verdachte van de voorwerpen vermeld onder 2 en 5 van die lijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter en tevens kinderrechter, mrs. E.A. Messer en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 november 2011.