Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3501

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
285098 - HA ZA 10-872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asbest. Aansprakelijkheid wegens gebrekkige opstal (6:174 BW), dan wel onrechtmatige daad (6:162 BW). Stellingen onvoldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

Zaaknummer / rolnummer: 285098 / HA ZA 10-872

Vonnis van 14 december 2011

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADARMA BV,

gevestigd te Baarn,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. T. Bogers,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.E. Koolen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FOREVER YOUNG B.V.,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

advocaat mr. P.A.C. de Vries,

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ZEIST,

zetelend te Zeist,

gedaagde,

procesadvocaat mr. J.M. van Noort,

behandelend advocaat mr. Z.M. Nasir.

Eisers zullen hierna samen genoemd worden Adarma (in enkelvoud). Gedaagden zullen genoemd worden [gedaagden] (in enkelvoud), Forever Young en de gemeente.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 oktober 2010 (met herstelvonnis van 24 november 2010);

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 februari 2011;

- de brief van mr. De Vries aan de rechtbank van 16 februari 2011 en het antwoord daarop van 23 februari 2011;

- de conclusie van repliek in conventie;

- de conclusies van dupliek in conventie van [gedaagden], Forever Young en de gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Forever Young drijft een winkel met biologische levensmiddelen in Zeist. Zij betrekt de levensmiddelen bij de groothandel van Kroon B.V. te Nieuwegein (hierna te noemen Kroon). Kroon heeft een bepaalde formule ontwikkeld voor een nieuw type winkel met biologische producten en aanverwante artikelen. Forever Young is met Kroon overeengekomen dat zij een winkel volgens die formule zou gaan exploiteren.

2.2. [gedaagden] is eigenaar van de panden [adres] [adres] en [adres] te Zeist. Forever Young heeft voor de nieuwe winkel van [gedaagden] het pand [adres] gehuurd.

2.3. [eiser]is enig aandeelhouder en bestuurder van Adarma B.V.; hij is ook als architect werkzaam voor Adarma B.V. Aan Adarma is opdracht gegeven om de bestemmingsplanwijziging, verbouwing en inrichting van het pand te ontwerpen.

2.4. [gedaagden] heeft bij aanvang van de huurovereenkomst meegedeeld dat in de luifel van het pand asbest aanwezig zou kunnen zijn.

2.5. Op 20 juli 2009 is asbest gevonden onder de gesloopte betonvloer. Dit asbest is verwijderd. Op 30 oktober 2009 is opnieuw asbest aangetroffen, dit keer in de bekleding van de stalen kolommen. Op 4 december 2009 is asbest gevonden op de binnengevels. Op 28 januari 2010 heeft de arbeidsinspectie het pand gecontroleerd. Daarop zijn de werkzaamheden stilgelegd en is het pand afgesloten.

2.6. Op 3 februari 2010 heeft Adarma conservatoir beslag gelegd op de panden [adres] [adres] en [adres].

3. Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1. Adarma vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade voortvloeiende uit onrechtmatige daad, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met rente en kosten.

3.2. [gedaagden], Forever Young en de gemeente voeren elk afzonderlijk verweer.

3.3. In reconventie heeft [gedaagden] opheffing van het conservatoir beslag gevorderd.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

4. De beoordeling

in reconventie

4.1. De vordering in reconventie had alleen betrekking op het door Adarma gelegde conservatoir beslag. Uit de stukken blijkt dat het beslag inmiddels is opgeheven, zoals Adarma en [gedaagden] op de comparitie waren overeengekomen. De vordering kan als ingetrokken worden beschouwd en hoeft niet meer te worden beoordeeld.

in conventie

de vordering tegen [gedaagden]

4.2. Voor haar vordering tegen [gedaagden] beroept Adarma zich op twee rechtsgronden. Zij stelt dat [gedaagden] tegenover haar aansprakelijk is als bezitter van de opstal, op grond van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW), en vanwege een onrechtmatige daad, op grond van artikel 6:162 BW.

4.3. Bij de beoordeling hiervan staat voorop de algemene regel van bewijslastverdeling van artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv): de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt (behoudens uitzonderingen) de bewijslast van die feiten of rechten. Dat betekent dat Adarma de bewijslast heeft van die feiten die noodzakelijk zijn om haar vordering te dragen. Adarma dient die feiten te stellen, behoorlijk en concreet toe te lichten, en voor zover nodig te bewijzen.

4.4. Artikel 6:174 BW luidt als volgt:

1. De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

(…)

5. Degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal of van de grond staat ingeschreven, wordt vermoed de bezitter van de opstal te zijn.

4.5. Het eerste vereiste voor een vordering op deze grondslag is dat de opstal gebrekkig was, dat wil zeggen dat hij niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Adarma stelt dat dit het geval was, en wel omdat er in het pand asbest aanwezig was, niet alleen op de plaats die [gedaagden] haar genoemd had (in de luifel) maar ook op andere plaatsen. [gedaagden] betwist dat de opstal gebrekkig was; hij voert aan dat de enkele aanwezigheid van asbest een opstal niet gebrekkig maakt.

4.6. Een opstal is gebrekkig wanneer hij niet beantwoordt aan de eisen die men daaraan uit een oogpunt van veiligheid mag stellen. De enkele aanwezigheid van asbest hoeft geen gebrek te vormen, wanneer door de aard van het asbest (hechtgebonden) en de plaats waar het zich bevindt de kans klein is dat onder normale omstandigheden iemand daarvan schade lijdt (Hoge Raad 15 juni 2001, NJ 2002, 336, LJN AB 2149; Hoge Raad 7 november 2003, NJ 2004, 292, LJN AI 0341). Dat kan anders zijn wanneer bijvoorbeeld niet hechtgebonden asbest zich in het pand bevindt op een zodanige plaats dat het kan vrijkomen bij gewoon dagelijks gebruik, bij onderhoud of bij kleine beschadigingen (Hoge Raad 3 september 2010, NJ 2010, 474; LJN BM 3980). Adarma heeft echter niets gesteld over de aard van het asbest en over de kans dat het bij gewoon gebruik zou vrijkomen.

4.7. Vast staat dat het asbest in deze zaak niet bij gewoon gebruik is aangetroffen maar bij een verbouwing. Bij een verbouwing geldt net als bij een gebouw in aanbouw dat zich daarbij risico’s kunnen voordoen die veiligheidsmaatregelen noodzakelijk maken (bijvoorbeeld stutten, afschermen of in dit geval een asbestinventarisatie). Het feit dat tijdens de bouw of de verbouwing deze veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn is niet te beschouwen als een gebrek van de opstal. Ook wanneer de veiligheidsmaatregelen tekortschieten is dat geen gebrek van de opstal (Hoge Raad 6 december 1963, NJ 1965, 9; LJN AB 7270) maar mogelijk een kwestie van nalatigheid van degene die daarvoor had moeten zorgen. Adarma beroept zich op dat laatste echter niet. Zij laat zich ook niet uit, althans niet gemotiveerd, over de vraag wie (anders dan zij zelf, zoals [gedaagden] stelt) voor een asbestinventarisatie en andere veiligheidsmaatregelen verantwoordelijk was.

4.8. Adarma licht daarmee onvoldoende toe dat de opstal door de aanwezigheid van asbest niet voldeed aan de eisen die men daaraan mocht stellen, zodat [gedaagden] als bezitter daarvan aansprakelijk zou zijn voor daardoor veroorzaakte schade. De rechtbank hoeft daarom niet in te gaan op de andere voorwaarden voor aansprakelijkheid en op de overige verweren op dit punt.

4.9. Als tweede rechtsgrond beroept Adarma zich op artikel 6:162 BW. Zij stelt dat [gedaagden] tegenover haar onrechtmatig gehandeld heeft door de aanwezigheid van asbest ook op andere plaatsen dan in de luifel opzettelijk te verzwijgen, terwijl hij daarvan wel op de hoogte was. Zij onderbouwt dat concreet met het volgende. Bij de tweede asbestvondst was één van de gebroeders [gedaagden] aanwezig. Bij de grondwerkzaamheden raakten medewerkers van de aannemer met een graafmachine een kolom, waarop een stuk van de bekleding van die kolom los liet. De heer [gedaagden] gaf de aannemer opdracht dit snel weer vast te spijkeren, omdat er volgens hem asbest op de kolommen zat.

4.10. Adarma leidt hieruit af dat [gedaagden] vooraf wist dat er asbest op de kolommen zat. [gedaagden] betwist dat gemotiveerd. Hij stelt dat de heer [gedaagden] die op de bouw aanwezig was, zag wat er gebeurde en uit wat hij waarnam afleidde dat daar asbest zat, maar dat de gebroeders [gedaagden] dat eerder niet wisten. Adarma is hierop niet ingegaan. Zij heeft daarmee tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] onvoldoende toegelicht op welke grond zou moeten worden aangenomen dat [gedaagden] meer wist over de aanwezigheid van asbest dan hij aan haar verteld heeft. De vordering kan daarom ook op deze grond niet worden toegewezen.

4.11. Adarma stelt verder dat [gedaagden] gehandeld heeft in strijd met de in de Wet Milieubeheer (Wmb) neergelegde saneringsplicht en/of de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.12. In artikel 1.1a Wmb is het volgende bepaald.

1. Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en de mogelijkheid van rechtspersonen als bedoeld in artikel 1, boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, om uit dien hoofde in rechte op te treden.

4.13. Dit is echter een zeer algemene bepaling. De rechtbank leest daarin niet een algemene saneringsplicht voor alle onroerend goed waarin asbest verwerkt is. Adarma licht niet toe op grond waarvan voor dit pand uit deze bepaling zo’n saneringsplicht zou voortvloeien. Daarmee heeft zij onvoldoende gesteld om haar standpunt te onderbouwen dat [gedaagden] in strijd met een wettelijke verplichting (of met de maatschappelijke zorgvuldigheid) gehandeld heeft door het pand niet te saneren.

4.14. De conclusie luidt dat Adarma voor haar vordering tegen [gedaagden], zowel op grond van artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) als van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad), tegenover het concrete verweer van [gedaagden] onvoldoende gesteld heeft. Die vordering zal daarom worden afgewezen.

de vordering tegen Forever Young

4.15. Voor de vordering tegen Forever Young beroept Adarma zich op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en 6:166 BW (onrechtmatig handelen in groepsverband). De stellingen die zij hieraan ten grondslag legt, komen hierop neer dat Forever Young met [gedaagden] heeft samengewerkt en hem niet heeft weerhouden van zijn onrechtmatig handelen. Zoals gezegd is echter niet gebleken dat [gedaagden] onrechtmatig gehandeld heeft. Daarom valt niet in te zien dat Forever Young onrechtmatig gehandeld zou hebben door met [gedaagden] samen te werken.

4.16. De verdere verwijten van Adarma tegen Forever Young komen hierop neer dat Forever Young de asbestvondsten heeft gebagatelliseerd, onvoldoende onderzoek gedaan heeft en asbest heeft laten verwijderen door onbekwame arbeidskrachten. Deze verwijten zijn echter – gezien de op Adarma rustende stelplicht – onvoldoende concreet. Adarma maakt onvoldoende duidelijk welke concrete handelingen Forever Young verricht heeft die onrechtmatig zouden zijn en welke rechtsplicht Forever Young geschonden zou hebben. Daarom moet de vordering ook tegen Forever Young worden afgewezen.

de vordering tegen de gemeente

4.17. Aan haar vordering tegen de gemeente legt Adarma ten grondslag dat de gemeente te kort geschoten is in toezicht en handhaving. De gemeente betwist dat. Over de eerste asbestvondst voert zij aan dat hier niet de gemeente maar de provincie het bevoegd gezag was (omdat het asbest in de grond gevonden is) en dat het asbest onder toezicht van de provincie volgens de BUS-regels (Besluit uniforme saneringen) is uitgevoerd. Van de tweede asbestvondst staat vast dat deze niet gemeld is bij de gemeente. Voor de derde asbestvondst licht de gemeente concreet toe welke maatregelen zij genomen heeft.

4.18. In reactie op deze concrete betwisting stelt Adarma dat de gemeente vele malen meer had moeten doen dan zij heeft gedaan, en dat zij tot de conclusie had moeten komen dat zij moest ingrijpen. Zij licht echter niet concreet toe welk ingrijpen zij dan van de gemeente had mogen verwachten en wat de gemeente concreet heeft nagelaten. Daarmee zijn Adarma’s stellingen ook tegenover de gemeente onvoldoende concreet toegelicht, zodat ook deze vordering op die grond al moet worden afgewezen.

4.19. Daar kan nog aan worden toegevoegd dat veel problemen voorkomen hadden kunnen worden door een asbestinventarisatie vooraf. Gezien de in de stukken geciteerde regelgeving was dit (vanwege het asbest in de luifel) vermoedelijk verplicht. Adarma laat zich niet concreet (althans niet gemotiveerd) uit over de vraag op wie deze verplichting primair rustte. Dit hangt ook af van de contractuele verhoudingen tussen partijen, waarover de rechtbank slechts gedeeltelijk geïnformeerd is. Aangenomen kan wel worden dat dit in elk geval niet de gemeente was.

conclusie

4.20. Dat wil zeggen dat alle vorderingen in conventie zullen worden afgewezen. Adarma zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden], Forever Young en de gemeente worden begroot op, voor ieder:

- griffierecht € 263,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.619,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt Adarma in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden], tot op heden begroot op € 1.619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3. veroordeelt Adarma (Adarma B.V. en [eiser]) hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van Forever Young, tot op heden begroot op € 1.619,00;

5.4. veroordeelt Adarma in de proceskosten aan de zijde van de gemeente, tot op heden eveneens begroot op € 1.619,00;

5.5. verklaart onderdeel 5.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Eelkema en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.(