Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV5032

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
16/440414-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling koperdiefstallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440414-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. M.Th.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 december 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1, 2 en 3: samen met een ander koperdiefstallen heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de deels bekennende verklaring van verdachte op de zitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank met betrekking tot feit 1 en 2 tot een bewezenverklaring kan komen. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijs

Feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

13 december 2011 ;

- de aangifte van [aangever 1] namens Woonstichting SSW d.d. 12 april 2011 .

Feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

13 december 2011 ;

- de aangifte van [aangever 2] namens de Vereniging Huiseigenaren [naam] d.d. 8 februari 2011.

Feit 3

Op grond van het navolgende acht de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

[aangever 3] heeft namens De Alliantie Eemvallei d.d. 21 december 2010 aangifte gedaan van diefstal van koperen bliksemafleiders van het dak van de flat aan de Heiligenbergerweg te Amersfoort tussen 13 december 2010 en 14 december 2010.

Een getuige heeft gezien dat op 14 december 2010 twee mannen op het dak van de flat iets afknipten, in een grote tas naar buiten droegen en in een blauwe Peugeot met kenteken [kenteken] laadden. De auto blijkt in december 2010 op naam van verdachte te hebben gestaan.

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij deze koperdiefstal heeft gepleegd samen met verdachte en dat de aangetroffen auto van verdachte was.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat de verklaring van [medeverdachte], als verklaring van een medeverdachte, niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt in de zaak van verdachte. [medeverdachte] heeft de verklaring afgelegd als verdachte in zijn eigen zaak en hij is niet als getuige gehoord in de zaak van verdachte, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op grond van artikel 341 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering mag de verklaring van een medeverdachte geen bewijsmiddel zijn.

In de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt een zeer beperkt begrip medeverdachte gehanteerd. Alleen diegenen worden als medeverdachten aangemerkt van wie de zaken gevoegd worden behandeld. In het onderhavige geval zijn de zaken van [medeverdachte] en verdachte niet gevoegd behandeld, waardoor zij formeel niet als medeverdachten worden aangemerkt. De verklaring van [medeverdachte], opgenomen in een ambtsedig proces-verbaal, kan derhalve als bewijsmiddel in de zaak van verdachte worden gebruikt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 april 2011 te Bilthoven, gemeente De Bilt tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid koperen leidingen van de bliksemafleiders van drie flats gelegen aan de Planetenbaan, toebehorende aan Woonstichting SSW;

2.

op 08 februari 2011 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid koperen leidingen van de bliksemafleiders van een flatgebouw gelegen aan de Livingstonelaan, toebehorende aan de Vereniging van Huiseigenaren [naam];

3.

op 14 december 2010 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid koperen leidingen van de bliksemafleiders van een flatgebouw gelegen aan de Heiligenbergerweg, toebehorende aan De Alliantie Eemvallei.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1, 2 en 3: telkens diefstal door twee of meer verenigde personen;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 150 uur.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich meerdere keren schuldig gemaakt aan koperdiefstal van het dak van flatgebouwen. Verdachte heeft geen moment stilgestaan bij de hinder, overlast en financiële schade die de bewoners hiervan ondervonden. Daarbij komt dat verdachte tevens gevaarzettend heeft gehandeld nu het de bliksemafleiders waren die van het dak werden verwijderd. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 november 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Alles overwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straffen passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een materiële schadevergoeding van € 704,03

voor feit 2 en een immateriële schadevergoeding van € 700,00.

De rechtbank is van oordeel dat de schade ad € 704,03 een rechtstreeks gevolg is van deze bewezen verklaarde feiten en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor het overige deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, 2 en 3 : telkens diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 704,03 ter zake van materiële schade voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 8 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover het bedrag ad € 704,03 voor feit 2 door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 2] € 704,03 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 december 2011.