Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3623

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
16/600800-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging door middel van braak bij een tandartsenpraktijk. Fors strafblad. Gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600800-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd voor deze zaak te P.I. Utrecht Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht,

raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander of anderen goederen heeft gestolen bij tandartspraktijk THCC door daar in te breken.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs0

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], de DNA-match van het dna van verdachte met het bloed op de glasscherf die in het pand is aangetroffen en de deels bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer aangevoerd ten aanzien van het bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Getuige [getuige 3] (werkzaam bij de politie) hoorde op 8 augustus 2011 rond 01:00 uur een klap en glasgerinkel afkomstig uit de richting van de tandartsenpraktijk aan de Pablo Picassostraat te Utrecht. Op ongeveer acht meter van de tandartsenpraktijk zag [getuige 3] een personenauto staan met gedoofde verlichting en een geopende kofferbak. [getuige 3] zag een bestuurder in de auto zitten en zag een tweede man met een op een honkbalknuppel gelijkend voorwerp uit de richting van het glasgerinkel komen. Een derde man kwam uit dezelfde richting lopen en hield een beeldscherm vast. Deze werd in de kofferbak gelegd en de auto reed – met daarin de drie mannen – weg.

Getuige [getuige 1] hoort het glasgerinkel aan de Pablo Picassostraat ook. Hij ziet een man uit het rechterachterportier van een personenauto stappen en in de richting van de tandartspraktijk lopen. [getuige 1] ziet de man vervolgens met een op een toetsenbord gelijkend voorwerp in zijn handen terug naar de auto lopen en het toetsenbord in de kofferbak leggen. De man stapt achter in de auto en de auto rijdt weg.

De eigenaar van de tandartspraktijk THCC heeft aangifte gedaan van diefstal. Hij verklaart dat hij even na 01:30 uur ter plaatse kwam en hij zag dat er een ruit van zijn praktijk volledig vernield was. Ook zag aangever dat de I-Mac die op de receptiebalie stond was weggenomen. Het bijbehorende toetsenbord was eveneens weg.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met anderen heeft ingebroken bij de tandartspraktijk aan de Pablo Picassostraat te Utrecht. Verdachte heeft de ruit van de praktijk ingeslagen met een moker, waarna hij via het raam naar binnen is gegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij alleen een computerscherm heeft meegenomen.

Verdachte stelt dat hij niet heeft gezien dat er een toetsenbord is meegenomen. Op grond van de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 1] is voldoende komen vast te staan dat er bij de inbraak eveneens een toetsenbord is weggenomen door verdachte dan wel door één van zijn mededaders. Wie het toetsenbord heeft weggenomen doet niet ter zake, omdat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders en zij opzettelijk tezamen de inbraak hebben gepleegd.

Op grond van het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 8 augustus 2011 in vereniging met anderen heeft ingebroken bij tandartspraktijk THCC aan de Pablo Picassostraat te Utrecht, door een ruit in te slaan en goederen weg te nemen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 08 augustus 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tandartspraktijk (gelegen aan de Pablo Picassostraat) heeft weggenomen

een computer (merk Apple Imac, kleur wit) en een toetsenbord (merk Apple, kleur wit),

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of tandartspraktijk THCC, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak van een ruit van die tandartspraktijk;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 160 dagen, waarvan 46 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. Tevens dient verdachte mee te werken aan begeleiding door Jeugd ACT.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging betoogt dat er te zwaar wordt getild aan het lange strafblad van verdachte. Er blijken echter veel dubbele zaken op te staan. Wanneer wordt getoetst aan de criteria voor frequente recidive zoals bedoeld in de Landelijke Oriëntatiepunten, dan blijkt verdachte niet aan deze vereisten te voldoen. Thans is er volgens de verdediging geen sprake van frequente recidive. Verdachte is wel een veelpleger, maar de documentatie is niet zo ernstig als het lijkt. Gangbaar voor een feit als het onderhavige, is oplegging van een gevangenisstraf van 10 weken. Primair verzoekt de verdediging daarom om de eis te matigen naar 10 weken gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Subsidiair verzoekt de verdediging tot oplegging van een gevangenisstraf conform het voorarrest. De verdediging is van mening dat puur afstraffen geen optie is. Verdachte aanvaardt Jeugd ACT en wil meewerken met de hulpverlening. Verdachte is bang voor een ISD-maatregel hetgeen maakt dat hij thans bereid is om hulp te aanvaarden en zich te houden aan daarbij te stellen voorwaarden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak in vereniging. Aan het plegen van een dergelijk feit tilt de rechtbank zwaar. Weliswaar is het financiële gewin voor de verdachte bij de inbraak niet groot geweest, maar de materiële schade voor het betreffende bedrijf wel. Bedrijfsinbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar dragen bij aan een onveilig gevoel bij de werknemers van dat bedrijf. De rechtbank weegt als verzwarende omstandigheid mee dat verdachte met zijn handelen veel materiële schade heeft veroorzaakt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte, ondanks zijn nog jonge leeftijd, een fors strafblad heeft en eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten;

- een schrijven van Reclassering Nederland d.d. 10 augustus 2011, inhoudende dat verdachte een “zorgwekkende zorgmijder” is, die wel begeleiding en behandeling nodig lijkt te hebben. De ontvankelijkheid voor begeleiding of behandeling is echter laag, aldus Reclassering Nederland. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoeken en begeleiding.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk noodzakelijk is. De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden verbinden, een verplicht reclasseringscontact waarbij verdachte zich onder verplichte begeleiding stelt van Jeugd ACT en de reclassering hierop toe ziet. Gelet op het forse strafblad van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andere of lichtere sanctie. In het verleden heeft verdachte geweigerd aan elke vorm van hulpverlening mee te werken. De ommezwaai van verdachte lijkt te zijn ingegeven door een dreigende ISD- maatregel. De rechtbank meent dat een groot voorwaardelijk deel noodzakelijk is om verdachte te overtuigen van de ernst van het gepleegde feit en hem ervan te weerhouden nog eens strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de schadepost ‘besteedde uren’. Deze post levert een onevenredige belasting op van het strafproces. Voor het overige verzoekt de officier van justitie de vordering toe te wijzen met oplegging van de schademaatregel. Deze schade is het gevolg van het handelen door verdachte.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de aangifte summier is. De benadeelde partij heeft schadeposten opgevoerd die niet terugkomen in de aangifte. Dit betreffen de kosten van de beschadiging van de balie, de vloer, de etikettenprinter, de bureaustoel en arbeidskosten. Bij elkaar levert dit een enorme kostenpost op, welke een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Bij de vordering zijn wel offertes bijgesloten, maar geen bonnen waaruit blijkt hoe groot de daadwerkelijke schade is geweest. De verdediging betwist niet dat de benadeelde partij schade heeft ondervonden naar aanleiding van het tenlastegelegde feit ten aanzien van netwerkbeheer, de computer met software, posten ten aanzien van het glas en schoonmaakkosten. De verdediging acht deze schadeposten voor toewijzing vatbaar.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat alleen die schade in aanmerking komt voor een vergoeding, wanneer er een rechtstreeks verband is tussen die (gevorderde) schade en het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangifte volgt dat de benadeelde partij de volgende kosten heeft moeten maken naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit: schoonmaakkosten, kosten voor het omzetten van e-mail naar een andere computer, een nieuwe computer en software alsmede installatiekosten en kosten voor het herstellen van de ingegooide ruit. Dit komt neer op een bedrag van € 3341,98. Deze kosten acht de rechtbank voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal derhalve de vordering voor dit deel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schademaatregel.

De overige door de benadeelde partij opgevoerde schadeposten zijn niet eenvoudig van aard en leveren naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting op van het strafproces. De rechtbank zal derhalve de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen moker en handschoenen. De sleutelbos kan worden teruggegeven aan verdachte.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert geen verweer ten aanzien van het beslag.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De inbeslaggenomen sleutelbos behoort verdachte toe. Derhalve zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten als rechthebbende van deze sleutelbos. De rechtbank zal tevens de teruggave gelasten van het inbeslaggenomen papier, nu niet is gebleken dat dit papier vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het onder verdachte in beslag is genomen.

Nu het bewezenverklaarde met behulp van de moker en de handschoenen is begaan, zal de rechtbank de in beslag genomen moker en handschoenen verbeurd verklaren.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36f, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat wenselijk acht, ook als dat inhoudt behandeling en begeleiding door Jeugd ACT;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 9 en 11;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 6 en 12;

Benadeelde partij

- wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van

€ 3341,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 augustus 2011.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 3341,98 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 43 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van de dag waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.A.T. Kruijer, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 november 2011.