Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3745

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
16.992019-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Rembrandt: valsheid in geschrift en witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16.992019-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

raadsman mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21, 22, 23 en 24 november 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

? samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feit 1)

? samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feit 2)

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op diverse bewijsmiddelen, afzonderlijk dan wel in samenhang beschouwd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft op diverse punten verweer gevoerd. Deze verweren zullen in paragraaf 4.3 stuk voor stuk in het lopend betoog worden besproken, voor zover zij niet reeds zijn weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Algemeen

4.3.1.1. Inleiding

Anders dan te doen gebruikelijk zal de rechtbank in haar vonnis de verdachte, alsmede haar medeverdachten in de "Rembrandtzaak" ([medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] (h.o.d.n. [medeverdachte 5])) ten behoeve van de leesbaarheid ervan niet in alle gevallen aanduiden als ‘verdachte’ of ‘de verdachte’, c.q. (de) medeverdachte(n), maar verwijzen naar zijn/haar/hun achternaam, en daarbij zo nodig tevens haar (mede)verdachtes, voorletters of voornaam vermelden.

Naar aanleiding van een verdenking dat medewerkers van de [stichting 1] ([stichting 1]), waaronder haar directeur [medeverdachte 2], samen met [medeverdachte 5] (handelende onder de naam [medeverdachte 5]), zijnde een projectontwikkelaar met als directeur [medeverdachte 1], betrokken zouden zijn bij fraude met vastgoedprojecten, het versturen van valse facturen voor werkzaamheden die niet zijn verricht en het afromen van ten onrechte of teveel betaalde bedragen via constructies met besloten vennootschappen, is door de VROM-IOD een onderzoek genaamd Rembrandt ingesteld. Dit onderzoek richtte zich naast voornoemde medewerker van [stichting 1] en van [medeverdachte 5], ook op andere (rechts)personen waaronder [medeverdachte 3] en de aan haar verwante rechtspersonen. Verdachte is een dergelijke rechtspersoon.

[verdachte] zijn aan [medeverdachte 4] een aantal (zie onder 4.3.2) facturen gestuurd. In het onderzoek Rembrandt is tevens onderzocht of deze facturen al dan niet in strijd met de waarheid zijn opgemaakt en uitsluitend waren bedoeld om criminele gelden wit te wassen, zoals [verdachte] wordt verweten. Voor de beantwoording van deze vraag neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

4.3.1.2. [verdachte]

[verdachte] is op 18 september 2000 opgericht. Vanaf de oprichting tot 22 mei 2003 was [medeverdachte 3] bestuurder/enig aandeelhouder van [verdachte] In de periode van 23 mei 2003 tot 29 december 2006 staat [medeverdachte 2] als zodanig vermeld, waarna [medeverdachte 3] weer bestuurder/enig aandeelhouder werd .

4.3.1.3. [medeverdachte 4]

4.3.1.3.1. De oprichting en de certificering van de aandelen van [medeverdachte 4]

Op 30 september 2005 wordt [medeverdachte 4], vanaf 31 mei 2007 genaamd [medeverdachte 4] , (hierna steeds te noemen: [medeverdachte 4]) gevestigd te [vestigingsplaats], opgericht door [medeverdachte 3]. Bij de oprichting wordt [medeverdachte 3] enig aandeelhouder van de vennootschap, terwijl haar levenspartner [A] enig bestuurder wordt. Het totaal geplaatst aandelenkapitaal van [medeverdachte 4] is € 18.150,- en [medeverdachte 3] verkrijgt alle 726 uitgegeven aandelen . Op dezelfde dag wordt door [medeverdachte 3] de [stichting 2][medeverdachte 4] ([stichting 2]) opgericht , waarvan zij enig bestuurder wordt. De aandelen van [medeverdachte 4] worden dezelfde dag nog gecertificeerd en in [stichting 2] ondergebracht.

Op het bankrekeningnummer van [medeverdachte 4] wordt op 15 september 2005 een bedrag ter grootte van € 19.000,- bijgeschreven. De betaling is afkomstig van [bedrijf 5] en is voorzien van de omschrijving “Spoedopdracht.” [medeverdachte 3] verklaart over deze betaling dat deze de verstrekking van een lening betreft door [medeverdachte 1]. Zij verklaart dat [medeverdachte 1] deze lening via zijn bedrijf [bedrijf 5] heeft verstrekt aan [medeverdachte 4] en op die manier voor een garantstelling zorgde. Deze lening is korte tijd later door [medeverdachte 4] terugbetaald.

4.3.1.3.2. De overdracht van aandelen aan [B]

Bij brief d.d. 10 augustus 2005 aan notaris [C] betreffende “Oprichting van [medeverdachte 4]” schrijft de registeraccountant [D] dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] wil oprichten en dat zij de aandelen van deze BV wil certificeren en de certificaten voor 45/55e deel tegen nominale waarde wil overdragen aan haar broer, de heer [medeverdachte 2], hetgeen inhoudt 594 certificaten met een nominale waarde van totaal € 14.850,-. [D] verzoekt notaris [C] de stukken in concept op te maken op basis van deze gegevens.

Op 30 september 2005 draagt [medeverdachte 3] 594 geplaatste certificaten van aandelen in het kapitaal van [medeverdachte 4] over aan [B], de echtgenote van [medeverdachte 2] met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. Blijkens de akte van overdracht van de certificaten betaalt zij hiervoor € 14.850,- .

Bij de vader van [A] is een onderhandse akte van overdracht van de certificaten gedateerd 12 oktober 2005 van [B] aan [A] aangetroffen. Deze overdracht van de certificaten is niet aangetekend in het bijbehorende register van certificaathouders . Deze akte en de plaats waar deze zich bevond kwam eerst ter sprake in het 15e verhoor door VROM-IOD van [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] heeft toen verklaard dat zij dit document bij de vader van [A] op zolder bewaarde als back-up in verband met brandgevaar. Er is echter nergens een originele versie van deze akte aangetroffen.

[B] verklaart dat zij niets weet van een overdracht van certificaten aan, respectievelijk door haar. Zij verklaart bovendien niets te weten van een garantstelling. Geconfronteerd met de parafen en handtekeningen op de documenten betreffende de (vermeende) overdrachten van de certificaten, verklaart zij niet te weten of deze van haar zijn.

Met betrekking tot de certificaten verklaart [A] nog dat zij niet weet hoe lang deze garantstelling heeft geduurd en of [B] nog steeds garant staat.

De verdediging heeft aangevoerd dat de overdracht van certificaten aan [B], de echtgenote van [medeverdachte 2], een garantstelling betrof voor de lening die is afgesloten ten behoeve van het kapitaal dat benodigd was voor de oprichting van [medeverdachte 4] en dat de certificaten enkele dagen later, toen de garantstelling niet meer nodig was, door [B] zijn overgedragen aan [A].

Gelet op bovenstaande bevindingen acht de rechtbank de door de verdediging geschetste gang van zaken omtrent de teruglevering van de certificaten door [B] aan [A] niet aannemelijk. De enige aanwijzing voor een dergelijke gang van zaken (naast de verklaringen van verdachten) is de onderhandse akte maar daaraan kan de rechtbank, gezien vorenstaande overwegingen over die akte, onvoldoende waarde hechten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de certificaten in eigendom van [B] zijn gebleven.

4.3.1.3.3. De betrokkenheid van verdachten in [medeverdachte 4]

Om vast te stellen wat de betrokkenheid van de verschillende verdachten was bij de oprichting en de activiteiten van [medeverdachte 4] en wie (feitelijk) leiding geven aan [medeverdachte 4], slaat de rechtbank acht op de volgende verklaringen en documenten.

Blijkens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 7 mei 2010 betreffende [medeverdachte 4] was [A] vanaf de oprichting op 30 september 2005 algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd .

Over de oprichting van [medeverdachte 4] wordt door de directeur, [A], het volgende verklaard:

"Ik ben niet bij de oprichtingsplannen van de Stichting en [medeverdachte 4] aanwezig geweest. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] = [medeverdachte 3]) hebben dit gepland. Ik moest directeur worden, omdat [medeverdachte 1] geen zaken zou mogen doen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Dit was vanwege de geldstromen van [stichting 1] naar [medeverdachte 5] en van [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 4]. [medeverdachte 2] was toen al directeur bij [stichting 1] en [medeverdachte 3] kon geen directeur zijn omdat zij de zus van [medeverdachte 2] is en [medeverdachte 2] de directeur van [stichting 1]. Het is mij door [medeverdachte 3] uitgelegd dat zij geen directeur konden worden en ik wel. Ik verdiende veel geld waar ik niets voor hoefde doen.”

Vanaf 20 november 2008 wordt [medeverdachte 1] eveneens zelfstandig bevoegd als algemeen directeur. [A] verklaart dat het feit dat [medeverdachte 1] op dat moment directeur werd van [medeverdachte 4], alles te maken had met het aangekondigde bezoek van de belastingdienst. Vlak voor dit bezoek van de belastingdienst in 2008 heeft zij een stuk of tien briefjes geschreven tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4]. Zij verklaart dat de datum van die briefjes moest kloppen met de projecten die in de mappen aan de [adres] te [woonplaats] zaten. Volgens [A] heeft [medeverdachte 2] haar daar deze briefjes gedicteerd met een tekst als “hoi [medeverdachte 1], hierbij de tekening of stukken van… Ik heb gekeken naar project dat niet haalbaar is. Groetjes [A]”

Zij verklaart dat deze briefjes met een foutieve datum in de projectmappen zijn gedaan en dat een kopie daarvan is gegeven aan [medeverdachte 1], die ook bij het onderhoud aanwezig was. Zij verklaart voorts vaker haar handtekening te hebben gezet onder dingen die niet klopten .

Ook [medeverdachte 3] was volgens haar bij het onderhoud aanwezig. [medeverdachte 3] heeft tijdens haar verhoor door de VROM IOD bevestigd dat [medeverdachte 2] heeft geholpen met administratieve taken in [medeverdachte 4].

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [A] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat zij gemakkelijk te beïnvloeden is en mede door onjuiste informatieverschaffing door de verbalisanten tijdens de verhoren, in strijd met de waarheid heeft verklaard.

De rechtbank overweegt dat [A] tijdens de verhoren door de VROM-IOD de mogelijkheid heeft gehad om haar advocaat te raadplegen. Zij heeft consequent verklaard en de inhoud van haar verklaringen herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank ten tijde van de inbewaringstelling. De rechtbank is niet van het voorhouden van onjuiste omstandigheden tijdens haar verhoren gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen reden is om de verklaringen van [A] van het bewijs uit te sluiten en verwerpt het verweer.

[medeverdachte 3] verklaart dat zij de betalingen verzorgde voor [medeverdachte 4] en dat ze alles weet van de administratie van [medeverdachte 4]. Zij verklaart dat zij de werkzaamheden heeft verricht en de adviezen heeft gegeven waarvan in de verschillende documenten wordt gesproken en waarvan [A] verklaart dat zij die niet heeft verricht respectievelijk gegeven. Zij verklaart dat ze deze werkzaamheden en projecten aan [medeverdachte 5] heeft gefactureerd. Over de rol van [A] in [medeverdachte 4] verklaart ze dat ze aanvankelijk dacht dat [A] wel werkzaamheden zou gaan verrichten, maar dat duidelijk werd dat zij het niet leuk vond.

In een emailbericht d.d. 1 september 2005 van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] “ze zo netjes vind”. Het emailbericht vermeldt als onderwerp ‘Briefpapier en factuur [medeverdachte 4]’ en bij dit bericht zijn twee documenten gevoegd, te weten een blanco (concept) brief en een blanco (concept) factuur op briefpapier van [medeverdachte 4][bedrijf 4]

Op 19 september 2005 stuurt [D] aan [verdachte], t.a.v. de heer [medeverdachte 2] een factuur voor verleende diensten tot en met augustus 2005. Op de specificatie van de factuur staat onder meer de post ‘oprichten rechtspersonen’. Op een overzicht dat later door [D] wordt verstrekt staat bij deze post vermeld ”10-08-2005 H&S (=[naam]) inz. [medeverdachte 4]”

[bedrijf 6] stuurt [medeverdachte 4] op 31 januari 2007 een factuur ten behoeve van Juridisch advies inzake diverse projecten. Deze factuur wordt in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 2] is bij de doorzoeking ter inbeslagname d.d. 19 mei 2010 ook gevonden een uitdraai van een verrekenstaat waarop onder andere een kolom staat met de titel Deel [medeverdachte 4] (zie ook hierna onder paragraaf 4.3.1.3.4 “Geldstromen”).

En voorts werd in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen een lijst met daarop de aandelenportefeuille van [medeverdachte 4] .

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] naast [medeverdachte 3] en [A] feitelijk opdracht en/of leiding heeft geven aan [medeverdachte 4].

4.3.1.3.4. De geldstromen van en naar [medeverdachte 4]

Om vast te stellen hoe de geldstromen liepen van en naar deze BV slaat de rechtbank acht op het volgende.

Verrekenstaat en handgeschreven notities

Op de computers in de woningen van respectievelijk [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [A] en in het bedrijfspand aan de [adres] is een verrekenstaat aangetroffen waarin onder meer een kolom is opgenomen met de titel Deel [medeverdachte 4]. In de woning van [medeverdachte 2] is een (eerdere) uitdraai van deze verrekenstaat gevonden. In de kolom met de titel Deel [medeverdachte 4] staan uiteenlopende bedragen in euro’s opgenomen onder diverse projectnamen.

Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 2] handgeschreven overzichten (B 5 264 , B 5 265 en B 5 266 ) aangetroffen. Op deze documenten staan allerlei bedragen, plaatsnamen, projecten en verwijzingen naar facturen geschreven. Deze documenten zijn van de hand van [medeverdachte 3].

Op grond van deze verrekenstaat en de handgeschreven notities concludeert de rechtbank dat bedragen, afkomstig uit de opbrengsten van diverse projecten, ten goede zouden komen aan [medeverdachte 4].

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanwezigheid, herkomst en/of bedoeling van de -digitaal dan wel fysiek- aangetroffen verrekenstaten en handgeschreven notities niet bekend waren bij de verschillende verdachten en dat uit de enkele vondst van deze documenten geen conclusies mogen worden getrokken met betrekking tot hun wetenschap van de inhoud van deze documenten. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. De verrekenstaten en/of handgeschreven notities zijn bij de verschillende verdachten thuis en/of op de bij hen in gebruik zijnde computers aangetroffen. Zij vermelden projecten waarbij zij allemaal op de een of andere wijze betrokken zijn geweest en maken voorts melding van bedragen die verdachten niet onbekend kunnen zijn gelet op deze betrokkenheid.

Voor de beantwoording van de vraag of en hoe de geldstromen vanuit de projecten naar [medeverdachte 4] liepen overweegt de rechtbank het volgende.

Het indienen van declaraties door [medeverdachte 4] aan o.a. [medeverdachte 5]

[medeverdachte 4] heeft diverse (hierna afzonderlijk te noemen onder de verschillende ten laste gelegde feiten) facturen verzonden aan onder andere [medeverdachte 5]. Deze facturen gingen vergezeld met een begeleidend schrijven, waarin de reden van de facturatie stond vermeld. In dit begeleidend schrijven werd ofwel verwezen naar de afkoop van een project waarvoor [medeverdachte 4] mede risico zou hebben gedragen, ofwel naar werkzaamheden die door [medeverdachte 4] in een bepaald project zouden zijn verricht. Het begeleidend schrijven werd ondertekend door [A], als directeur van de BV.

In de tenlastelegging wordt een aantal facturen genoemd die vals zouden zijn opgemaakt. Bij de afzonderlijk tenlastegelegde facturen zal de rechtbank vaststellen of naar haar oordeel het aannemelijk is dat de omschreven werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of het in de factuur beschreven risico daadwerkelijk is gedragen door [medeverdachte 4][bedrijf 4] Voor de leesbaarheid van dit vonnis vermeldt de rechtbank hierop vooruitlopend alvast haar conclusie dat naar haar oordeel dit niet het geval is.

De rechtbank concludeert dat de verkregen opbrengsten uit de projecten via het indienen van facturen bij onder andere [medeverdachte 5] naar het vermogen van [medeverdachte 4] zijn gevloeid.

Voor de beantwoording van de vraag hoe de geldstromen vanuit [medeverdachte 4] naar de verdachten zijn gegaan, slaat de rechtbank acht op het volgende:

Certificaten

De certificaten van [medeverdachte 4] die door [medeverdachte 3] zijn overgedragen aan [B] belichamen de economische rechten. Het meest in het oog springende economische recht is het recht op dividend.

[B] bezat 45/55e deel en [medeverdachte 3] 10/55e deel van de certificaten van [medeverdachte 4][bedrijf 4] Daarmee vallen de opbrengsten van de door het [stichting 2] te beheren aandelen voor respectievelijk 45/55e en 10/55e deel in hun vermogen.

[B] is in gemeenschap van goederen getrouwd met [medeverdachte 2]. Dit impliceert dat de certificaten van [B] in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en dat het op de aandelen van [medeverdachte 4] uit te keren dividend voor 45/55e deel in het vermogen van [medeverdachte 2] valt. Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat -gelet op bovenvermelde verdeling van de certificaten- 10/55e deel van het op de aandelen van [medeverdachte 4] uit te keren dividend in het vermogen van [medeverdachte 3] valt.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er daadwerkelijk gelden vanuit [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 2] en andere verdachten zijn gevloeid.

4.3.1.3.5. Deelconclusie met betrekking tot [medeverdachte 4]

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 4] –mede- is opgericht om gelden afkomstig uit misdrijf wit te wassen.

4.3.2. Valsheid in geschrift en witwassen

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats] , heeft in de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 oktober 2009 de volgende facturen verzonden aan [medeverdachte 4].

- een factuur nr. 07-001 d.d. 06-03-2007 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter grootte van € 11.900,00,- met de omschrijving diverse werkzaamheden

- een factuur nr. 07-002 d.d. 16-07-2007 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter grootte van € 59.500,00,- met de omschrijving Management Fee

- een factuur nr. 07-003 d.d. 10-10-2007 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter grootte van EURO 59.500,00,- met de omschrijving Management Fee

-een factuur nr. 09-001 d.d. 18-03-2009 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter grootte van € 23.800,00,- met de omschrijving Ontwikkelingsrapportage [project 5], verkoopprijzen en berekening [woonplaats], [woonplaats], [woonplaats]

- een factuur 09-001 d.d. 22-10-2009 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter grootte van€ 16.957,50 met de omschrijving Ontwikkelingsonderzoek [project 4] [woonplaats], Verkoopprijzen onderzoek [project 4], Overleggen [woonplaats], Bezuinigingslijst bouw [woonplaats]

In de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 oktober 2009 heeft [medeverdachte 4], gevestigd te [vestigingsplaats] , aan [verdachte] de volgende betalingen gedaan:

Bijlage Betaaldatum Bedrag Omschrijving betaling

B 5 1732 06-03-2007 € 11.900,00 [verdachte]

fact nr. 07-001

B 5 1734 16-07-2007 € 50.000,00 [verdachte]

Voorschot management fee

B 5 1734 17-07-2007 € 9.500,00 [verdachte]

Fact nr 07-002 restant, voorschot was al voldaan

B 5 1735 24-10-2007 € 9.500,00 [verdachte]

fact. nr. 07-003

deelbetaling

B 5 1735 24-10-2007 € 50.000,00 [verdachte]

fact. nr. 07-003

rest betaling

B 5 1736 11-11-2008 € 12.500,00 [verdachte]

voorschot management nota

B 5 1737 30-03-2009 € 11.300,00 [verdachte]

f a c t nr 09-001 restant

B 5 1738 07-05-2009 € 500,00 [verdachte]

voorschot

B 5 1739 05-06-2009 € 2.500,00 [verdachte]

voorschot werkzaamheden

B 5 1740 26-06-2009 € 2.500,00 [verdachte]

voorschot nota werkzaamheden

B 5 1741 24-07-2009 € 1.000,00 [verdachte]

voorschot

B.5 1742 28-08-2009 € 1.000,00 [verdachte]

voorschot

B 5 1742 10-09-2009 € 500,00 [verdachte]

lening

B 5.1743 24-09-2009 € 2.500,00 [verdachte]

Voorschot management nota

B 5 1744 22-10-2009 € 6.457,50 [verdachte]

f a c t n r 09-002 restant

verrekening met voorschotten

verrekening met lening dd l0/9/09

Bij factuur 07-001 zit een door [A] ondertekend begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar verrichte werkzaamheden voor de projecten [project 1] te [woonplaats] en [project 2]. In het begeleidend schrijven bij factuur 07-002 wordt verwezen naar project [woonplaats], waarvoor [medeverdachte 4] de helft van het risico zou dragen en op haar beurt de helft daarvan overdraagt aan [verdachte] Factuur 07-003 zou volgens het begeleidend schrijven betrekking hebben op het afkopen van door [medeverdachte 4] gedragen ontwikkelrisico en de terugkoopverplichting voor 50% voor het project [project 3] te [woonplaats], waarvan [verdachte] een gelijk deel zou hebben gedragen. Over factuur 09-002 verklaart [medeverdachte 3] dat deze betrekking heeft op door haar verricht ontwikkelingsonderzoek voor het project [project 4], prijsonderzoek ten aanzien van het [project 4], onderzoek naar bezuinigingen die plaatsvonden in [woonplaats] en gevoerde overleggen met de lokale makelaar en de gemeente in [woonplaats].

[medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de administratie van zowel [medeverdachte 4], als van [verdachte] verzorgde. Zo schreef zij ook bovengenoemde brieven en maakte genoemde facturen op. De brieven van [medeverdachte 4] werden wel door [A] ondertekend. Laatstgenoemde had hier echter geen inhoudelijke betrokkenheid bij.

Door de verdediging is gesteld dat daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht in genoemde projecten en ter onderbouwing van deze stelling zijn diverse projectmappen ingebracht.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van deze projectmappen niet blijkt dat door of namens [verdachte] werkzaamheden zijn verricht.

Immers, de projectmappen bevatten voornamelijk algemene informatie die klaarblijkelijk door derden is opgesteld. Er zijn geen (handgeschreven) notities of andere correspondentie aangetroffen waaruit blijkt dat deze afkomstig zijn van verdachte en/of haar bestuurder, [medeverdachte 3]. Ook andere stukken waaruit blijkt dat de in de projecten uitgevoerde werkzaamheden specifiek door of namens [verdachte] zijn verricht zijn niet overgelegd. Zo er al werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van deze projecten, door de bestuurder van verdachte, [medeverdachte 3], dan blijkt uit de stukken dat laatstgenoemde deze heeft verricht uit hoofde van haar functie bij [makelaardij] -een onderneming van [medeverdachte 1]- of in het kader van andere werkzaamheden die zij voor [medeverdachte 1] verrichtte.

Dit maakt voornoemde facturen tot valse facturen.

Door verdachte en zijn/haar mededaders is voor de ontvangst van bovengenoemde betalingen in de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 oktober 2009 door [medeverdachte 4] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. De rechtbank leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 4.3.1.3. met betrekking tot [medeverdachte 4] staan beschreven, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Door betaling van deze facturen van [verdachte] door [medeverdachte 4] is het criminele geld -te weten het geld dat op grond van oplichting is verkregen- overgegaan van [medeverdachte 4] naar [verdachte] Hiermee acht de rechtbank ook het witwassen van het totaalbedrag van de genoemde facturen bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 oktober 2009 te Nieuw Vennep en/of elders in Nederland, geschriften te weten

-de factuur d.d. 06-03-2007 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter

grootte van EURO 11.900,00 en

-de factuur d.d. 16-07-2007 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter

grootte van EURO 59.500,00 en

-de factuur d.d. 10-10-2007 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] ter

grootte van EURO 59.500,00 en

-de factuur d.d. 18-03-2009 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] te

grootte van EURO 23.800,00 en

-de factuur d.d. 22-10-2009 van [verdachte] aan [medeverdachte 4] te

grootte van EURO 16.957,50

zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [verdachte] valselijk en in strijd met de waarheid

in die factuur (telkens) opgenomen dat er door haar, [verdachte], werkzaamheden (adviezen en project- en werkvoorbereidingen) zijn verricht ten behoeve van [medeverdachte 4] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdachte 4])

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

2.

zij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 oktober 2009 te Nieuw Vennep en/of elders in Nederland, van voorwerpen, te weten

-EURO 11.900,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 06-03-2007 (B.5.1732),

en

-EURO 50.000,00 ontvangen [medeverdachte 4], d.d. 16-07-2007 (B.5.1734), en

-EURO 9.500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d.17-07-2007 (B.5.1734), en

-EURO 9.500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 24-10-2007 (B.5.1735), en

-EURO 50.000,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 24-10-2007 (B.5.1735), en

-EURO 12.500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 11-11-2008 (B.5.1736), en

-EURO 11.300,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 30-03-2009 (B.5.1737), en

-EURO 500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 07-05-2009 (B.5.1738), en

-EURO 2.500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 05-06-2009 (B.5.1739), en

-EURO 2.500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 26-06-2009 (B.5.1740), en

-EURO 1.000,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 24-07-2009 (B.5.1741), en

-EURO 1.000,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 28-08-2009 (B.5.1742), en

-EURO 500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 10-09-2009 (B.5.1742), en

-EURO 2.500,00 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 24-09-2009 (B.5.1743), en

-EURO 6.457,50 ontvangen van [medeverdachte 4], d.d. 22-10-2009 (B.5.1744)

de werkelijke aard heeft verhuld en heeft verborgen wie de rechthebbende op de voorwerpen was

door voor te wenden dat die voorwerpen verkregen waren door betaling van facturen voor werkzaamheden die [verdachte] voor [medeverdachte 4] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdachte 4]) zou hebben verricht, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden niet waren verricht,

terwijl zij, verdachte wist, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk-

afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Feit 2: Witwassen

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben op grond van hetgeen zij bewezen hebben geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 15.000,-.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarmee de rechtbank rekening moet houden bij het opleggen van de straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

De verdachte rechtspersoon heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het opmaken van valse facturen en het witwassen van gelden. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële documentatie d.d. 30 mei 2011 niet eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft een geldboete van € 15.000,- gevorderd.

De rechtbank is van mening dat gelet op de bovengeschetste feiten en omstandigheden de door officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waarin de rechtspersoon verkeerde en verkeert.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 51, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Feit 2: Witwassen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 15.000,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 december 2011.