Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV5039

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
16/601261-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cocaïnehandel. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk. Vrijspraak overige feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601261-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op de zitting van 24 oktober 2011 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld in harddrugs, dan wel harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2 primair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj;

feit 2 subsidiair: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj;

feit 3: in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in drugs;

feit 4: op 9 december 2010 samen met (een) ander(en) een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt in voorraad heeft gehad;

feit 5: op 9 december 2010 een hoeveelheid harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of op 9 december 2010 een hoeveelheid softdrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en heeft integrale vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat het wettig bewijs ontbreekt dat verdachte zou handelen in verdovende middelen.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs voor deelname aan een criminele organisatie ontbreekt.

Met betrekking tot de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte de woning [adres] bezocht, noch dat hij wetenschap had van wat zich daar afspeelde.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Algemene opmerkingen van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen in het hiernavolgende verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer 2010294656 (einddossier), tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Voor zover geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna aan te duiden als overige geschriften) voor het bewijs gebruikt worden, worden deze uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

4.3.2 Bewijsoverwegingen

Start en verloop van het onderzoek

Op 12 juli 2010 is een onderzoek gestart onder de naam 09Runner. Dit betrof een onderzoek naar de handel in verdovende middelen dat in georganiseerd verband plaatsvond.

Gedurende dit onderzoek werd vanaf 7 september 2010 het telefoonnummer [telefoonnummer] getapt. Tijdens de opgenomen en afgeluisterde gesprekken van de gebruiker van dit telefoonnummer werd vaak versluierd gesproken over hoeveelheden en soorten. Volgens de politie betrof de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer] [medeverdachte 1]. Op 15 september 2010 werden inzake het onderzoek 09Runner verdachten aangehouden ter zake van overtreding van de Opiumwet. Bij doorzoekingen werden onder meer verdovende middelen, harddrugs en softdrugs, en een vuurwapen aangetroffen en inbeslaggenomen. [medeverdachte 1] is toen niet aangehouden.

Op 4 oktober 2010 werd een onderzoek gestart onder de naam 09Vinger. 09Vinger was een vervolgonderzoek op 09Runner. Ook dit onderzoek had betrekking op de handel in verdovende middelen.

Naar aanleiding van de eerdere onderzoeksbevindingen in 09Runner werd [medeverdachte 1] als verdachte aangemerkt in onderzoek 09Vinger en werd ingaande 5 oktober 2010 het telefoonnummer *[telefoonnummer] getapt, waarbij de politie er vanuit ging dat [medeverdachte 1] dat nummer nog steeds in gebruik had. Vervolgens bleek dat [medeverdachte 1] dat nummer niet meer in gebruik had.

Op 6 oktober 2010 werd een aanvullende aanvraag gedaan, aangezien het nummer *[telefoonnummer] kennelijk niet (meer) in gebruik was. Uit onderzoek van het tapverkeer van 09Runner bleek dit nummer toen in 2 verschillende toestellen geplaatst te zijn geweest. Dat betrof de toestellen met de IMEI-nummers *[nummer] en *[nummer]. Vanaf 7 oktober 2010 werden deze twee IMEI-nummers getapt.

Uit het tappen van het IMEI-nummer *[nummer] bleek dat [medeverdachte 1] vermoedelijk het nummer [telefoonnummer] in gebruik had.

Uit onderzoek 09Runner bleek reeds dat [medeverdachte 1] middels telefoonnummer * [telefoonnummer] contact had met het nummer [telefoonnummer]. Gelet op de strekking van deze gesprekken uit 09Runner werd de gebruiker van de *[telefoonnummer] als verdachte aangemerkt in onderzoek 09Vinger. De gebruiker van het nummer *[telefoonnummer] werd later geïdentificeerd als [verdachte].

Aanhouding en doorzoeking

Op 9 december 2010 is verdachte [verdachte] aangehouden in zijn woning aan de [adres] in [woonplaats].

Tijdens de doorzoeking in die woning werd onder meer aangetroffen en in beslaggenomen:

Hal:

- een zwart lederen tasje met daarin een rode boodschappentas. In deze tas bevonden zich bundels bankbiljetten verpakt in cellofaan. In totaal betrof het een bedrag van

€ 9.495,00;

Slaapkamer:

- een miniboekje met ongeveer 50 velletjes waarop het telefoonnummer [telefoonnummer] stond geschreven plus de naam [naam] (in kledingkast);

- in plastic en cellofaan verpakt wit poeder (op kledingkast);

- een blauwe plastic zak inhoudende vier zakjes kleine hoeveelheid weed (op kledingkast);

- twee zakjes inhoudende een kleine hoeveelheid weed (op dressoir);

- vier mobiele telefoons waarvan twee voorzien van de nummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer];

- een laptop.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 heeft gehandeld in cocaïne, heroïne, MDMA of amfetamine, dan wel één van deze harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Verklaring afnemer over [medeverdachte 1]

Op 14 december 2010 heeft [getuige], die woonachtig is in [woonplaats], tegenover de politie verklaard dat hij de persoon op foto 1 (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1]) herkende als [naam]. Hij kende deze [naam] sinds ongeveer 2 maanden en heeft van [naam] cocaïne gekocht. Hij kon via het telefoonnummer *[telefoonnummer] contact opnemen met [naam].

In de slaapkamer van verdachte [verdachte] is een boekje gevonden met hierin ongeveer 50 velletjes, met hierop geschreven het telefoonnummer *[telefoonnummer] en de naam [naam].

Tapgesprekken met [medeverdachte 1]

Binnen het onderzoek 09Runner maakte de verdachte [medeverdachte 1] gebruik van de mobiele telefoonaansluiting: [telefoonnummer] . Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts als vaststaand worden aangenomen dat verdachte [medeverdachte 1] gedurende het onderzoek 09Vinger, te weten vanaf 5 oktober 2010, de gebruiker is geweest van het telefoonnummer *[telefoonnummer].

Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts, op grond van het proces-verbaal van bevindingen , als vaststaand worden aangenomen dat verdachte [verdachte] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers *[telefoonnummer] en *[telefoonnummer].

In het dossier bevinden zich uitgewerkte tapverslagen van telefoongesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. Deze gesprekken houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

Gespreksnummer 2238 d.d. 5 december 2010

Probeer snel te komen iemand wilt 30 blok

Gespreksnummer 2247 d.d. 5 december 2010

F = [medeverdachte 1] N = [verdachte]

N: Moet ik 30 voor jou maken?

F: Nee, straks, straks ik bel jou dan.

N: Okee, is goed. Waar ben jij?

F: Ik ben gewoon in Overvecht.

N: Heb je die 15 (onverstaanbaar door de lawaai op de

achtergrond bij NNman).

F: Ja, maar ik bel je zo ik ben even met een paar jongens.

Gespreksnummer 2535 d.d. 7 december 2010

Heb je super.

Gespreksnummer 186 d.d. 10 september 2010

[telefoonnummer]:Waar ben je?

[telefoonnummer]:Ik ben hier nou in Overvecht.

[telefoonnummer]:Bij je huis.

[telefoonnummer]:Ja daarzo bij de Klop daar.

[telefoonnummer]: Heb je auto?

[telefoonnummer]:Nee man!

[telefoonnummer]:Nee he jij uh..super thuis?

[telefoonnummer]:He?

[telefoonnummer]:Heb je super?

[telefoonnummer]:Ja man

[telefoonnummer]:Kun jij misschien 3 voor [naam] doen

[telefoonnummer]:Safie is goed

[telefoonnummer]:Hoelang....( niet verstaanbaar) bij jou moeten zijn

[telefoonnummer]:[medeverdachte 2] zeg tegen tegen hem kom achter mijn flat, je weet toch bij die kampers, over een kwartier, of zo.

Gespreksnummer 503 d.d. 14 september 2010

[telefoonnummer]: ben je in de buurt?

[telefoonnummer]: nee man

[telefoonnummer]: ik wil iets van 5 voor [naam]

[telefoonnummer]: ehhhh kan hij niet wachten ofzo? ik heb daar altijd

puur, je weet toch?

[telefoonnummer]: winkelcentrum, je weet toch als ik thuis heb

(ntv)

[telefoonnummer]: wat zei je?

[telefoonnummer]: ik zei " als jet zelf kan pakken, dan is het ook goed"

[telefoonnummer]: ja, maar je moet dan aarde (stof) erin gooien

[telefoonnummer]: ja toch, ik zal er dan ehh, hoeveel moet ik d' erin

doen?

[telefoonnummer]: 4 en 1 gewoon

[telefoonnummer]: oke, is goed

Gespreksnummer 2129 d.d. 3 december 2010

[medeverdachte 1] = F

[verdachte] = N

F: He jongen

N: Alles goed?

F: Goed, met jou?

N: Goed, goed ben Allah dankbaar.

F: Ben je thuis?

N: Eh ik ben buiten man.

F: Ja, eh Heb je tien?

N: Eh die van de laatste keer?

F: Nee, die lichte.

N: Ja toch.

F: Die lichte he?

N: Ja toch.

F: Eh ik kom nu naar jou toe ja?

N: Eh.. okee, in ieder geval over vijf minuten bel ik

jou, kom ik naar jou toe, ik ben buiten.

F: Okee kom naar mij toe ik ben bij [naam].

N: Okee is goed joh

F: Kom wel zo snel mogelijk ja? N: Okee is goed.

De rechtbank stelt vast dat in de genoemde telefoongesprekken, waaraan verdachte heeft deelgenomen, in versluierde taal wordt gesproken. Zo wordt er gesproken over aantallen en over “blok”, “super”, “donker” en “lichte”. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze dan wel soortgelijke termen veelvuldig worden gebezigd in de handel in verdovende middelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de inhoud van deze tapgesprekken dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat zij betrekking hebben op verdovende middelen.

Gelet op het feit dat verdachte genoemde telefoongesprekken voerde met medeverdachte, [medeverdachte 1], die gelet op de verklaring van getuige [getuige] handelde in cocaïne, alsmede gelet op de verklaring van [getuige], dat hij zijn cocaïne kocht via het telefoonnummer *[telefoonnummer] bij ene [naam], en aanwezigheid van het boekje met hierin velletjes met hierop beschreven het telefoonnummer *[telefoonnummer] en de naam [naam] in de slaapkamer van verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte [verdachte] samen met een ander of anderen handelde in cocaïne,met dien verstande dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een kortere periode bewezen acht. De rechtbank zal als beginpunt van deze periode het hiervoor als eerste genoemde tapgesprek d.d. 10 september 2010 als uitgangspunt nemen.

Nu enig bewijsmiddel ontbreekt dat verdachte [verdachte] zou handelen in andere harddrugs dan cocaïne, zal verdachte hiervan partieel worden vrijgesproken.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit:

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasj (primair) of een hoeveelheid van minder dan 30 gram hasj (subsidiair).

In het dossier bevinden zich meerdere tapgesprekken waarin naar het oordeel van de rechtbank versluierd wordt gesproken over verdovende middelen. Het is echter niet duidelijk of deze gesprekken mede betrekking hebben op hasj, noch is er hasj in de woning van verdachte aangetroffen, zodat hij van dit feit zal worden vrijgesproken.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit:

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van de Opiumwet is sprake in geval van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waardoor op de individuele leden druk kan worden uitgeoefend om zich aan de regels te houden. Voorts is een zekere duurzaamheid van het samenwerkingsverband noodzakelijk.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld was er ter zake van de handel in harddrugs sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de genoemde medeverdachten. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat er tevens sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er weliswaar sprake was van een min of meer structureel samenwerken tussen verdachte en genoemde medeverdachten, maar -naar het oordeel van de rechtbank- onvoldoende dat er sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband. Hoewel gesproken kan worden van een in tijd langer durend samenwerkingsverband en de doelstelling voor ieder individu ongetwijfeld geldelijk gewin zal zijn geweest, is van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een gemeenschappelijke doelstelling en een bepaalde hiërarchie onvoldoende gebleken. Als gevolg hiervan is ook van enige druk op de individuele leden, die gemeenschappelijke regels niet zouden naleven, niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan niet vastgesteld worden dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, zodat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten:

Op 9 december 2010 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de [adres] te Utrecht.

Tijdens deze doorzoeking werd, ondermeer, het volgende aangetroffen en in beslaggenomen:

Hal woning:

- twee pakketjes met daarin een bruine geperste substantie met vermoedelijk hasj;

- een weegschaaltje;

Keuken woning:

- een weegschaaltje;

- blauw zakje met grijs/bruin poeder;

- plak bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rood bakje met daarin een weegschaal

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp met bijbehorende demper, geschikt voor afdreiging

- een notitieboekje met hierin vermeld vermoedelijke geldbedragen

Woonkamer:

- een mobiele telefoon, merk Nokia, met het nummer [telefoonnummer]

- een mobiele telefoon, merk Blackberry

- een mobiele telefoon, merk Samsung, met het nummer [telefoonnummer]

Slaapkamer:

- een vuistvuurwapen

- glazen potje, met daarin poeder

Slaapkamer:

- een kogelwerend vest

Slaapkamer:

- een doosje met 42 scherpe 9mm patronen

- plastic zakje met groen poeder

Kelderbox:

- kunststof tas met daarin meerdere getapete blokken

- witte plastictas met daarin een grote witte bol

- Super de Boer plastictas met daarin een deegroller en diverse zakjes

- Albert Heijn plastic tas met daarin grote plakken bruine substantie, vermoedelijk hasj

- rode tas van Dirk met daarin diverse verpakkingsmaterialen en een zakje wit poeder

- stuk geperste bruine substantie vermoedelijk hasj.

Naar het oordeel van de officier van justitie kunnen de op de [adres] aangetroffen drugs worden toegerekend aan alle verdachten, dus ook aan verdachte [verdachte]. Volgens de officier van justitie komt uit het onderzoek naar voren dat de woning aan de [adres] een “safehouse” is en dat de verdachten na een levering veelvuldig naar de [adres] gaan en dat daar de spullen worden bewaard, bewerkt en verwerkt.

De rechtbank is echter van oordeel dat, wat er ook zij van het bestaan van een safehouse op de [adres] in [woonplaats], niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de ten laste gelegde verdovende middelen en geneesmiddelen in de woning op de [adres] op of omstreeks 9 december 2010 noch dat er sprake was van medeplegen van verdachte.

Verdachte zal derhalve van deze ten laste gelegde feiten vrij worden gesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op meer tijdstippen in de periode van 10 september 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, een strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich met een ander of anderen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. De rechtbank acht dit een ernstig strafbaar feit. Cocaïne is immers een stof die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend is. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in drugs met zich mee dat een zwart geldcircuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in drugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

- een bericht van Titan d.d. 21 september 2011, overgelegd ter terechtzitting van 28 september 2011.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 20 maanden geëist. De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn. De rechtbank acht slechts het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen en zal verdachte vrijspreken van de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten. Voorts houdt de rechtbank rekening met hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Een gedeelte van deze straf, te weten 1 maand, zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen aan verdachte, om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring gelet op de bewezenverklaring ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat het geldbedrag van € 9.495,-- uit cocaïne handel moet zijn verkregen, mede gelet op de wijze waarop het in de woning is aangetroffen, te weten bundels in cellofaan verpakte bankbiljetten. De rechtbank vindt de verklaringen die de ouders van verdachte hebben afgelegd als getuigen niet geloofwaardig, gelet op de verklaring van verdachte bij de politie op 16 december 2010 waar verdachte heeft verklaard dat het zijn geld betreft, dat hij het lastig vindt om erover te praten en dat hij hierover verder een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Beslag

- verklaart verbeurd de op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13;

- beveelt de teruggave aan verdachte van het voorwerp vermeld onder 6 van die lijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mrs. E.A. Messer en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 november 2011.