Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3023

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
16/514082-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zestienjarige pleegt ontuchtige handelingen met veertienjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/514082-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1995] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Breda.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting dan wel aan het plegen van ontuchtige handelingen met iemand jonger dan 16 jaar.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank heeft geconstateerd dat uit het dossier niet uitdrukkelijk blijkt dat het openbaar ministerie heeft voldaan aan de inspanningsverplichting van artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering. Dit hoeft echter geen gevolgen te hebben voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu uit de bij de politie afgelegde verklaring van aangeefster (dossierpagina 55) onmiskenbaar volgt dat zij van oordeel is dat tegen verdachte een strafvervolging behoort te worden ingesteld. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende invulling gegeven aan het hoorrecht van aangeefster.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat er – kort gezegd – geen sprake is geweest van dwang, maar van vrijwilligheid. Als er al op enig moment sprake is geweest van een ‘pressiemiddel’ – het door verdachte dreigen met het bekendmaken van bepaalde informatie door het versturen van een sms om aangeefster te bewegen hem te pijpen – dan is dit niet zo dreigend geweest dat van aangeefster niet mocht worden verwacht dat ze weerstand bood aan het verzoek verdachte te pijpen, aldus de verdediging.

Voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging betoogd, dat uit de jurisprudentie blijkt dat onder omstandigheden het ontuchtig karakter aan de gepleegde gedragingen kan komen te ontvallen. De verdediging heeft aangevoerd, dat voor het merendeel van de ten laste gelegde handelingen geldt dat er sprake was van vrijwilligheid tussen twee personen met een gering leeftijdsverschil die een affectieve relatie hadden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak voor verkrachting

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd. De rechtbank is op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel, dat onvoldoende objectief is gebleken dat aangeefster zich niet had kunnen onttrekken aan de toenadering(en) die verdachte op seksueel gebied zocht. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de inhoud van het sms-bericht niet van dien aard was, dat aangeefster, alleen uit angst voor onthulling daarvan, geen weerstand zou hebben kunnen bieden aan verdachte.

Bewezenverklaring voor ontuchtige handelingen

De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde wel kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Door [benadeelde], die volgens de geboorteakte is geboren op [1996] , is verklaard, dat verdachte haar op 8 februari 2011 te Leusden in haar borsten heeft geknepen, haar heeft gevingerd, zijn penis meermalen in haar mond heeft gebracht en zijn penis in haar vagina heeft gebracht. Verdachte heeft ter terechtzitting het uitvoeren van deze seksuele handelingen bevestigd.

Nadere bewijsoverweging

Volgens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht als maatstaf voor ogen gestaan of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. Van ontucht zal in ieder geval sprake zijn, indien één van de betrokkenen seksuele handelingen pleegt met de ander tegen diens wil. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Weliswaar verschillen aangeefster (14 jaar) en verdachte (16 jaar) in leeftijd slechts in geringe mate, van volkomen vrijwilligheid in de seksuele handelingen aan de zijde van aangeefster was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Door aangeefster is immers verklaard dat verdachte haar (de tekst van) een voor haar compromitterend sms-bericht voorhield dat hij aan anderen zou onthullen als zij verdachte niet zou pijpen. Door verdachte is verklaard dat hij het sms-bericht heeft gebruikt ‘om iets door te drammen.’ De rechtbank acht, daargelaten het antwoord op de vraag of er sprake is van een aandeel van aangeefster in hetgeen is voorgevallen, de handelwijze van verdachte moreel niet acceptabel. Hij had op deze wijze niet zijn zin mogen doordrijven. Dit heeft verdachte later zelf ook wel ingezien en ook de ouders van verdachte en de ouders van aangeefster hebben getracht met elkaar in gesprek te komen, waarbij zelfs is overwogen een mediator te laten bemiddelen. Het valt naar het oordeel van de rechtbank te betreuren dat de zaak uiteindelijk bij de meervoudige strafkamer is aangebracht, omdat daarmee de kwestie op scherp is gezet en niet alleen onnodig schade heeft berokkend aan aangeefster en haar ouders maar ook aan verdachte en zijn ouders. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 februari 2011 te Leusden, met [benadeelde], geboren op [1996], die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige

handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit

het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte

* zijn penis meermalen in de mond van die [benadeelde] gebracht en die [benadeelde] meermalen gedwongen zijn penis in haar mond te nemen en

* zijn vinger in de vagina van die [benadeelde] gebracht en (daarbij) zijn vinger heen en weer bewogen en

* zijn penis meermalen in de vagina van die [benadeelde] gebracht en

* die [benadeelde] in de borsten geknepen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie en de leerstraf ‘seksualiteit’ voor de duur van 25 uren subsidiair 12 dagen vervangende jeugddetentie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde. Voor zover het subsidiair tenlastegelegde tot een bewezenverklaring leidt, heeft de verdediging betoogd dat verdachte schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van straf, omdat hij al meer dan voldoende is gestraft voor alles wat zich heeft voorgedaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Verder is rekening gehouden met de persoon van de verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking daar van het hierna te noemen rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 18 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld noch contacten met justitie heeft gehad.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een meisje dat op dat moment nog maar 14 jaar oud was. Die ontucht heeft mede bestaan uit seksueel binnendringen van het lichaam. Wat door verdachte was bedoeld als de ‘eerste keer’ is voor aangeefster uitgelopen op een vervelende ervaring, waarbij verdachte de grenzen van een seksuele ‘verkenningstocht’ tussen leeftijdsgenoten heeft overschreden en zijn eigen seksuele verlangens heeft laten prevaleren boven de lichamelijke en psychische integriteit van [benadeelde]. De rechtbank verwijst verder naar haar eerdere opmerkingen ter zake in de nadere bewijsoverweging onder rechtsoverweging 4.3.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 4 november 2011. Ter terechtzitting is daarop door mevrouw De Jong een toelichting gegeven. Uit het rapport en de toelichting daarop is de rechtbank gebleken, dat het noodzakelijk wordt geacht dat verdachte weerbaarder wordt als het gaat om zijn eigen seksuele ontwikkeling en leert om het gedrag van anderen te begrijpen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert verdachte een leerstraf “seksualiteit voor minderjarigen” op te leggen, voor de duur van 25 uren.

De rechtbank acht, alles afwegende, het opleggen van de door de Raad van de Kinderbescherming geadviseerde leerstraf passend en geboden. Omdat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de officier van justitie is uitgegaan, kan met deze straf, die lager is dan de officier van justitie heeft gevorderd, worden volstaan.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.650,00.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 650,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 150,00 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een leerstraf, te weten de leerstraf “seksualiteit voor minderjarigen” van 25 uren;

- beveelt dat indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 12 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 650,00, waarvan € 150,00 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 650,00 te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 december 2011.