Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3526

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
304495 - HA ZA 11-676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenruzie; Erfdienstbaarheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 304495 / HA ZA 11-676

Vonnis van 28 december 2011

in de zaak van

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat: mr. J.P.H.C. Swarts te Soest,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. P.F. van Esseveldt te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden]. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 juli 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 september 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] en [gedaagden]. zijn buren van elkaar. [eisers] woont aan de [adres] te [woonplaats] en [gedaagden]. woont aan het [adres] te[woonplaats]. De naburige erven zijn voorheen in een hand geweest, warbij de woningen van partijen één geheel vormden. In 1972 is de eigendom gesplitst en zijn de twee huidige erven ontstaan. Een gedeelte van de muur van de woning van [gedaagden]. grenst aan de tuin van [eisers].

2.2. [gedaagden]. woont sinds 1973 in zijn woning.

2.3. De woning van [eisers] is op 31 maart 1994 aan hem geleverd bij notariële akte. Artikel 7 van de notariële akte luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(…) Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar voormelde titel van aankomst, waarin woordelijk staat vermeld:

“Ten deze worden over en weder ten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte en het aan de verkoper in eigendom verblijvend gedeelte van gemeld kadastraal perceel 3229 al zodanige erfdienstbaarheden gevestigd, waardoor de toestand waarin deze perceelsgedeelten zich ten opzichte van elkaar bevinden blijft gehandhaafd, speciaal wat betreft de afvoer van hemelwater, gootwater, faecaliën door riolering of anderszins, eventuele inbalking, verankering, overbouw en uitzicht en toevoer van licht en lucht, zijnde hieronder evenwel niet begrepen een verbod om te bouwen of te verbouwen, zullende deze erfdienstbaarheden niet geacht worden te zijn verzwaard door bebouwing, meerdere bebouwing of verandering van aard of bestemming der heersende erven.”

Voor zover in bovengenoemde bepalingen verplichtingen voorkomen welke verkoper verplicht is aan kopers op te leggen, doet hij dat bij deze en wordt een en ander bij deze door kopers aanvaard. (…)”

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisers] vordert:

I. te verklaren voor recht dat gedaagden onrechtmatig jegens eisers handelen zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding waaronder onrechtmatig handelen in de zin van:

a. aanzienlijke hinder jegens eisers in de zin van rumoer en trillingen vanwege de door gedaagden geplaatste en gebruikte wand-wc in de badkamer van gedaagden, welke grenst aan de woning van eisers, waardoor jegens eisers sprake is van aanzienlijke hinder in het genot van de eigendom van eisers in hun onroerende zaak en een inbreuk in het eigendomsrecht van eisers, en/of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, en;

b. hinder jegens eiseres doordat gedaagden het ondoorzichtige glas in het raamvenster van de toiletruimte dat grenst en uitkijkt op de tuin van eisers, en het het ondoorzichtige glas in het keukenraam boven de aanbouw van gedaagden, hebben vervangen door doorzichtig glas, waardoor gedaagden, althans waarmee gedaagden, in staat zijn eisers te bespieden, en waardoor sprake is van een inbreuk op het gebruiksgenot van de onroerende zaak van eisers in de zin van een inbreuk op eisers recht op privacy waardoor sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht van eisers. Voorts is door het handelen van gedaagden sprake van overtreding van artikel 5:50 BW;

c. hinder jegens eiseres doordat gedaagden een camera hebben geplaatst in het raam van de toiletruimte van gedaagden in de muur welke grenst aan de tuin van eisers, en een camera hebben geplaatst in de aanbouw van gedaagden direct achter het keukenraam van gedaagden, een en ander zoals afgebeeld in producties 7 en 8 behorende bij de dagvaarding, waardoor gedaagden, althans waarmee gedaagden, in staat zijn eisers te bespieden, en waardoor sprake is van een inbreuk op het gebruiksgenot van de onroerende zaak van eisers in de zin van een inbreuk op eisers recht op privacy waardoor sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht van eisers. Voorts is door het handelen van gedaagden sprake van overtreding van artikel 5:50 BW;

d. het schilderen van de buitenmuren van het perceel van gedaagden in de kleur geel omdat zulks in strijd is met de over en weer geldende erfdienstbaarheden, en bovendien onrechtmatig vanwege hinder in het genot van de eigendom van eisers in hun onroerende zaak, en/of het doen of nalaten met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt nu dit dit niet in overeenstemming is met maatschappelijk aanvaarde normen over behoorlijk en zorgvuldig gedrag jegens eisers;

e. het plaatsen door gedaagden van een doorzichtig daklicht ter hoogte van de overloop van de trap van gedaagden in de muur en het dak dat grenst aan de tuin van eisers, waar tot 2009 een ondoorzichtig daklicht in zat, nu zulks in strijd is met de geldende erfdienstbaarheden en/of artikel 5:50 en 5:51 BW

II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis de door hen geplaatste wand-wc met vermaler in de toiletpot van hun badkamer te verwijderen en definitief verwijderd te houden, en gedaagden te verbieden deze wc te vervangen door een gelijke of gelijksoortige wc met motor en maler, althans een wc met een dergelijk systeem waardoor eisers wederom hinder kunnen ondervinden door rumoer en/of trillingen, en gedaagden te gebieden bij vervanging van de wc te voldoen aan alle wettelijke geldende geluidsnormen, en;

b. om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis, ervoor zorg te dragen dat het ondoorzichtige glas in het raamvenster van de toiletruimte van gedaagden, welk venster aanwezig is in de muur welke grenst aan, en uitkijkt op, de tuin van eisers, en het ondoorzichtige glas in het keukenraam boven de aanbouw van gedaagden, wordt geplaatst, zodat is voldaan aan de eisen die de wet stelt in artikel 5:50 BW en/of artikel 5:51 BW, en;

c. om binnen een dag na betekening van het te wijzen vonnis, ervoor zorg te dragen dat de door gedaagden in het raam van de toiletruimte van gedaagden in de muur welke grenst aan de tuin van eisers daarin geplaatste camera, en de camera welke is geplaatst in de aanbouw van gedaagden direct achter het keukenraam van gedaagden, een en ander zoals afgebeeld in producties 7 en 8 behorende bij de dagvaarding, te verwijderen en definitief verwijderd te houden, zodanig dat op geen enkele wijze, en vanuit geen enkele gezichtshoek een camera zal worden geplaatst op het erf van eisers, en;

d. om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis ervoor zorg te dragen dat de kleur geel aan de buitenmuren van het perceel van gedaagden verwijderd is, en de buitenmuren van het perceel van gedaagden wederom te voorzien van de kleur wit, doch in ieder geval een gelijke kleur als de buitenmuren van eisers, en gedaagden te verbieden de buitenmuren van gedaagden welke grenzen aan de tuin van eisers te voorzien van een andere kleur dan de kleur wit, dan wel een andere kleur als de buitenmuren van het perceel van eisers. En gedaagden tevens te verbieden om zich, dan wel door gedaagden ingeschakelde derden, toegang te verschaffen tot het perceel van eisers, en;

e. om binnen twee weken na betekening van het door uw rechtbank te wijzen vonnis het door hen geplaatste daklicht ter hoogte van de overloop van de trap van gedaagden, te vervangen en te voorzien van ondoorzichtig glas en het opening- en sluitingsmechanisme te verwijderen en verwijderd te houden, en;

f. om, ingeval zij (na betekening van het vonnis) in gebreke mochten blijven aan één van bovenstaande veroordelingen te voldoen, dan wel indien gedaagden één van bovenstaande verboden overtreden, aan eisers een dwangsom te betalen van EUR 1.000,00 per dag, met een maximum van EUR 100.000,00, en;

g. om aan eisers de door hen geleden schade te vergoeden ten bedrage van EUR 424,00, zijnde de herstelkosten voor het door gedaagden vernielde kelderluik, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, en;

h. om aan eisers, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vergoeden de schade die eisers hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagden als genoemd in het lichaam van de dagvaarding, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, en;

III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – des de een betalend de ander kwijtend – in de proceskosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling daarvan uitblijft binnen zeven dagen na betekening van het vonnis.

3.2. [gedaagden]. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagden]. vordert [eisers] in reconventie te gebieden zich na betekening van het te wijzen vonnis te onthouden de eigendommen van [gedaagden]. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagden]. aan te raken, nat te spuiten, te beschadigen, te veranderen of te vernielen, daaronder begrepen het aanbrengen van spijkers of schroeven in muren, het aanbrengen van schilderwerk en dergelijke en te gehengen en te gedogen dat eisers in reconventie het toiletraam in oorspronkelijke toestand herstellen met ondoorzichtig glas en ventilator, en dat de overkapping over de koekoek wordt herplaatst c.q. hersteld, met het verbod na herstel het keukenraam of de overkapping te wijzigen, en voorts [eisers] te gebieden alle door hen op de muur van [gedaagden]. aangebrachte voorzieningen en beplantingen binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis te verwijderen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 per overtreding, en EUR 100,00 per dag dat de overtreding voortduurt.

3.5. [eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Rumoer en trillingen wand-wc (vorderingen onder I a en II a)

4.1. [eisers] stelt dat de wc van [gedaagden]., een wand-wc met vermaler (hierna te noemen: de wc), bij het doorspoelen geluidhinder door het hele huis veroorzaakt. Deze hinder duurt volgens [eisers] per spoelbeurt twintig à dertig seconden. Voorts ondervindt [eisers] hinder door voelbare trillingen aan de vloer, trapleuning en in de wasbak. Deze overlast is onaanvaardbaar, waardoor sprake is van een stoornis in het woongenot, aldus [eisers]. [eisers] stelt verder dat door de hinder sprake is van aanzienlijke hinder in het genot van de eigendom van [eisers] in hun onroerende zaak, waardoor sprake is van een inbreuk op zijn eigendomsrecht.

4.2. [gedaagden]. betwist dat sprake is van onaanvaardbare hinder. Hij erkent dat de wc hoorbaar is, maar stelt niet in staat te zijn maatregelen te nemen de wc volledig onhoorbaar te maken. Voorts heeft [gedaagden]. isolatiemateriaal aangebracht ter reductie van het geluid dat de wc produceert. [gedaagden]. voert aan dat [eisers] de wc kan horen, maar dat dit geenszins onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 BW. [gedaagden]. voert verder aan dat de gestelde geluidsoverschrijding niet met metingen wordt onderbouwd. [gedaagden]. heeft, nadat [eisers] klachten heeft geuit over de wc, toegezegd de wc niet tussen 22.30 uur en 9.00 te zullen doorspoelen.

4.3. Ten aanzien van de gestelde aanzienlijke hinder in de zin van rumoer en trillingen vanwege de wand-wc wordt het volgende overwogen. Naar de rechtbank de stellingen van [eisers] begrijpt, stelt hij primair dat [gedaagden]. onrechtmatig handelt door hinder te veroorzaken door gebruik te maken van zijn wc.

4.4. Op grond van artikel 5:37 BW is het de eigenaar van een erf niet toegestaan in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan de eigenaren van andere erven hinder toe te brengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. Partijen zijn het erover eens dat het onvermijdelijk is dat zij, gelet op de wijze waarop hun tegen elkaar gelegen woningen door een vrij dunne wand gescheiden zijn, een zekere mate van last van elkaar hebben te aanvaarden. Echter, niet iedere last of iedere hinder waardoor het genot van de eigendom wordt gestoord brengt met zich dat sprake is van onrechtmatig handelen.

4.5. Het antwoord op de vraag of [gedaagden]. onrechtmatig handelt hangt af van de duur en de ernst van de hinder die [eisers] van het wc-gebruik door [gedaagden]. ondervindt en de omstandigheden waaronder deze hinder plaatsvindt. Daarbij zijn mede van belang de offers die ermee gemoeid zijn om overschrijdingen te voorkomen. De hinder die [eisers] ondervindt is eerst dan onrechtmatig indien zou komen vast te staan dat de grenzen van hinder die buren nu eenmaal van elkaar hebben te dulden, worden overschreden.

4.6. Enerzijds mag van [gedaagden]. worden verwacht dat hij, waar mogelijk, overlast zoveel mogelijk tracht te beperken. Anderzijds handelt [gedaagden]., hoewel vaststaat dat de wc voor [eisers] hoorbaar is indien er gebruik van wordt gemaakt, niet onrechtmatig door het enkele feit dat [gedaagden]. hinder ondervindt of last heeft van de geluiden van de wc. Daarbij vindt de hinder, anders dan [eisers] heeft aangevoerd, niet voortdurend plaats, maar met tussenpozen en duurt deze relatief kort, twintig tot dertig seconden. Dit brengt met zich dat geen sprake is van voortdurend rumoer en trillingen, maar van relatief kortstondig rumoer en trillingen. [eisers] heeft geen stukken of bescheiden in het geding gebracht waaruit blijkt welke geluidswaarden worden geproduceerd door de wc van [gedaagden]. noch heeft [eisers] voldoende onderbouwd dat sprake is van overschrijding van de normen, waaronder het Bouwbesluit, waarvan hij wel stukken in het geding heeft gebracht. De enkele stelling dat de vloer van de badkamer niet voldoet aan de eisen als gesteld in het Bouwbesluit leidt – wat er ook zij van de toepasselijkheid van dit besluit op de onderhavige situatie – niet tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatige hinder. Voorts heeft [gedaagden]. naar het oordeel van de rechtbank voldoende pogingen ondernomen om voor [eisers] het geluid dat de wc produceert te voorkomen, althans te verminderen. In deze procedure is, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, niet komen vast te staan dat de grenzen van hinder die buren nu eenmaal van elkaar hebben te dulden zijn overschreden. Derhalve dienen de gevorderde verklaring voor recht en het gebod de wand-wc te verwijderen, voor zover gestoeld op deze grondslag, te worden afgewezen.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, zoals door [eisers] subsidiair is aangevoerd. [eisers] volstaat met de stelling dat [gedaagden]. heeft kunnen weten en begrijpen dat plaatsing van een dergelijke wc voor [eisers] tot rumoer- en trillingsoverlast zou leiden terwijl alternatieven voorhanden zijn welke niet een dergelijke overlast veroorzaken. Het enkele feit dat gebruik van de wc enige rumoer- en trillingsoverlast veroorzaakt brengt, anders dan [eisers] betoogt, niet met zich dat de plaatsing van de wc in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Derhalve houdt deze subsidaire grondslag van dit deel van de vordering geen stand.

Hinder door het vervangen van ondoorzichtig glas door doorzichtig glas toiletruimte (vorderingen onder I b en II b)

4.8. De rechtbank overweegt het volgende. [eisers] vordert in conventie dat het wc-raam wordt voorzien van ondoorzichtig glas en voldoet aan de eisen die de artikelen 5:50 en 5:51 BW stellen. [gedaagden]. vordert op dit punt in reconventie te gebieden dat [eisers] dient te gehengen en gedogen dat het wc-raam wordt hersteld met ondoorzichtig glas en ventilator. Dit betekent dat [eisers] en [gedaagden]. het met elkaar eens zijn dat het glas in het venster van de wc-ruimte ondoorzichtig dient te zijn. Dit deel van de vordering komt daarom voor toewijzing in aanmerking met dien verstande dat, anders dan [eisers] lijkt te betogen, het voorgaande niet betekent dat het zich thans in het venster bevindende glas met ondoorzichtig folie dient te worden vervangen door doorzichtig glas. Doordat het raam met folie geblindeerd is, voldoet het naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen zoals deze gesteld worden in artikel 5:51 BW. Dat artikel eist niet, zoals [eisers] lijkt te veronderstellen, dat ondoorzichtig glas wordt toegepast. De zekerheid dat het raam ondoorzichtig zal blijven ligt niet in de aard van het gebruikte materiaal, maar in het feit dat artikel 5:51 BW hiertoe verplicht en blijft verplichten. Derhalve zal dit deel van het gevorderde worden afgewezen. Ten overvloede wordt overwogen dat indien [gedaagden]. overgaat tot vervanging van het raam, het nieuwe raam op grond van de artikelen 5:50 en 5:51 BW eveneens ondoorzichtig dient te zijn.

4.9. Het voorgaande brengt met zich dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden]. onrechtmatig handelt jegens [eisers] door doorzichtig glas in het wc-raam te plaatsen en de daaraan verbonden vordering tot schadevergoeding zullen worden afgewezen. Immers vast is komen te staan dat [gedaagden]. het wc-raam ondoorzichtig heeft gemaakt door er ondoorzichtig folie op te plakken, hetgeen een afdoende maatregel is zoals hiervoor is overwogen.

Hinder door het vervangen van ondoorzichtig glas door doorzichtig glas keukenraam boven de aanbouw (vorderingen onder I b en II b)

4.10. Gesteld noch gebleken is dat het keukenraam zich binnen de afstand van de grenslijn bevindt als genoemd in artikel 5:50 lid 1 BW, te weten twee meter. Uit de door [eisers] in het geding gebrachte foto’s van het keukenraam valt niet op te maken waar in de muur van de woning van [gedaagden]. dit keukenraam zich bevindt. Evenmin valt uit de foto’s op te maken of dit raam uitzicht biedt op het erf van [eisers], zoals door [eisers] is gesteld en door [gedaagden]. is betwist. Derhalve zal dit deel van de vordering, als onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen.

Hinder door het plaatsen van een camera in het raam van de toiletruimte (vorderingen onder I b en II b)

4.11. [eisers] stelt dat hij op 24 september 2010 geconstateerd heeft dat het oorspronkelijk ondoorzichtige wc-raam vervangen is door een doorzichtig kunststof exemplaar en dat achter het raam een camera hangt die gericht is op de tuin van [eisers]. Bij brief van 11 oktober 2010 heeft [eisers] [gedaagden]. gesommeerd de camera te verwijderen. Na bemiddeling door wijkagenten heeft [eisers] het raampje met folie beplakt. De camera in de wc-ruimte is volgens [gedaagden]. verwijderd. [gedaagden]. betwist dat zich thans nog een camera achter het wc-raam bevindt.

4.12. Naar de rechtbank de stellingen van [eisers] begrijpt is het wc-raam thans ondoorzichtig. Hoewel [eisers] aanvoert dat niet hij geen enkele garantie heeft dat er geen camera is geplaatst achter het raam, laat hij na te onderbouwen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de camera zich thans nog achter het raam bevindt en op welke wijze deze camera door het folie heen zicht zou moeten hebben op de tuin van [eisers]. Derhalve dienen de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden]. onrechtmatig handelt door hinder te veroorzaken voor [eisers] door het plaatsen van een camera achter het raam van de wc-ruimte en het gebod de camera te verwijderen, te worden afgewezen.

Hinder door het plaatsen van een camera achter het keukenraam boven de uitbouw (vorderingen onder I c en II c)

4.13. [eisers] stelt dat hij op 4 maart 2011 heeft geconstateerd dat [gedaagden]. een camera heeft geplaatst achter het keukenraam. Deze camera is op hem en zijn tuin gericht, aldus [eisers]. Dit standpunt wordt door [gedaagden]. bestreden door aan te voeren dat de camera enkel gericht is op het platte dak van – naar de rechtbank begrijpt – de uitbouw aan zijn woning. Deze camera heeft hij aangebracht om toezicht op dit dak te houden omdat op enig moment onverklaarbare lekkage optrad. [gedaagden]. heeft het vermoeden dat het dak doelbewust met een mes of ander daartoe geëigend voorwerp lek is gemaakt. [gedaagden]. betwist dat sprake is van schending van de privacy van [eisers] omdat de camera niet kan filmen dan het platte dak.

4.14. Op grond van de door [eisers] in het geding gebrachte foto’s van het keukenraam kan niet worden vastgesteld dat de zich achter dit raam bevindende camera gericht is op de tuin, dan wel op het perceel van [eisers]. Evenmin is gebleken dat [gedaagden]. met behulp van de camera [eisers] bespiedt, dan wel kan bespieden. De foto’s die [eisers] heeft overgelegd laten enkel de positie van de camera achter het raam zien, zonder dat uit de foto’s is op te maken hoe de camera is gepositioneerd, of deze functioneert en of [eisers] in beeld kunnen worden gebracht door middel van de camera. Vanwege het ontbreken van afdoende onderbouwing ligt dit deel van de vordering reeds hierom voor afwijzing gereed. Bij het voorgaande komt dat de enkele aanwezigheid van de camera die, zoals [gedaagden]. heeft aangevoerd, gericht is op het dak van de uitbouw van zijn woning op zich niet onrechtmatig is. Het is [gedaagden]. in beginsel toegestaan camerabeelden te maken van het dak van de uitbouw teneinde te achterhalen of zijn dak beschadigd wordt, en zo ja door wie. Daarbij heeft [gedaagden]. onweersproken aangevoerd dat hij in overleg met de politie de camera enkel heeft gericht op het dak van de uitbouw en niet op de tuin van de buren, zijnde [eisers].

4.15. Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het deel van de vordering van [eisers], dat er op ziet dat [gedaagden]. deze camera dient te verwijderen, zal worden afgewezen. Dit lot wordt gedeeld door de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden]. onrechtmatig handelt door het veroorzaken van hinder doordat een camera is geplaats achter het keukenraam.

Schilderen buitenmuren (vorderingen onder I d en II d)

4.16. [eisers] stelt zich op het standpunt dat [gedaagden]. in strijd met de erfdienstbaarheid heeft gehandeld door de buitenmuren van hun perceelsgedeelte geel te schilderen nu ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid het gehele, en nadien gesplitste, woonhuis wit was geschilderd. Dit standpunt deelt [gedaagden]. niet. Hij stelt dat het burenrecht noch enig ander wettelijk regelstelsel voorziet in een voorschrift ter zake van de kleurstelling van een particuliere woning.

4.17. Ten aanzien van de kleur van de woning van [gedaagden]. wordt het volgende overwogen. Anders dan [eisers] betoogt zijn de kleuren van de woningen geen toestand in de zin van voornoemde erfdienstbaarheid (zie hiervoor onder 2.3). Noch uit de wet noch uit de erfdienstbaarheid vloeit enige verplichting voor [gedaagden]. voort zijn woning wit te schilderen, de kleur van de woning kan immers niet worden aangemerkt als een “toestand waarin deze perceelsgedeelten zich ten opzichte van elkaar bevinden”, ook niet wat betreft uitzicht en toevoer van licht en lucht. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden]. onrechtmatig handelt door, naar de rechtbank dit deel van de vordering begrijpt, de buitenmuren in de kleur geel te laten zal worden afgewezen. Het gevorderde gebod de buitenmuren wit te schilderen en het verbod de buitenmuren vervolgens van een (andere) kleur te voorzien zullen daarom eveneens worden afgewezen.

Dakraam (vorderingen onder I e en II e)

4.18. [eisers] stelt dat hij door [gedaagden]. wordt bespied en afgeluisterd via het dakraam dat zich ter hoogte van de overloop bij [gedaagden]. bevindt. Het voorheen aanwezige dakraam is door [gedaagden]. in 2009 vervangen door het huidige en bevat doorzichtig glas en heeft een openingsmechanisme. Het dakraam kijkt direct in zijn tuin, aldus [eisers].

4.19. [gedaagden]. betwist dat hij [eisers] bespiedt of afluistert. Het dakraam, dat zich volgens [gedaagden]. op een hoogte van 2,30 meter vanaf de grond bevindt, is een vervanging van het oude dakraam. Het oude dakraam bevatte eveneens doorzichtig glas. [gedaagden]. weerspreekt voorts de stelling dat het raam uitzicht zou bieden op de tuin van [eisers] en stelt dat, voor zover het raam al in strijd met het burenrecht zou komen, het raam onder de erfdienstbaarheid valt.

4.20. De rechtbank komt op grond van de stellingen van partijen, de als producties overgelegde stukken en hetgeen partijen ter comparitie hebben aangevoerd, tot het oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht, het gebod tot vervanging van het geplaatste dakraam en de gevorderde verwijdering van het opening- en sluitmechanisme dienen te worden afgewezen. De rechtbank legt aan haar oordeel het hierna volgende ten grondslag.

4.21. Gesteld noch gebleken is dat het dakraam zich binnen de in artikel 5:50 lid 1 BW genoemde afstand van de grenslijn bevindt. Bovendien valt uit de door [eisers] in het geding gebrachte foto van het daklicht niet op te maken waar in het dak van de woning van [gedaagden]. dit dakraam zich bevindt. Evenmin valt uit de foto op te maken of dit dakraam al dan niet uitzicht biedt op het erf van [eisers]. Derhalve is niet komen vast te staan dat de aanwezigheid van het dakraam ongeoorloofd is en [eisers] succesvol aanbrenging van een ondoorzichtig venster kan vorderen. Verder valt op grond van de stellingen van partijen, de als producties overgelegde stukken en hetgeen partijen ter comparitie hebben aangevoerd, niet vast te stellen of het dakraam ondoorzichtig was ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid of dat het dit nadien is geworden. Ter comparitie is enkel vast komen te staan dat zich ter plaatse van het huidige dakraam in het verleden een qua afmetingen kleiner dakraam bevond, dat het vorige dakraam net als het huidige open kon en dat het raam zich, gemeten vanaf de vloer in de kamer eronder, op een hoogte van 2,30 meter bevindt. De gevorderde verwijdering van het opening- en sluitmechanisme zal, nu vast is komen te staan dat het vorige dakraam eveneens open kon en [eisers] voor het overige onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan tot het oordeel gekomen zou moeten worden dat sprake is van een onrechtmatige situatie, eveneens worden afgewezen.

Vergoeding herstelkosten kelderluik (vordering onder II g)

4.22. [eisers] stelt dat [gedaagden]. schade heeft toegebracht aan een hem in eigendom toebehorend kelderluik. [gedaagden]. erkent dat hij een zaagsnede in het kelderluik heeft aangebracht, maar betwist dat dit ernstige schade heeft veroorzaakt en het luik onbruikbaar is. Het betreffende luik ligt nog steeds op de koekoek volgens [gedaagden]. en vertoont enkel die inzet van een zaag. [gedaagden]. betwist voorts dat de schade € 424,00 bedraagt, zoals gevorderd door [eisers]. Hij wijst er in dit verband op dat in het proces-verbaal van aangifte bij de politie door [eisers] een bedrag van € 55,00 wordt genoemd, terwijl thans een bedrag van € 424,00 wordt opgevoerd.

4.23. [eisers] heeft ter comparitie verklaard dat het bedrag van € 55,00 zijn schade is als hij zelf tot herstel van het kelderluik over zou gaan en dat het bedrag van € 424,00 ziet op herstel door een schilder. Een door [eisers] benaderde schilder heeft dit bedrag berekend en geoffreerd, welke offerte door [eisers] als productie is overgelegd. [gedaagden]. heeft de gestelde hoogte van de schade niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Derhalve zal, nu vaststaat dat [gedaagden]. een zaagsnede heeft gemaakt in het kelderluik van [eisers], de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 424,00 worden toegewezen. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken eveneens worden toegewezen.

Veroordeling tot vergoeding schade, nader op te maken bij staat (vordering onder II h)

4.24. Zoals hiervoor is overwogen is niet komen vast te staan dat [gedaagden]. onrechtmatig jegens [eisers] handelt. Derhalve zal dit deel van de vordering eveneens worden afgewezen.

4.25. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie, waarbij partijen over en weer zowel in het gelijk als in het ongelijk zijn gesteld, acht de rechtbank grond aanwezig om de proceskosten in conventie te compenseren. Dit betekent dat elke partij haar eigen kosten draagt.

in reconventie

4.26. [gedaagden]. vordert [eisers] te gebieden zich na betekening van het te wijzen vonnis te onthouden de eigendommen van [gedaagden]. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagden]. aan te raken, nat te spuiten, te beschadigen, te veranderen of te vernielen, daaronder begrepen het aanbrengen van spijkers of schroeven in muren, het aanbrengen van schilderwerk en dergelijke en te gehengen en te gedogen dat eisers in reconventie het toiletraam in oorspronkelijke toestand herstellen met ondoorzichtig glas en ventilator, en dat het kelderluik wordt herplaatst c.q. hersteld, met het verbod na herstel het keukenraam of het kelderluik te wijzigen, en voorts [eisers] te gebieden alle door hen op de muur van [gedaagden]. aangebrachte voorzieningen en beplantingen binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis te verwijderen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 per overtreding, en EUR 100,00 per dag dat de overtreding voortduurt.

4.27. De vordering van [gedaagden]. om [eisers] te gebieden zich te onthouden de eigendommen van [gedaagden]. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagden]. aan te raken, nat te spuiten, te beschadigen, te veranderen of te vernielen, daaronder begrepen het aanbrengen van spijkers of schroeven in muren, het aanbrengen van schilderwerk en dergelijke zal worden afgewezen nu uit de wet reeds voortvloeit dat het [eisers] niet is toegestaan goederen die aan [gedaagden]. in eigendom toebehoren te beschadigen of te vernielen. Het gevorderde gebod om eigendommen van [gedaagden]. te veranderen vloeit eveneens uit de wet voort nu verandering van eigendommen een aantasting van het eigendomsrecht van [gedaagden]. met zich brengt. Dit recht wordt, zoals [eisers] terecht aanvoert, afdoende beschermd door wettelijke bepalingen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat sprake is van een reële dreiging dat [eisers] inbreuk zal maken op de eigendomsrechten van [gedaagden]. zodat [gedaagden]. belang ontbeert bij dit deel van zijn vordering. De in dit verband gevorderde dwangsommen zullen op grond van het voorgaande eveneens worden afgewezen.

4.28. Het deel van de vordering dat erop ziet [eisers] te gebieden zich te onthouden van het aanraken of natspuiten van eigendommen van [gedaagden]. is dermate ruim gesteld en onbepaalbaar dat het reeds daarom dient te worden afgewezen. Voorts geldt hier ook hetgeen hiervoor is overwogen. Bovendien valt, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, niet uit te sluiten dat [eisers] eigendommen van [gedaagden]. aan zal raken indien [gedaagden]. eventueel werkzaamheden uit zal voeren.

4.29. De vordering van [gedaagden]. om [eisers] te gebieden te gehengen en te gedogen dat het toiletraam in oorspronkelijke toestand wordt hersteld met ondoorzichtig glas en ventilator en dat het kelderluik wordt herplaatst c.q. hersteld, zal worden afgewezen voor zover hiermee gevorderd wordt dat [eisers] dient te gehengen en te gedogen dat [gedaagden]. het perceel van [eisers] betreedt. Op grond van artikel 5:56 BW is [eisers] reeds gehouden [gedaagden]. toe te staan werkzaamheden te verrichten ten behoeve van zijn onroerende zaak. Hieraan dient een behoorlijke kennisgeving vooraf te gaan en dient een schadeloosstelling te worden betaald in het geval sprake zou zijn van het toebrengen van schade aan goederen die in eigendom toebehoren aan [eisers]. Het voorgaande brengt met zich dat [gedaagden]. onvoldoende belang heeft bij toewijzing van dit deel van de vordering nu de bevoegdheden van [gedaagden]. reeds uit de wet voortvloeien. Voor zover [gedaagden]. vordert dat [eisers] dient te gehengen en te gedogen dat het toiletraam wordt hersteld en dat een ventilator wordt geplaatst, wordt overwogen dat [eisers] op grond van artikel 5:37 BW en de erfdienstbaarheid gehouden is de toevoer van – onder meer – lucht naar de wc-ruimte van [gedaagden]. onbelemmerd toe te staan. Nu de ventilator tot toevoer van lucht dient zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

4.30. [gedaagden]. vordert voorts dat [eisers] zal worden veroordeeld te gehengen en te gedogen dat het kelderluik wordt herplaatst c.q. hersteld en [eisers] te verbieden na herstel het kelderluik te wijzigen. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen omdat [gedaagden]. enkel stelt een belang bij een dergelijke vordering te hebben zonder dit te onderbouwen. Bovendien is, zoals hiervoor in conventie is overwogen, het kelderluik eigendom van [eisers] en bevindt de koekoek zich, naar de rechtbank begrijpt uit de stukken en hetgeen partijen ter comparitie hebben verklaard, op het perceel van [eisers]. Derhalve heeft [gedaagden]. zijn vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd en ontbreekt belang bij toewijzing ervan. Dit voorgaande brengt met zich dat het gevorderde verbod na herstel het kelderluik te wijzigen eveneens dient te worden afgewezen.

4.31. Voor zover [gedaagden]. bedoeld heeft te vorderen dat [eisers] dient te gehengen en te gedogen dat het kelderluik op zodanige wijze wordt teruggeplaatst dat lucht kan worden toegevoerd naar de kelder ten behoeve van de zich daar bevindende cv-ketel, kan dit deel van de vordering worden toegewezen. Hetgeen hiervoor is overwogen over luchttoevoer, geldt evenzeer voor het kelderluik. Het luik dient, indien het wordt geplaatst, op zodanige wijze te worden geplaatst of ingericht dat onbelemmerde luchttoevoer naar de kelder van [gedaagden]. mogelijk is. Derhalve zal, als het mindere van het gevorderde, worden toegewezen het gebod voor [eisers] om het kelderluik op zodanige wijze te plaatsen en geplaatst te houden dat onbelemmerde luchttoevoer naar de kelder van [gedaagden]. gewaarborgd is.

4.32. Het gevorderde verbod na herstel het keukenraam te wijzigen zal vanwege het ontbreken van enige onderbouwing worden afgewezen.

4.33. [gedaagden]. vordert naast het voorgaande [eisers] te gebieden alle door hen op de muur van [gedaagden]. aangebrachte voorzieningen en beplantingen binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis te verwijderen.

4.34. [eisers] heeft dit deel van de vordering weersproken door primair aan te voeren dat sprake is van een mandelige muur, als subsidiair verweer te betogen dat er sprake is van een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid voor het geval de muur niet mandelig mocht blijken te zijn en meer subsidiair aan te voeren dat hij sinds 1994 – net als de bewoners voor hem deden – gebruik maakt van de muur op de wijze als thans het geval is. [gedaagden]. heeft volgens [eisers] tegen dit gebruik nooit geageerd.

4.35. [gedaagden]. volstaat met de stelling dat [eisers] alle zonder toestemming aangebrachte zaken op en aan de muur, te weten plantenhangers, waslijnhaken en begroeiingen, dient te verwijderen zonder te onderbouwen wie eigenaar is of eigenaren zijn van de muur. Voor zover [gedaagden]. dit bedoeld heeft te doen door ter comparitie te stellen dat sprake is van een mandelige muur, hetgeen [eisers] ter comparitie op zijn beurt heeft betwist, slaagt hij hierin niet. Ter comparitie heeft [gedaagden]. verklaard dat hij een tekening in zijn bezit heeft waaruit blijkt dat geen sprake is van een mandelige muur zonder deze tekening, waarop hij zich beroept, voorafgaand aan de comparitie in het geding te brengen. Bovendien heeft [gedaagden]. niet weersproken dat in het geval geen sprake is van een mandelige muur, door verjaring een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eisers] is ontstaan. Evenmin heeft [gedaagden]. weersproken dat hij nimmer heeft geklaagd over het gebruik van de muur door [eisers] noch dat aan [eisers] ooit verwijdering van de voorwerpen is gevorderd. Bezien in het licht van het verweer van [eisers] heeft [gedaagden]. dit deel van zijn vordering van onvoldoende (nadere) onderbouwing voorzien. In deze procedure is niet komen vast te staan dat de muur mandelig is. Bovendien valt niet uit te sluiten dat, zoals door [eisers] is aangevoerd, door verjaring een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eisers] is ontstaan. Derhalve is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk op welke rechtsgrond [gedaagden]. verwijdering van de aangebrachte zaken vordert. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat dit deel van de vordering eveneens zal worden afgewezen.

4.36. [gedaagden]. heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit moet worden opgemaakt dat [eisers] niet vrijwillig aan dit vonnis zal voldoen. Derhalve zullen de gevorderde dwangsommen worden afgewezen.

4.37. Gelet op de uitkomst van deze procedure in reconventie, waarbij partijen over en weer zowel in het gelijk als in het ongelijk zijn gesteld, acht de rechtbank grond aanwezig om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat elke partij haar eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagden]. tot betaling van € 424,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de 25 maart 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de proceskosten in conventie in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst de vorderingen voor het overige af,

in reconventie

5.5. gebiedt [eisers] te gehengen en te gedogen dat [gedaagden]. in het toiletraam een ventilator plaatst,

5.6. gebiedt [eisers] om het kelderluik op zodanige wijze te plaatsen en geplaatst te houden dat onbelemmerde luchttoevoer naar de kelder van [gedaagden]. gewaarborgd is,

5.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. compenseert de proceskosten in reconventie in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,

5.9. wijst de vorderingen voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.V.M. Veldhoen en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.(