Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV5132

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
16/712045-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handel in cocaïne. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712045-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op de zitting van 24 oktober 2011 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld in harddrugs, dan wel harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2 primair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj;

feit 2 subsidiair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj;

feit 3: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in drugs;

feit 4: op 9 december 2010 opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,98 gram amfetamine;

feit 5: op 9 december 2010 samen met (een) ander(en) een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt in voorraad heeft gehad;

feit 6: op 9 december 2010 een hoeveelheid harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of op 9 december 2010 een hoeveelheid softdrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de raadsman dient verdachte vrijgesproken te worden van alle ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat het wettig bewijs hiervoor ontbreekt.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat niet duidelijk is geworden over welke drugs er wordt gesproken.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman heeft erop gewezen dat aan de typerende kenmerken die vereist zijn voor een criminele organisatie, niet is voldaan. Met name zou niet blijken van het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking.

Verdachte dient voorts van het onder 4 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken, gelet op het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut.

Met betrekking tot de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat zich niets in het dossier bevindt dat verdachte in verband zou kunnen brengen met de [adres] in Utrecht, ook niet in de vorm van medeplegen of een criminele organisatie, zodat verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Algemene opmerkingen van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen in het hiernavolgende verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer 2010294656 (einddossier), tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Voor zover geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna aan te duiden als overige geschriften) voor het bewijs gebruikt worden, worden deze uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

4.3.2 Bewijsoverwegingen

Start en verloop van het onderzoek

Op 12 juli 2010 is een onderzoek gestart onder de naam 09Runner. Dit betrof een onderzoek naar de handel in verdovende middelen dat in georganiseerd verband plaatsvond.

Gedurende dit onderzoek werd vanaf 7 september 2010 het telefoonnummer [telefoonnummer] getapt. Tijdens de opgenomen en afgeluisterde gesprekken van de gebruiker van dit telefoonnummer werd vaak versluierd gesproken over hoeveelheden en soorten. Volgens de politie betrof de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer] [medeverdachte 1]. Op 15 september 2010 werden inzake het onderzoek 09Runner verdachten aangehouden ter zake van overtreding van de Opiumwet. Bij doorzoekingen werden onder meer verdovende middelen, harddrugs en softdrugs, en een vuurwapen aangetroffen en inbeslaggenomen. [medeverdachte 1] is toen niet aangehouden.

Op 4 oktober 2010 werd een onderzoek gestart onder de naam 09Vinger. 09Vinger was een vervolgonderzoek op 09Runner. Ook dit onderzoek had betrekking op de handel in verdovende middelen.

Naar aanleiding van de eerdere onderzoeksbevindingen in 09Runner werd [medeverdachte 1] als verdachte aangemerkt in onderzoek 09Vinger en werd ingaande 5 oktober 2010 het telefoonnummer *[telefoonnummer] getapt, waarbij de politie er vanuit ging dat [medeverdachte 1] dat nummer nog steeds in gebruik had. Vervolgens bleek dat [medeverdachte 1] dat nummer niet meer in gebruik had.

Op 6 oktober 2010 werd een aanvullende aanvraag gedaan, aangezien het nummer *[telefoonnummer] kennelijk niet (meer) in gebruik was. Uit onderzoek van het tapverkeer van 09Runner bleek dit nummer toen in 2 verschillende toestellen geplaatst te zijn geweest. Dat betrof de toestellen met de IMEI-nummers *[nummer] en *[nummer]. Vanaf 7 oktober 2010 werden deze twee IMEI-nummers getapt.

Uit het tappen van het IMEI-nummer *[nummer] bleek dat [medeverdachte 1] vermoedelijk het nummer [telefoonnummer] in gebruik had.

Uit de taps van het nummer *[telefoonnummer] ([medeverdachte 1]) bleek dat hij dagelijks contact had met de nummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. Op grond van het afgetapte gegevensverkeer, waarvan het vermoeden was ontstaan dat dit te maken had met de handel in harddrugs, werden aanvragen gedaan en verleend voor het tappen van deze twee nummers. De gebruiker van beide nummers werd later in het onderzoek geïdentificeerd als [verdachte].

Aanhouding en doorzoeking

Op 9 december 2010 is verdachte [verdachte] aangehouden en is zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht.

Tijdens de doorzoeking werd, onder meer, aangetroffen en in beslaggenomen:

Slaapkamer:

- een hard bruin kleurig brokje verpakt in plastic folie (in kast);

Tijdens het onderzoek was de verdenking ontstaan dat verdachte [verdachte] eveneens zou verblijven op het adres [adres] te [woonplaats].

Op 10 december 2010 werd deze woning doorzocht en werden, onder meer, de volgende goederen aangetroffen en in beslaggenomen:

Woonkamer:

- een rol folie

- een pil met opschrift MSD62

- administratieve bescheiden

Keuken:

- een keukenweegschaal met op de glasplaat een witte substantie

- proppen cellofaan

- doorzichtige wit uitgeslagen plastic zakjes

- simkaarthouder met daarop vermeld het mobiele nummer [telefoonnummer]

- een zeer sterk geurende plastic zak waarop de verdovende middelen hond tekende/aansloeg

- een notitie met daarop vermeld “[medeverdachte 1] 50”

Het voertuig waarin verdachte reed ten tijde van zijn aanhouding werd doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werden vier mobiele telefoons aangetroffen, waaronder:

- een mobiele telefoon van het merk Nokia, voorzien van het imeinummer [nummer], betrof het getapte toestel/nummer [telefoonnummer]

- een mobiele telefoon van het merk Nokia voorzien van het imeinummer [nummer], betrof het getapte toestel/nummer [telefoonnummer]

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft gehandeld in cocaïne, heroïne, MDMA of amfetamine, dan wel één van deze harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Verklaring afnemer over [medeverdachte 1]

Op 14 december 2010 heeft [getuige], die woonachtig is in [woonplaats], tegenover de politie verklaard dat hij de persoon op foto 1 (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1]) herkende als [naam]. Hij kende deze [naam] sinds ongeveer 2 maanden en heeft van [naam] cocaïne gekocht. Hij kon via het telefoonnummer *[telefoonnummer] contact opnemen met [naam].

Tapgesprekken met [medeverdachte 1]

Binnen het onderzoek 09Runner maakte de verdachte [medeverdachte 1] gebruik van de mobiele telefoonaansluiting: [telefoonnummer] . Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts als vaststaand worden aangenomen dat verdachte [medeverdachte 1] gedurende het onderzoek 09Vinger, te weten vanaf 5 oktober 2010, de gebruiker is geweest van het telefoonnummer *[telefoonnummer].

Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts, op grond van het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte , als vaststaand worden aangenomen dat verdachte [verdachte] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers *[telefoonnummer] en *[telefoonnummer].

In het dossier bevindt zich een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen verdachte [medeverdachte 1] ([telefoonnummer]) en [verdachte] ([telefoonnummer]), d.d. 12 september 2010. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[telefoonnummer]: wat?

[telefoonnummer]: en!

[telefoonnummer]: gaat goed?

[telefoonnummer]: dankzij god wel, en met jou?

[telefoonnummer]: ja, goed.

[telefoonnummer]: eehhh is er wat handelswaar? (beschikbaar)

[telefoonnummer]: wat?

[telefoonnummer]: is er daar wat handelswaar?

[telefoonnummer]: ja

[telefoonnummer]: ja?

[telefoonnummer]: ja

[telefoonnummer]: voorhanden?

[telefoonnummer]: ja

[telefoonnummer]: eehhh dan 4 vier barkies

[telefoonnummer]: wat?

[telefoonnummer]: 4 barkies

Achtergrond:

NNman3: he he Boubou

[telefoonnummer]: 4 barkies?

[telefoonnummer]: ja

[telefoonnummer]: kan je zelf niet komen?

[telefoonnummer]: ja dan kom ik, is geen probleem

[telefoonnummer]: kijk (fon.) gelijk

[telefoonnummer]: vanavond, gelijk

[telefoonnummer]: nee, ... gelijk

[telefoonnummer]: vanavond, vanavond gelijk

[telefoonnummer]: neem geld met je mee

[telefoonnummer]: aaha niets , deze mensen komen zo naar mij toe, ze willen gelijk, je weet toch?

[telefoonnummer]: 400?

[telefoonnummer]: ja, je weet is ehh is gewoon ehh hoe heet' ie, cash, ze betalen serieus, vriend

[telefoonnummer]: 4 barkies?

[telefoonnummer]: ja

[telefoonnummer]: maar luister

[telefoonnummer]: ja

[telefoonnummer]: maar niet dat poeder dat ik kocht, alles moet gewoon blok zijn

[telefoonnummer]: je weet wel, is een beetje stuk (gebroken)

[telefoonnummer]: maar is het poeder?

[telefoonnummer]: is niet poeder

[telefoonnummer]: ja, stukjes zijn ook goed, stukjes zijn ook goed

[telefoonnummer]: ja?

[telefoonnummer]: ja maar ehh hee!

Achtergrond:

NNman3: heee zeg tegen hem ....(ntv. lawaaierig) die ene ekeer, prijs, prijs

[telefoonnummer]: je hoort ze, in ieder geval, wat is de prijs? [telefoonnummer]: 8

[telefoonnummer]: wat?

Achtergrond

NNman3: 8, is fucking duur joh

[telefoonnummer]: oooh is te duur, te duur, oke

[telefoonnummer]: 38

[telefoonnummer]: oke, oke, laat het zitten

[telefoonnummer]: hoeft niet?

[telefoonnummer]: nee man, ik pak niets vriend

[telefoonnummer]: ja, mijn spul niet mattie

[telefoonnummer]: oke

[telefoonnummer]: oke

In het dossier bevindt zich een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen verdachte [medeverdachte 1] ([telefoonnummer]) en [verdachte] ([telefoonnummer]), d.d. 17 november 2010. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

NN[telefoonnummer] belt uit naar NNman[telefoonnummer].

NN[telefoonnummer] zegt dat hij zo naar hem toe komt om hem te betalen.

NN[telefoonnummer] vraagt of er helemaal niets heeft.

NN[telefoonnummer] zegt dat er poeder is.

NN[telefoonnummer] vraagt garantie dat die poeder goed is.

NN[telefoonnummer] vraagt of hij er ook in gaat gooien.

NN[telefoonnummer] antwoordt met ja.

NN[telefoonnummer] zegt dat hij het dan niet weet en dat er helemaal niets in zit.

NN[telefoonnummer] komt naar NN[telefoonnummer] toe en praat dan verder met hem.

In het dossier bevindt zich voorts een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen verdachte [medeverdachte 1] (F) en [verdachte] (A), de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer], d.d. 1 december 2010. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

F: Heb je die 20 mee genomen?

A: Ik heb 10 alleen was laatste tien ik zweer het op Allah.

Er was poeder ik wil niet voor jou geen poeder meenemen

F: Okee, okee.

A: Okee.

F: Laat het daar bij jou.

A:He?

F: Ik zei laat het bij jou thuis.

A: He?

F: Laat die tien bij jou thuis.

A: Brenge niet naar jou?

F: Nee, laat em daar.

A: Okee.

F: Okee, tot zo.

In het dossier bevinden zich tapverslagen van sms-berichten tussen verdachte [medeverdachte 1] ([telefoonnummer]) en [verdachte] ([telefoonnummer]), d.d. 23 november 2010. Deze berichten houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

Gespreksnummer 1286 (omstreeks 01.08.01 uur):

Heb 100 gr nodig

Gespreksnummer 1287 (omstreeks 01.08.22 uur)

Wat

Gespreksnummer 1288 (omstreeks 01.08.59 uur):

Koka

De rechtbank stelt vast dat in de genoemde telefoongesprekken, waaraan verdachte heeft deelgenomen, in versluierde taal wordt gesproken. Zo wordt er gesproken over aantallen en over, al dan niet goede, “poeder” en over “blok” of “stukjes”. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze dan wel soortgelijke termen veelvuldig worden gebezigd in de handel in verdovende middelen. Voorts wordt in de hiervoor vermelde sms-berichten gesproken over “koka”, hetgeen duidt op cocaïne.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de inhoud van deze tapgesprekken en sms-berichten niet anders worden geconcludeerd dan dat zij betrekking hebben op verdovende middelen.

Gelet op de genoemde telefonische contacten van verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1], die gelet op de verklaring van getuige [getuige] handelde in cocaïne, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte [verdachte] samen met een ander of anderen handelde in cocaïne,met dien verstande dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een kortere periode bewezen acht. De rechtbank zal als beginpunt van deze periode het hiervoor als eerste genoemde tapgesprek dd 12 september 2010 als uitgangspunt nemen.

Nu enig bewijsmiddel ontbreekt dat verdachte [verdachte] zou handelen in andere harddrugs dan cocaïne, zal verdachte hiervan partieel worden vrijgesproken.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj (primair) of een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj (subsidiair).

In het dossier bevinden zich diverse tapgesprekken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte [verdachte] zich bezighield met de handel in hasj. De rechtbank doelt hierbij onder andere op de volgende gesprekken:

Een telefoongesprek tussen verdachte [medeverdachte 1] (F) en [verdachte] (A), de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer], d.d. 9 november 2010. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[medeverdachte 1] vraagt of NNman hasj heeft. [medeverdachte 1] zegt dat er iemand bij hem is die wat nodig heeft.

NNman vraagt: hoeveel?

[medeverdachte 1] vraagt of NNman aan Ghabazzi (type hasj) kan komen (verkrijgen).

NNman zegt dat hij geen hasjhandelaars kent.

[medeverdachte 1] merkt op dat [naam] wel weet hoe jij aan ghabazzi kan komen.

[medeverdachte 1] krijgt [naam] aan de lijn.

[medeverdachte 1] vraagt ghabazzi te verkrijgen is.

NNman [naam] zegt dat hij voor hem zal kijken en hem terug zal bellen.

NNman [naam] vraagt hoeveel die man nodigheeft.

[medeverdachte 1]: 50 kilo.

NNman [naam] vraagt of “hij” (koper) serieus is.

[medeverdachte 1] antwoordt bevestigend.

Een sms-bericht van [verdachte] ([telefoonnummer]) naar [medeverdachte 1] ([telefoonnummer]), inhoudende:

Neem 10hasj mee van bar.

In het dossier bevinden zich vele andere tapgesprekken waarin naar het oordeel van de rechtbank versluierd wordt gesproken over verdovende middelen. Omdat in het politieonderzoek geen mogelijke afnemers van hasj of andere softdrugs in beeld zijn gekomen, noch observaties enig resultaat hebben opgeleverd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk of deze gesprekken betrekking hebben op softdrugs. Dat is wel voldoende duidelijk ten aanzien van het hiervoor vermelde tapgesprek van 9 november 2010, maar uit dat gesprek blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk dat verdachte in hasj handelt of hasj aanwezig heeft. Daarnaast zijn er in de woningen van verdachte [verdachte] geen softdrugs aangetroffen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat verdachte zich bezighield met de handel in hasj, zoals blijkt uit de tapgesprekken. Echter, het wettig en overtuigend bewijs hiervoor ontbreekt, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit:

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van de Opiumwet is sprake in geval van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waardoor op de individuele leden druk kan worden uitgeoefend om zich aan de regels te houden. Voorts is een zekere duurzaamheid van het samenwerkingsverband noodzakelijk.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld was er ter zake van de handel in harddrugs sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de genoemde medeverdachten. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat er tevens sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er weliswaar sprake was van een min of meer structureel samenwerken tussen verdachte en genoemde medeverdachten, maar -naar het oordeel van de rechtbank- onvoldoende dat er sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband. Hoewel gesproken kan worden van een in tijd langer durend samenwerkingsverband en de doelstelling voor ieder individu ongetwijfeld geldelijk gewin zal zijn geweest, is van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een gemeenschappelijke doelstelling en een bepaalde hiërarchie onvoldoende gebleken. Als gevolg hiervan is ook van enige druk op de individuele leden, die gemeenschappelijke regels niet zouden naleven, niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan niet vastgesteld worden dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, zodat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij op 9 december 2010 opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,98 gram amfetamine.

Nu onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat de aangetroffen stof geen middel bevatte die vermeld staat op één van de lijsten van de Opiumwet, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten:

Op 9 december 2010 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de [adres] te [woonplaats].

Tijdens deze doorzoeking werd, ondermeer, het volgende aangetroffen en in beslaggenomen:

Hal woning:

- twee pakketjes met daarin een bruine geperste substantie met vermoedelijk hasj;

- een weegschaaltje;

Keuken woning:

- een weegschaaltje;

- blauw zakje met grijs/bruin poeder;

- plak bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rood bakje met daarin een weegschaal

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp met bijbehorende demper, geschikt voor afdreiging

- een notitieboekje met hierin vermeld vermoedelijke geldbedragen

Woonkamer:

- een mobiele telefoon, merk Nokia, met het nummer [telefoonnummer]

- een mobiele telefoon, merk Blackberry

- een mobiele telefoon, merk Samsung, met het nummer [telefoonnummer]

Slaapkamer:

- een vuistvuurwapen

- glazen potje, met daarin poeder

Slaapkamer:

- een kogelwerend vest

Slaapkamer:

- een doosje met 42 scherpe 9mm patronen

- plastic zakje met groen poeder

Kelderbox:

- kunststof tas met daarin meerdere getapete blokken

- witte plastictas met daarin een grote witte bol

- Super de Boer plastictas met daarin een deegroller en diverse zakjes

- Albert Heijn plastic tas met daarin grote plakken bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rode tas van Dirk met daarin diverse verpakkingsmaterialen en een zakje wit poeder

- stuk geperste bruine substantie vermoedelijk hasj.

Naar het oordeel van de officier van justitie kunnen de op de [adres] aangetroffen drugs worden toegerekend aan alle verdachten, dus ook aan verdachte [verdachte]. Volgens de officier van justitie komt uit het onderzoek naar voren dat de woning aan de [adres] een “safehouse” is en dat de verdachten na een levering veelvuldig naar de [adres] gaan en dat daar de spullen worden bewaard, bewerkt en verwerkt.

De rechtbank is echter van oordeel dat, wat er ook zij van het bestaan van een safehouse op de [adres] in [woonplaats], niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de ten laste gelegde verdovende middelen en geneesmiddelen in de woning op de [adres] op of omstreeks 9 december 2010, noch dat er sprake was van medeplegen van verdachte. Verdachte zal daarom van het onder 5 en 6 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op meer tijdstippen in de periode van 12 september 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair bepleit, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast eventueel een werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich met een ander of anderen schuldig gemaakt aan de handel van cocaïne. De rechtbank acht dit een ernstige strafbaar feit. Cocaïne is immers een stof die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend is. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan hard- en softdrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in drugs met zich mee dat een zwart geldcircuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in drugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 24 maanden geëist. De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn. De rechtbank acht slechts het onder 1 ten laste gelegde feiten bewezen en zal verdachte vrijspreken van de onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten. Voorts houdt de rechtbank rekening met hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23;

- beveelt de teruggave aan verdachte van de voorwerpen vermeld onder 3, 12 en 15.

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mrs. E.A. Messer en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 november 2011.