Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3062

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
777937 UE VERZ 11-1223 msl 4221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst; er is onvoldoende grond om te oordelen dat werkneemster in strijd met de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst behulpzaam is geweest bij het door haar voormalig leidinggevende opzetten van een concurerende onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 777937 UE VERZ 11-1223 msl 4221

beschikking d.d. 19 december 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dyckerhoff Basal Nederland B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

verder ook te noemen Dyckerhoff,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. B.H.E. Veldmaat,

tegen:

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerster],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. D.M. van Genderen.

1. Het verloop van de procedure

Dyckerhoff heeft op 10 oktober 2011 een verzoekschrift met producties ingediend.

[verweerster] heeft een verweerschrift met producties ingediend. Dyckerhoff heeft daarop bij brieven van 17, 18 en 21 november 2011 aanvullende stukken (producties 18 tot en met 25) ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 21 november 2011 behandeld. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van pleitnotities. Van de zitting zijn aantekeningen gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1. [verweerster], geboren op [1968], is op 1 maart 1987 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Dyckerhoff in de functie van medewerkster secretariaat en administratie. Haar huidige functie is die van directiesecretaresse. Haar salaris bedraagt thans € 4.824,00 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en een dertiende maand.

2.2. Dyckerhoff voert een onderneming voor de fabricage en/of verwerking van en de handel in betonmortel, metselspecies, toeslagenmaterialen (zogenaamde aggregates) en aanverwante producten. Zij is een dochteronderneming van Dyckerhoff AG, die op haar beurt valt onder Buzzi Unicem SpA.

2.3. [verweerster] was sedert 1998 werkzaam ten behoeve van de toenmalig statutair bestuurder van Dyckerhoff, de heer [oude statutair bestuurder]. [oude statutair bestuurder] heeft zijn statutaire functie neergelegd per 1 oktober 2010 en is ten behoeve van het inwerken van de per die datum nieuw aangestelde statutair bestuurder, de heer [nieuwe statutair bestuurder], binnen Dyckerhoff werkzaam gebleven tot 1 januari 2011.

2.4. [verweerster] is per 1 oktober 2010 de secretaresse van [nieuwe statutair bestuurder]. Zij is tot 1 januari 2011 feitelijk (mede) werkzaam gebleven voor [oude statutair bestuurder].

2.5. Begin maart 2011 heeft Dyckerhoff ervan kennis genomen dat [oude statutair bestuurder] een haar rechtstreeks concurrerende onderneming, Bizon Holding BV en daarbij behorende werkmaatschappijen (Bizon Aggregates BV en Bizon Concrete BV) heeft opgericht tijdens zijn dienstverband met Dyckerhoff. Bij kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 10 augustus 2011 is geoordeeld dat [oude statutair bestuurder] de Bizongroep heeft opgericht kort voor het einde van zijn dienstverband met Dyckerhoff, dat de ondernemingen uit de Bizongroep begin 2011 daadwerkelijk van start zijn gegaan en dat, volgens de bedrijfsomschrijvingen in het Handelsregister, de Bizongroep zich richt op exact hetzelfde werkterrein als Dyckerhoff. Gelet daarop heeft de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk geoordeeld dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat [oude statutair bestuurder] het tussen hem en Dyckerhoff bij een vaststellingsovereenkomst van 18 augustus 2010 overeengekomen concurrentiebeding heeft geschonden. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het [oude statutair bestuurder] volgens dat concurrentiebeding is verboden om gedurende 1 jaar na het einde van het dienstverband te concurreren met Dyckerhoff.

3. De grondslag van het verzoek en het verweer

3.1. Dyckerhoff stelt zich op het volgende standpunt.

[verweerster] heeft [oude statutair bestuurder], met wie [verweerster] in de loop der jaren een vriendschappelijke relatie had opgebouwd, onder werktijd ondersteund bij het opzetten van een met Dyckerhoff concurrerende onderneming. Zij heeft [oude statutair bestuurder] met het oog daarop bedrijfsgevoelige informatie doorgespeeld. Daarnaast verwijt Dyckerhoff haar dat zij zich van aanvang af heeft verzet tegen de komst van [nieuwe statutair bestuurder] en nooit voor hem heeft willen werken. [verweerster] heeft haar verplichting uit de arbeidsovereenkomst om al datgene te doen en na te laten wat een goed werknemer behoort te doen en na te laten, grovelijk veronachtzaamd. Zij heeft onder meer in strijd gehandeld met het in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding. De arbeidsovereenkomst moet ontbonden worden op grond van een dringende reden, subsidiair veranderingen in de omstandigheden die geheel aan [verweerster] verwijtbaar zijn, zonder toekenning van een vergoeding. Dyckerhoff heeft alle vertrouwen in [verweerster] verloren. De verzochte ontbinding heeft dan ook niets te maken met de arbeidsongeschiktheid van [verweerster].

3.2. [verweerster] voert het volgende verweer.

Dyckerhoff geeft niet concreet aan welke reden zij als dringend ziet, dan wel welke wijziging in de omstandigheden ontbinding zou rechtvaardigen. Van een dringende reden is geen sprake. De ontslagmededeling is daarvoor te laat gedaan en bovendien gebaseerd op een andere grond dan thans wordt aangevoerd. Ook inhoudelijk valt haar niets te verwijten. Zij heeft zich nimmer tegen de komst van [nieuwe statutair bestuurder] verzet. Zij heeft ook nooit weet gehad van een met Dyckerhoff concurrerende onderneming en zij heeft niet meer gedaan dan het als directiesecretaresse uitvoeren van de opdrachten van [oude statutair bestuurder]. [oude statutair bestuurder] had wel een eigen e-mailadres maar hij werkte daar nooit zelf mee, dat deed [verweerster] in zijn opdracht. [oude statutair bestuurder] instrueerde haar over de strekking van de mail en de te verzenden bijlagen, maar zij was niet bekend met de inhoud daarvan. Dyckerhoff baseert haar verwijt dan ook ten onrechte op enkele e-mailberichten. [verweerster] ging er ook van uit dat Dyckerhoff geheel op de hoogte was van de nevenactiviteiten en plannen van [oude statutair bestuurder].

Zij had vanaf 1 oktober 2010 verwacht tevens te zullen werken voor [nieuwe statutair bestuurder], maar hij droeg haar bijna nooit werkzaamheden als directiesecretaresse op. Zij kreeg tot 1 januari 2011 nog steeds opdrachten van [oude statutair bestuurder]. Nadien had zij in toenemende mate onvoldoende werk en [nieuwe statutair bestuurder] liet haar in houding en gedrag weten dat er voor haar geen plaats meer was. Als gevolg daarvan heeft [verweerster] zich uiteindelijk op 7 maart 2011 ziek moeten melden. Nadat zij op 24 augustus 2011 aan de werkgever had aangekondigd dat zij het UWV een deskundigenoordeel zal vragen over de re-integratie-inspanningen van Dyckerhoff, liet Dyckerhoff haar weten dat [verweerster] haar een dringende reden voor ontslag had gegeven. Het ontbindingsverzoek houdt direct verband met het bestaan van het opzegverbod tijdens ziekte.

Als de kantonrechter toch een ontbinding zal uitspreken, dient haar een vergoeding te worden toegekend van € 250.000,-.

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter dient zich bij ieder verzoek op grond van art. 7:685 BW te vergewissen van het bestaan van een opzegverbod. De strekking van het opzegverbod gedurende de arbeidsongeschiktheid van de werknemer door ziekte is onder meer het vrijwaren van de werknemer van de noodzaak verweer te voeren tijdens ziekte. Indien zo’n opzegverbod bestaat, zoals in de onderhavige situatie vanwege de op dit moment en korter dan twee jaar bestaande arbeidsongeschiktheid van [verweerster], betekent dat evenwel niet dat het ontbindingsverzoek zonder meer afgewezen dient te worden of niet-ontvankelijk zou zijn. Gelet op de ernst van de aan [verweerster] verweten gedragingen, het schenden van bedrijfsgeheimen en het tijdens haar dienstverband behulpzaam zijn bij het opzetten van een Dyckerhoff concurrerende onderneming, is er sprake van omstandigheden, die, indien juist bevonden, door de werknemer zijn veroorzaakt en aan voortzetting van het dienstverband in de weg staan. Het opzegverbod tijdens ziekte behoeft in dit geval niet aan de verzochte ontbinding in de weg te staan nu de ratio voor het opzegverbod (te weten dat de werknemer niet in zijn re-integratieproces wordt gestoord) dan niet in geding is. De kantonrechter heeft voorts geen reden om aan te nemen, gelet op de over en weer verstrekte toelichting, dat de ontbinding wegens de ziekte van [verweerster] is verzocht.

4.2. Dyckerhoff baseert haar verwijt dat [verweerster] [oude statutair bestuurder] actief heeft geholpen bij het opzetten van een concurrerende onderneming op het volgende:

a) op 4 en 5 oktober 2010 heeft [verweerster] namens [oude statutair bestuurder] de toenmalige advocaat van Dyckerhoff verzocht [oude statutair bestuurder] te adviseren over het logo van Bizon met daarbij de tekst: “Groeten van je toekomstige familie”. De bijgevoegde afbeelding van een bizon is het huidige Bizon logo geworden. Zij heeft tevens op 5 oktober 2010 deze advocaat een e-mail gestuurd met het verzoek een kostenopgave te doen voor het registreren van de merken Bison betonmortel BV en Bison Aggregates BV.

b) op 8 december 2010 heeft [verweerster] namens [oude statutair bestuurder] een voor Dyckerhoff AG bestemde prijsaanvraag per e-mail verzonden aan een derde partij met het verzoek om prijsopgave te doen. De fax met de prijsopgaaf was aan [verweerster] gestuurd en was niet bestemd voor [oude statutair bestuurder], nu die niet meer als bestuurder aan Dyckerhoff verbonden was, en had door [verweerster] doorgestuurd moeten worden naar de cementafdeling van Dyckerhoff AG zodat die afdeling de prijs had kunnen afgeven; uiteindelijk heeft [verweerster] bij e-mail van 13 december 2010 namens [oude statutair bestuurder] een offerte van de concurrent van Dyckerhoff, Bizon Aggregates BV, als bijlage toegezonden vanaf haar Dyckerhoff account. [verweerster] heeft aldus een voor haar werkgever bedoelde offerte (bedoeld zal zijn: offerteaanvraag, kantonrechter) zonder medeweten van [nieuwe statutair bestuurder], voor wie zij werkt, doorgestuurd naar een rechtstreekse concurrent, Bizon van [oude statutair bestuurder] en zij heeft uiteindelijk de offerte van die concurrent vanuit Dyckerhoff verzonden.

c) ook heeft [verweerster] gecorrespondeerd met de toenmalige advocaat van Dyckerhoff en een makelaar over het huurcontract voor kantoorruimte van Bizon. [verweerster] vraagt de makelaar in een e-mail van 8 december 2010 om alle correspondentie over het huurcontract voortaan te zenden aan het privé-adres van [oude statutair bestuurder] met als reden dat dit is om misverstanden op kantoor te voorkomen.

4.3. De kantonrechter verwerpt het verweer van [verweerster] voor zover dat er op neer komt dat zij slechts opdrachten van [oude statutair bestuurder] uitvoerde en dat zij zich niet met de inhoud van de door haar namens [oude statutair bestuurder] verzonden berichten bezig hield. Dit mag misschien op gaan voor een administratief medewerkster die uitsluitend typewerk verricht, maar ligt dit bij de functie van [verweerster], die van directiesecretaresse, niet voor de hand.

4.4. De door Dyckerhoff genoemde betrokkenheid van [verweerster] bij correspondentie namens [oude statutair bestuurder] rechtvaardigt echter niet de conclusie dat [verweerster] zodanig betrokken was bij het door [oude statutair bestuurder] opzetten van een concurrerende onderneming dat dit in strijd is met de op haar rustende verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met Dyckerhoff. Voor dit oordeel is van belang dat weliswaar [oude statutair bestuurder] per 1 oktober 2010 als statutair bestuurder is terug getreden, maar dat van enige aan [verweerster] kenbare belangentegenstelling of strijd tussen Dyckerhoff en [oude statutair bestuurder] niet is gebleken. Sterker nog, [oude statutair bestuurder] is kennelijk op verzoek van Dyckerhoff min of meer op de oude voet blijven functioneren tot 1 januari 2011. Dyckerhoff heeft niet gesteld dat aan [verweerster] de instructie is gegeven dat zij uitsluitend voor [nieuwe statutair bestuurder] werkzaam diende te zijn en dat [oude statutair bestuurder] geen bemoeienis met het bedrijf meer had. Uit de toelichting van Dyckerhoff, dat [oude statutair bestuurder] nog werd ingezet om [nieuwe statutair bestuurder] in te werken, volgt dat [oude statutair bestuurder] nog steeds een taak had. Voorts is gesteld noch gebleken dat [verweerster] op de hoogte was van het kennelijk, blijkens het overgelegde kort geding vonnis van 10 augustus 2011, tussen [oude statutair bestuurder] en Dyckerhoff in een vaststellingsovereenkomst op 18 augustus 2010 overeengekomen non-concurrentiebeding.

4.4.1. Aldus valt niet in te zien dat [verweerster] bij het uitvoeren van de van [oude statutair bestuurder] verkregen opdrachten bedacht moest zijn op de mogelijkheid dat die opdrachten niet op een mandaat berustten. Het gegeven dat de aan [verweerster] verweten correspondentie deels werd gevoerd met de toenmalige huisadvocaat van Dyckerhoff geeft naar het oordeel van de kantonrechter eerder grond om te veronderstellen dat [oude statutair bestuurder] niet in strijd met de belangen van Dyckerhoff handelde.

4.4.2. De kantonrechter concludeert dat er onvoldoende is aangevoerd om aannemelijk te achten dat [verweerster] reden had om aan te nemen dat de haar door [oude statutair bestuurder] verstrekte opdrachten niet berustten op tussen [oude statutair bestuurder] en Dyckerhoff gemaakte afspraken. [verweerster] is immers jarenlang voor [oude statutair bestuurder] in zijn functie van bestuurder van Dyckerhoff werkzaam geweest, terwijl [oude statutair bestuurder] ook na 1 oktober 2010 feitelijk op dat niveau (naast [nieuwe statutair bestuurder]) is blijven werken. Dat [verweerster] in opdracht van [oude statutair bestuurder] een offerte-aanvraag zonder medeweten van [nieuwe statutair bestuurder] doorzendt aan een concurrent van Dyckerhoff maakt dit niet anders, nu geen feiten zijn gesteld waaruit moet volgen dat [verweerster] er op bedacht had moeten zijn dat [nieuwe statutair bestuurder] daarvan niet op de hoogte was en dat het inschakelen van een concurrent buiten de intern met [oude statutair bestuurder] gemaakte afspraken viel. Het enkele feit dat een concurrent wordt ingeschakeld behoeft nog niet te berusten op kwade wil. [verweerster] heeft ter zitting toegelicht dat [oude statutair bestuurder] haar had gezegd dat de offerte in goed overleg met de Duitse vestiging van Dyckerhoff naar zijn bedrijf is gegaan en dat zij geen reden had daaraan te twijfelen. Ook het verzoek namens [oude statutair bestuurder] aan de makelaar in de op 8 december 2010 verzonden e-mail om verdere correspondentie en e-mail te sturen naar een ander e-mailadres met de toevoeging “Dit om misverstanden op ons kantoor te voorkomen” is onvoldoende om de opzet van [verweerster] om [oude statutair bestuurder] te helpen ten koste van haar werkgever aan te nemen.

4.5. Dyckerhoff heeft voorts voorafgaand aan de zitting in het geding gebracht een e-mailbericht van advocaat E. Pieters van 13 april 2010 aan [verweerster] met als onderwerp "concept overeenkomst" (prod. 19). In de e-mail schrijft deze advocaat:

"Bijgaand de op verzoek van [oude statutair bestuurder] aangepaste concept overeenkomst. Ik heb de aanpassingen zojuist nog even telefonisch met hem afgestemd".

Als bijlage is een voorovereenkomst met een onderneming Newco gevoegd in de vorm van een bestand. In de considerans op de eerste bladzijde is te lezen dat Newco een nieuw op te richten onderneming is, die zich toelegt op de in- en verkoop, alsmede de productie van toeslagstoffen, zoals zand en grint en cement. Dit zijn voor Dyckerhoff concurrerende activiteiten. Op de laatste bladzijde van dit document is [oude statutair bestuurder] als directeur van Newco genoemd. Dyckerhoff verbindt aan deze productie de conclusie dat [verweerster] meewerkte aan het opzetten van een concurrerende onderneming, omdat uit de e-mail blijkt dat [verweerster] op de hoogte was van de concept overeenkomst en de inhoud daarvan.

De kantonrechter deelt de conclusie van Dyckerhoff dat [verweerster] op de hoogte moet zijn geweest van de inhoud van die overeenkomst, gelet op haar functie en de werkwijze van [oude statutair bestuurder] (die niet zelf met e-mail werkte, zodat alles via [verweerster] diende te gaan en zij de uiteindelijk digitaal verkregen stukken voor [oude statutair bestuurder] zal moeten uitprinten en ordenen). Daarmee is echter nog niet gegeven dat [verweerster] ook zelf heeft meegewerkt aan het in strijd met haar arbeidsovereenkomst met Dyckerhoff opzetten van een concurrerende onderneming. Dit "meewerken" van haar was immers een gevolg van haar op grond van de arbeidsovereenkomst met Dyckerhoff rustende taak om de e-mailcorrespondentie voor [oude statutair bestuurder] te verzorgen. Ook hier geldt, dat gesteld noch gebleken is dat [verweerster] een eigen initiatief heeft ontplooid. [oude statutair bestuurder] was ten tijde van het verwerken van dit e-mailbericht nog volledig in functie als statutair bestuurder. Dat [verweerster] in die situatie reden had om te twijfelen aan de juistheid van het handelen van [oude statutair bestuurder] is gesteld noch gebleken. Dyckerhoff heeft [verweerster] niet verweten dat zij in de gegeven omstandigheden anders had moeten handelen dan zij heeft gedaan, zodat die mogelijkheid hier niet aan de orde is. Uitsluitend ligt de vraag voor, of reeds uit de bekendheid van [verweerster] met de inhoud van het toegezonden document en haar betrokkenheid bij de e-mailcorrespondentie namens [oude statutair bestuurder] volgt, dat zij ook zelfstandig betrokken was bij het in strijd met de belangen van Dyckerhoff opzetten van een concurrerende onderneming.

De kantonrechter oordeelt dat die conclusie niet is te trekken. Ook de nader overgelegde productie 24 (mailberichten van [verweerster] aan [A.]) geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat in ieder geval niet juist is het verwijt van Dyckerhoff dat [verweerster] vertrouwelijke informatie aan [oude statutair bestuurder] heeft doorgespeeld. [oude statutair bestuurder] had immers zelf toegang tot die informatie en de verzending van die informatie is steeds in opdracht van [oude statutair bestuurder] gedaan. De conclusie van Dyckerhoff dat [verweerster] [oude statutair bestuurder] actief en in strijd met de arbeidsovereenkomst met Dyckerhoff heeft geholpen bij het opzetten van een concurrerende onderneming, kan niet als juist worden aanvaard. Daarvoor is vereist dat het [verweerster] in haar functie van directiesecretaresse duidelijk had moeten zijn dat de opdrachten van [oude statutair bestuurder] niet konden berusten op intern gemaakte afspraken. Daarvoor is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aangevoerd. Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] de gewraakte e-mailberichten in opdracht van [oude statutair bestuurder] en dus niet uit eigen initiatief heeft gezonden. Dyckerhoff heeft onvoldoende gesteld om de kwade opzet van [verweerster] aan te nemen, die nodig is om het bestaan van een dringende reden (of een wijziging van de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW) voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan te nemen. Gelet op de jarenlange samenwerkingsrelatie en de positie van [oude statutair bestuurder], het ontbreken van signalen dat [oude statutair bestuurder] niet werd vertrouwd en het in relatieve openheid handelen van [oude statutair bestuurder] door gebruik te maken van de huisadvocaat van Dyckerhoff is er onvoldoende grond om aan te nemen dat [verweerster] een zwaar verwijt te maken dat zij de opdrachten van [oude statutair bestuurder] heeft uitgevoerd.

4.7. Dyckerhoff heeft nog gewezen op de als productie 22 overgelegde e-mail van [verweerster] van 14 december 2010 aan "[e-mailadres]": "Mag ik nu een m3 cement of een ton Bizonbeton. Of toch maar anders om. Gr. [verweerster]". Naar het oordeel van de kantonrechter volgt daaruit dat [verweerster] kennelijk uit eigen initiatief een soort test-mail heeft verstuurd aan een algemeen e-mail adres van de Bizongroep van [oude statutair bestuurder]. Dit benadrukt de eerder door de kantonrechter getrokken conclusie, dat [verweerster] volstrekt ten onrechte aanvoert dat zij nooit weet heeft gehad van of betrokken is geweest bij het door [oude statutair bestuurder] opzetten van een concurrerende onderneming. Juist dat verweer geeft voeding aan de argwaan van Dyckerhoff, maar dit is uiteindelijk onvoldoende om de conclusie te dragen dat [verweerster] in strijd met haar verplichtingen jegens Dyckerhoff heeft gehandeld.

4.8. De verdenking van Dyckerhoff dat het handelen van [verweerster] werd ingegeven door de kwade bedoeling [oude statutair bestuurder] ten koste van Dyckerhoff te ondersteunen lijkt mede te zijn ingegeven door de vaststelling van Dyckerhoff dat tussen [verweerster] en [oude statutair bestuurder] een vriendschappelijke relatie (met gemeenschappelijke vakanties en zeilactiviteiten) is opgebouwd en de veronderstelling van Dyckerhoff dat [verweerster] de komst van [nieuwe statutair bestuurder] heeft tegen gewerkt. Dit laatste is ook aan het gestelde vervallen van het vertrouwen in [verweerster] en daarmee aan de verzochte ontbinding ten grondslag gelegd.

4.8.1. Het enkele feit dat [verweerster] op vriendschappelijke voet met [oude statutair bestuurder] om ging, betekent nog niet dat zij op de hoogte was van diens mogelijk en door de voorzieningenrechter in haar vonnis van 10 augustus 2011 als voorlopig oordeel aangenomen handelen in strijd met een met Dyckerhoff overeengekomen non-concurrentie afspraak. Dat [verweerster] van die afspraak op de hoogte was, is gesteld noch gebleken.

4.8.2. Dat [verweerster] de komst van [nieuwe statutair bestuurder] heeft willen tegenwerken kan voorts gelet op de toelichting van [verweerster] niet worden ontleend aan de door Dyckerhoff overgelegde e-mail van 6 juli 2010 met de tekst “daarisie”. Dit behoeft verder geen bespreking, nu Dyckerhoff ter zitting zelf tot deze conclusie is gekomen. Ditzelfde geldt voor de tekst van de overgelegde e-mail van [verweerster] aan de toenmalige huisadvocaat van Dyckerhoff en aan de zoon van [oude statutair bestuurder] van 2 augustus 2010, waaruit haar sterke verwondering blijkt over het feit dat [nieuwe statutair bestuurder] zonder handtekening van [oude statutair bestuurder] is ingeschreven als directievoorzitter in het handelsregister. [verweerster] heeft ter zitting toegelicht dat zij tot taak had toe te zien op de juiste inschrijvingen omdat dit in het verleden niet altijd goed is gegaan. De kantonrechter stelt vast dat kennelijk dit keer de inschrijving buiten [verweerster] om is gegaan en dat dit haar reactie, waaruit een zekere emotionele betrokkenheid spreekt, goed verklaart. Dat de verklaring moet worden gevonden in haar aversie tegen de komst van [nieuwe statutair bestuurder], is daarmee zeker niet aannemelijk geworden.

4.8.3. [verweerster] heeft voorts met verklaringen onderbouwd bestreden dat zij pogingen in het werk heeft gesteld om leden van de ondernemingsraad te beïnvloeden zodat de ondernemingsraad negatief zou adviseren over de benoeming van [nieuwe statutair bestuurder]. De andersluidende stellingen van Dyckerhoff zijn onderbouwd met een overgelegde verklaring van de heer [manager P&O], manager P&O van Dyckerhoff, die echter weinig concreet is. Welke ondernemingsraadleden op welk moment en in welke context benaderd zijn en met welke argumenten valt daar niet uit af te leiden. De kantonrechter oordeelt dat aldus tegenover de betwisting door [verweerster] onvoldoende is onderbouwd dat [verweerster] stelselmatig heeft geprobeerd de komst van [nieuwe statutair bestuurder] als nieuwe directeur tegen te werken.

4.9. Dyckerhoff heeft tot slot onder overlegging van een schriftelijke verklaring van [nieuwe statutair bestuurder] aangevoerd dat hij heeft ervaren dat [verweerster] zich gereserveerd tegenover hem opstelde en zich nog volledig op [oude statutair bestuurder] richtte, dat zij documenten voor hem niet opzocht en hem liet wachten op instructie van [oude statutair bestuurder]. Ook heeft hij ervaren dat zij het op het computerscherm getoonde beeld snel veranderde als hij haar passeerde. [verweerster] heeft daartegenover aangevoerd dat deze klachten onjuist zijn en eerst thans en niet tijdens hun functioneringsgesprek van medio december 2010 aan de orde zijn gesteld.

De kantonrechter oordeelt dat van [verweerster] uiteraard verwacht mag worden dat zij na de directiewisseling zakelijk loyaal en op het niveau dat van een directiesecretaresse mag worden verwacht ten behoeve van [nieuwe statutair bestuurder] werkzaam zal zijn. De door [nieuwe statutair bestuurder] genoemde klachten, indien juist, wijzen op een soort passief verzet dat [verweerster] behoort na te laten. Aan een beoordeling of de bestreden klachten juist zijn komt de kantonrechter echter niet toe, nu gelet op het kennelijk onbesproken jarenlang dienstverband van [verweerster] en de bijzondere situatie waarin zij gedurende de maanden oktober tot en met december 2010 verkeerde, dat gedrag onvoldoende is om reeds van een verstoorde vertrouwensrelatie te spreken, temeer nu dit gedrag niet eerder met haar is besproken.

4.10. De kantonrechter sluit af. Voor het bij Dyckerhoff ontstane beeld over [verweerster] kan enig begrip worden opgebracht uitgaande van haar vaststelling (of dat nu terecht zal blijken te zijn of niet) dat [oude statutair bestuurder] haar in strijd met gemaakte afspraken beconcurreert, de hechte band tussen [verweerster] en [oude statutair bestuurder] als zijn directiesecretaresse en gelet op haar vriendschap met de familie [oude statutair bestuurder]. Ook het verweer van [verweerster] dat zij van het opzetten van die concurrerende activiteiten geen weet heeft gehad, draagt aan dat beeld bij. Daarbij komt dat de start van de samenwerking tussen [verweerster] en [nieuwe statutair bestuurder] in een ongelukkige periode viel, waarin [oude statutair bestuurder] nog binnen de onderneming actief was en de bestaande samenwerking tussen [oude statutair bestuurder] en [verweerster] begrijpelijkerwijs als vanzelf werd gecontinueerd. De kantonrechter heeft geen reden te twijfelen aan het beeld dat bij [nieuwe statutair bestuurder] is ontstaan, dat [verweerster] daardoor meer afstand hield. Er bestaat echter geen grond om het bestaan van de gestelde dringende reden aan te nemen en evenmin voor het bestaan van zodanig gewijzigde omstandigheden dat het dienstverband dient te worden beëindigd. Voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat dan ook geen grond. Het is ook te gemakkelijk om vanuit het gestelde verlies van Dyckerhoff van alle vertrouwen in [verweerster] dan maar tot die beëindiging van de arbeidsovereenkomst uit te gaan. Van beide partijen mag verwacht worden dat zij, als de professional die zij zijn, gaan werken aan het herstel van de verhoudingen en er is geen reden om aan te nemen dat dit, eventueel in het kader van de re-integratie van [verweerster], niet zal slagen.

4.11. Nu [verweerster] zelf geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst wenst en ter zitting heeft aangegeven het verlies van haar langdurig en succesvol dienstverband bij Dyckerhoff te betreuren, mag van beide partijen verwacht worden dat zij zich inzetten voor een voortzetting van het dienstverband van [verweerster]. Het eenzijdig door Dyckerhoff ervaren verlies aan vertrouwen in [verweerster] kan mede gelet op hetgeen de kantonrechter heeft overwogen in 4.1 geen grond zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.12. De kantonrechter wijst derhalve het verzoek van Dyckerhoff af. De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1. wijst het verzoek af;

5.2. compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 december 2011.