Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV5127

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
16/711889-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handel in cocaïne en hasj. Vrijspraak overige feiten, waaronder deelname criminele organisatie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711889-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op de zitting van 24 oktober 2011 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld in harddrugs, dan wel harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2 primair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj;

feit 2 subsidiair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj;

feit 3: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in drugs;

feit 4: op 9 december 2010 samen met (een) ander(en) opzettelijk aanwezig heeft gehad 98,37 gram hasj;

feit 5: op 9 december 2010 samen met (een) ander(en) een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geld in voorraad heeft gehad;

feit 6: op 9 december 2010 een hoeveelheid harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of op 9 december 2010 een hoeveelheid softdrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de raadsman kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van de handel van cocaïne door verdachte (feit 1), gedurende een aanzienlijk kortere periode dan is ten laste gelegd, gelet op de verklaring van de enige getraceerde afnemer. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de overige ten laste gelegde harddrugs onder feit 1.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, nu hiervoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman heeft erop gewezen dat aan de typerende kenmerken die vereist zijn voor een criminele organisatie, niet is voldaan. Met name zou niet blijken van het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd wat betreft de bewezenverklaring.

De raadsman heeft tot slot vrijspraak bepleit van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten, nu niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de ten laste gelegde verdovende middelen in de [adres] op of omstreeks 9 december 2010 noch dat er sprake was van medeplegen van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Algemene opmerkingen van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen in het hiernavolgende verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer 2010294656 (einddossier), tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Voor zover geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna aan te duiden als overige geschriften) voor het bewijs gebruikt worden, worden deze uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

4.3.2 Bewijsoverwegingen

Start en verloop van het onderzoek

Op 12 juli 2010 is een onderzoek gestart onder de naam 09Runner. Dit betrof een onderzoek naar de handel in verdovende middelen dat in georganiseerd verband plaatsvond.

Gedurende dit onderzoek werd vanaf 7 september 2010 het telefoonnummer [telefoonnummer] getapt. Tijdens de opgenomen en afgeluisterde gesprekken van de gebruiker van dit telefoonnummer werd vaak versluierd gesproken over hoeveelheden en soorten. Volgens de politie betrof de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer] [verdachte]. Op 15 september 2010 werden inzake het onderzoek 09Runner verdachten aangehouden ter zake van overtreding van de Opiumwet. Bij doorzoekingen werden ondermeer verdovende middelen, harddrugs en softdrugs, en een vuurwapen aangetroffen en inbeslaggenomen. [verdachte] is toen niet aangehouden.

Op 4 oktober 2010 werd een onderzoek gestart onder de naam 09Vinger. 09Vinger was een vervolgonderzoek op 09Runner. Ook dit onderzoek had betrekking op de handel in verdovende middelen.

Naar aanleiding van de eerdere onderzoeksbevindingen in 09Runner werd [verdachte] als verdachte aangemerkt in onderzoek 09Vinger en werd ingaande 5 oktober 2010 het telefoonnummer *[telefoonnummer] getapt, waarbij de politie er vanuit ging dat [verdachte] dat nummer nog steeds in gebruik had. Vervolgens bleek dat [verdachte] dat nummer niet meer in gebruik had.

Op 6 oktober 2010 werd een aanvullende aanvraag gedaan, aangezien het nummer *[telefoonnummer] kennelijk niet (meer) in gebruik was. Uit onderzoek van het tapverkeer van 09Runner bleek dit nummer toen in 2 verschillende toestellen geplaatst te zijn geweest. Dat betrof de toestellen met de IMEI-nummers *[nummer] en *[nummer]. Vanaf 7 oktober 2010 werden deze twee IMEI-nummers getapt.

Uit het tappen van het IMEI-nummer *[nummer] bleek dat [verdachte] vermoedelijk het nummer [telefoonnummer] in gebruik had.

Op 4 december 2010 zijn er gesprekken geregistreerd via het getapte nummer *[telefoonnummer] waaruit bleek dat [verdachte] tevens de beschikking had over het telefoonnummer *[telefoonnummer].

Aanhouding en doorzoeking

Op 9 december 2010 is verdachte [verdachte] aangehouden in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats].

Op het adres [adres] zijn woonachtig, ondermeer, [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2].

Tijdens de doorzoeking werd onder andere het volgende aangetroffen en in beslaggenomen:

Keuken:

- een grammenweegschaal, merk Tanita, in een kastje onder de geiser

- een grammenweegschaal, merk Triton in lade tussen de handdoeken

- een grammenweegschaal, merkloos in lade tussen de handdoeken

Woonkamer

- een plak samengeperste bruine substantie boven op de vitrinekast

Slaapkamer (van onder andere [verdachte] en [medeverdachte 2])

- een geldbedrag van € 970,- in kledingkast tussen de kleding

- een zakje met wikkels op de kledingkast

- een zakje met acht zogenaamde “ponypacks” in kledingkast

- een potje vloeistof op kledingkast

- administratieve bescheiden in kledingkast

- bivakmuts met zelfgeknipte gaten

- een mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer]

Hal:

- zakje met weed in een jaszak aan de kapstok

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft gehandeld in cocaïne, heroïne, MDMA of amfetamine, dan wel één van deze harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Verklaring afnemer

Op 14 december 2010 heeft [getuige], die woonachtig is in [woonplaats], tegenover de politie verklaard dat hij de persoon op foto 1 (de rechtbank begrijpt [verdachte]) herkende als [naam]. Hij kende deze [naam] sinds ongeveer 2 maanden en heeft van [naam] cocaïne gekocht. Hij kon via het telefoonnummer *[telefoonnummer] contact opnemen met [naam].

Tapgesprekken

Binnen het onderzoek 09Runner maakte de verdachte [verdachte] gebruik van de mobiele telefoonaansluiting: [telefoonnummer] . Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts als vaststaand worden aangenomen dat verdachte [verdachte] gedurende het onderzoek 09Vinger, te weten vanaf 5 oktober 2010, de gebruiker is geweest van het telefoonnummer *[telefoonnummer].

In het dossier bevindt zich een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen [verdachte] (telefoonnummer * [telefoonnummer]) en de gebruiker van telefoonnummer *[telefoonnummer] dd 30 augustus 2010. Dit gesprek houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

[telefoonnummer]: Ja

[telefoonnummer]: Jo Moc

[telefoonnummer]: Jo

[telefoonnummer]: Goed

[telefoonnummer]: [naam] (fon) met jou?

[telefoonnummer]: Rustig. Waar ben je?

[telefoonnummer]: Ben nu effe in Lunetten ik ga nu naar Overvecht.

[telefoonnummer]: Whoea ehh ken je hoe heet het voor mij regelen?

[telefoonnummer]: Wat

[telefoonnummer]: Eh vingers

[telefoonnummer]: Ja, ik kan veel regelen.

[telefoonnummer]: Maar waar ga ik jou zien?

[telefoonnummer]: ik bel jou gelijk als ik in Overvecht ben

[telefoonnummer]: ja snel he!

In het dossier bevindt zich een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen [verdachte] (telefoonnummer * [telefoonnummer]) en de gebruiker van telefoonnummer *[telefoonnummer] dd 4 september 2010. Dit gesprek houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

[telefoonnummer]: Jij verkoopt toch poeder of niet?

[telefoonnummer]: wat?

[telefoonnummer]: Jij verkoopt toch poeder of niet?

[telefoonnummer]: ja, toch!

[telefoonnummer]: Dat wacht iemand op je?

[telefoonnummer]: Waar?

[telefoonnummer]: Bij Griefpark. Kan je die Shell (fon)?

[telefoonnummer]: Ja

[telefoonnummer]: Nou, niet in de Shell moet je, maar iets daarachter, daar loopt het dood, is toch een kleine parkeerplaats

[telefoonnummer]: Wacht. Wacht. Ik bel je zo.

[telefoonnummer]: Waar ben je nou?

[telefoonnummer]: Ik ben in Goes

[telefoonnummer]: Ga je naar hem toe of niet?

[telefoonnummer]: Ja, toch!!

[telefoonnummer]: Oke, ben je dan daar binnen vijf minuten

[telefoonnummer]: Zoiets

[telefoonnummer]: Oke, bel mij dan gelijk, want je weet die ene wacht en anders gaat hij naar iemand anders

[telefoonnummer]: is goed. Is goed.

[telefoonnummer]: oke

In het dossier bevindt zich voorts een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen verdachte [verdachte] (F) en [medeverdachte 3] (A), de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer], d.d. 1 december 2010. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

F: Heb je die 20 mee genomen?

A: Ik heb 10 alleen was laatste tien ik zweer het op Allah.

Er was poeder ik wil niet voor jou geen poeder meenemen

F: Okee, okee.

A: Okee.

F: Laat het daar bij jou.

A:He?

F: Ik zei laat het bij jou thuis.

A: He?

F: Laat die tien bij jou thuis.

A: Brenge niet naar jou?

F: Nee, laat em daar.

A: Okee.

F: Okee, tot zo.

De rechtbank stelt vast dat in de genoemde telefoongesprekken, waaraan verdachte heeft deelgenomen, in versluierde taal wordt gesproken. Zo wordt er gesproken over aantallen, over “vingers” en de verkoop van “poeder”. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze dan wel soortgelijke termen veelvuldig worden gebezigd in de handel in verdovende middelen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op de verklaring van afnemer [getuige], uit de inhoud van deze tapgesprekken niet anders worden geconcludeerd dan dat zij betrekking hebben op verdovende middelen.

Op grond van de verklaring van afnemer [getuige] en bovenstaande tapgesprekken acht de rechtbank daarom wettig en overtuigd bewezen dat verdachte samen met anderen heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de handel in de andere ten laste gelegde harddrugs dan cocaïne, nu hiervoor in het dossier enig bewijsmiddel ontbreekt.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van een kortere periode dan de officier van justitie bewezen acht. De rechtbank zal voor het begin van deze periode het hiervoor als eerste genoemde tapgesprek d.d. 30 augustus 2010 als uitgangspunt nemen.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj (primair) of een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj (subsidiair).

Tapgesprekken

In het dossier bevindt zich een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen verdachte [verdachte] (F) en [medeverdachte 3] (A), de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer], d.d. 9 november 2010. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[verdachte] vraagt of NNman hasj heeft. [verdachte] zegt dat er iemand bij hem is die wat nodig heeft.

NNman vraagt: hoeveel?

[verdachte] vraagt of NNman aan Ghabazzi (type hasj) kan komen (verkrijgen).

NNman zegt dat hij geen hasjhandelaars kent.

[verdachte] merkt op dat [naam] wel weet hoe jij aan ghabazzi kan komen.

[verdachte] krijgt [naam] aan de lijn.

[verdachte] vraagt ghabazzi te verkrijgen is.

NNman [naam] zegt dat hij voor hem zal kijken en hem terug zal bellen.

NNman [naam] vraagt hoeveel die man nodigheeft.

[verdachte]: 50 kilo.

NNman [naam] vraagt of “hij” (koper) serieus is.

[verdachte] antwoordt bevestigend.

Voorts is in de woning van verdachte [verdachte] op 9 december 2010 een plak van 98,37 gram hasj aangetroffen , waarover hij heeft verklaard dat deze aan hem toebehoorde.

Dit betreft geen gebruikelijke hoeveelheid voor het eigen gebruik van deze drugs. Een dergelijke hoeveelheid vormt een dealerindicatie.

Onder feit 2 is eveneens ten laste gelegd dat verdachte opzettelijk hasj aanwezig zou hebben gehad. De in de woning van verdachte aangetroffen plak hasj van 98,37 gram is afzonderlijk ten laste gelegd onder feit 4, zodat naar het oordeel van de rechtbank het opzettelijk aanwezig hebben van hasj, zoals ten laste gelegd onder feit 2, niet ziet op deze aangetroffen plak hasj.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van bovenstaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte heeft gehandeld in softdrugs.

Ook ten aanzien van dit feit geldt dat de door de rechtbank bewezenverklaarde periode korter is dan door de officier van justitie is ten laste gelegd. De rechtbank zal hiervoor het tapgesprek van 9 november 2010 als uitgangspunt nemen.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit:

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van de Opiumwet is sprake in geval van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waardoor op de individuele leden druk kan worden uitgeoefend om zich aan de regels te houden. Voorts is een zekere duurzaamheid van het samenwerkingsverband noodzakelijk.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld was er ter zake van de handel in harddrugs sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de genoemde medeverdachten. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat er tevens sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er weliswaar sprake was van een min of meer structureel samenwerken tussen verdachte en genoemde medeverdachten, maar -naar het oordeel van de rechtbank- onvoldoende dat er sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband. Hoewel gesproken kan worden van een in tijd langer durend samenwerkingsverband en de doelstelling voor ieder individu ongetwijfeld geldelijk gewin zal zijn geweest, is van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een gemeenschappelijke doelstelling en een bepaalde hiërarchie onvoldoende gebleken. Als gevolg hiervan is ook van enige druk op de individuele leden, die gemeenschappelijke regels niet zouden naleven, niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan niet vastgesteld worden dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, zodat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij op 9 december 2010 samen met (een) ander(en) opzettelijk aanwezig heeft gehad 98,37 gram hasj.

Bij de doorzoeking in de woning aan de [adres] is op 9 december 2010 in de woonkamer, op de vitrinekast, een plak samengeperste bruine substantie aangetroffen van 98,37 gram.

Onderzoek heeft uitgewezen dat de plak bruine substantie hasj betrof.

Verdachte heeft verklaard dat deze plak hasj van hem is.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 december 2010 opzettelijk 98,37 gram hasj aanwezig heeft gehad.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten:

Op 9 december 2010 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de [adres] te [woonplaats].

Tijdens deze doorzoeking werd, ondermeer, het volgende aangetroffen en in beslaggenomen:

Hal woning:

- twee pakketjes met daarin een bruine geperste substantie met vermoedelijk hasj;

- een weegschaaltje;

Keuken woning:

- een weegschaaltje;

- blauw zakje met grijs/bruin poeder;

- plak bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rood bakje met daarin een weegschaal

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp met bijbehorende demper, geschikt voor afdreiging

- een notitieboekje met hierin vermeld vermoedelijke geldbedragen

Woonkamer

- een mobiele telefoon, merk Nokia, met het nummer [telefoonnummer]

- een mobiele telefoon, merk Blackberry

- een mobiele telefoon, merk Samsung, met het nummer [telefoonnummer]

Slaapkamer:

- een vuistvuurwapen

- glazen potje, met daarin poeder

Slaapkamer:

- een kogelwerend vest

Slaapkamer:

- een doosje met 42 scherpe 9mm patronen

- plastic zakje met groen poeder

Kelderbox:

- kunststof tas met daarin meerdere getapete blokken

- witte plastictas met daarin een grote witte bol

- Super de Boer plastictas met daarin een deegroller en diverse zakjes

- Albert Heijn plastic tas met daarin grote plakken bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rode tas van Dirk met daarin diverse verpakkingsmaterialen en een zakje wit poeder

- stuk geperste bruine substantie vermoedelijk hasj.

Naar het oordeel van de officier van justitie kunnen de op de [adres] aangetroffen drugs worden toegerekend aan alle verdachten, dus ook aan verdachte [verdachte]. Volgens de officier van justitie komt uit het onderzoek naar voren dat de woning aan de [adres] een “safehouse” is en dat de verdachten na een levering veelvuldig naar de [adres] gaan en dat daar de spullen worden bewaard, bewerkt en verwerkt.

De rechtbank is echter van oordeel dat, wat er ook zij van het bestaan van een safehouse op de [adres] in [woonplaats], niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de ten laste gelegde verdovende middelen en geneesmiddelen in de woning op de [adres] op of omstreeks 9 december 2010, noch dat er sprake was van medeplegen van verdachte. Verdachte zal daarom van het onder 5 en 6 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op meer tijdstippen in de periode van 30 augustus 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

Primair

op meer tijdstippen in de periode van 9 november 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland,

telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II,

4.

op 09 december 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 98,37 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het ond er 2 ten laste gelegde feit:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en verzocht aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en aan een eventueel op te leggen voorwaardelijke straf verplicht reclasseringscontact te verbinden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de handel en het aanwezig hebben van cocaïne en hasj. De rechtbank acht dit ernstige strafbare feiten. Cocaïne is immers een stof die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend is. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat hasj en hennep, gelet op het hoge THC-gehalte, gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan hard- en softdrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in drugs met zich mee dat een zwart geldcircuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in drugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 24 maanden geëist. De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn. De rechtbank acht slechts de onder 1, 2, en 4 ten laste gelegde feiten bewezen en zal verdachte vrijspreken van de onder 3, 5 en 6 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de handel in verdovende middelen wordt bovendien een kortere periode bewezen verklaard dan is ten laste gelegd. Voorts houdt de rechtbank rekening met hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 3, 5 en 6 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20, 21 en 22;

- onttrekt aan het verkeer het voorwerp onder 2 van die lijst;

- beveelt teruggave aan verdachte van de voorwerpen onder 8, 11 en 19 van die lijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mrs. E.A. Messer en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 november 2011.