Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BV2887

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
304320 - HA ZA 11-652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke vernietiging arbitraal vonnis op grond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv. Aangezien het algemeen bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen ingrijpt in arbitrale beslissingen ziet de rechtbank niet in waarom zij zou moeten ingrijpen in de beslissing van de arbiter op een onderdeel van zijn vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 304320 / HA ZA 11-652

Vonnis van 28 december 2011

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisers,

advocaat mr. J.G.C. Scheurink te Breda,

procesadvocaat mr. J.M. van Noort te Utrecht,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.M. Poublon te Tilburg.

Eisers zullen gezamenlijk [eisers] genoemd worden en gedaagden gezamenlijk [gedaagden]. Gedaagden zullen, indien dat ter verduidelijking nodig is, afzonderlijk [gedaagde sub 1] en

[gedaagde sub 2] BV genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 juni 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 16 november 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] en [gedaagden] [maatschap]aakt van de maatschap [maatschap] (hierna: [maatschap]). Deze maatschap bestond in 2005 uit [A], [B], ([eiser sub 1]) [eisers], [gedaagden], [C] en [D]. In de notulen van de maatschapsvergadering van 25 augustus 2005 staat het volgende:

“Discussiepunt Goodwill door [eiser sub 1] voldaan c.q. ingroeischuld op het moment van toetreding tot de maatschap (01/01/2004). Dit punt is zeer uitgebreid besproken, op twee momenten heeft [eiser sub 1] de vergadering verlaten om de overige aanwezigen de ruimte te geven hun gezamenlijke standpunt te bepalen.

[eiser sub 1] heeft op 24/08/2005 een “voorbespreking” gehad met [A]. Hij heeft zijn ruwe berekening besproken. Deze berekening hield in de winstderving welke [eiser sub 1] in zijn ogen geleden heeft t.o.v. de verwachting welke besproken is ten tijde van het moment van toetreden. Over geheel 2003 + 2004 noemt [eiser sub 1] een getal van € 320.000. Direct vult [eiser sub 1] aan dat hij zich mede verantwoordelijk voelt voor het resultaat 2004 en dat hij daardoor afziet om “winstderving” 2004 als punt in te brengen. Hij ziet direct ervan af om dit als “claim” in te brengen. Resteert de “claim” over 2003, volgens [eiser sub 1] € 130.000. [eiser sub 1] is er zich van bewust dat er geen liquiditeiten beschikbaar zijn; zijn gedachte is om zijn interne ingroeischuld aan te passen in zijn voordeel ten laste van de overige vennoten.

[…]

Het onderstaande voorstel is gedaan aan [eiser sub 1] en [B]:

De ingroeischulden van [eiser sub 1] en [B] worden per 01-01-2005 verlaagd met € 40.000. Totaal dus €80.000

[…]

Alle maten zijn het gezamenlijk eens over de afspraak. Tegelijkertijd is duidelijk afgesproken dat hiermee dit onderwerp voor eens en altijd definitief behandeld is en geen der maten kan en zal hier ooit nog in de toekomst op terugkomen. Dit boek is definitief gesloten. De [maatschap] is ontbonden per 31 december 2006. [A] ging hierna voor zichzelf verder. [eisers] en [B] hebben zich als vennoten aangesloten bij een andere maatschap, DRV Accountants en Belastingadviseurs (hierna: DRV). [C] en [D] waren al eerder uit de maatschap [maatschap] getreden.

2.3. Met het oog op de ontbinding van [maatschap] hebben [A], [B], [eisers] en [gedaagden] op 23 november 2006 een overeenkomst gesloten tot verdeling van het maatschapsvermogen (hierna: de splitsingsovereenkomst). Op grond van de splitsingsovereenkomst werd een deel van het maatschapsvermogen toegescheiden aan [A] en een deel aan [eisers], [B] en [gedaagden] gezamenlijk. In de splitsingsovereenkomst staat het volgende (paragraaf 44):

“Na ondertekening van deze overeenkomst en uitvoering van hetgeen in deze overeenkomst wordt bepaald hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen en verlenen zij elkaar over en weer volledige finale kwijting en décharge terzake de tussen hen bestaan hebbende maatschap en de financiële afwikkeling daarvan.”

2.4. Omdat het de bedoeling was dat [gedaagde sub 1] op 1 januari 2007 bij DRV in loondienst zou treden zijn [eisers], [B] en [gedaagden] overeengekomen dat [gedaagden] per 31 december 2006, onmiddellijk na de toescheiding van het aan hen drieën gezamenlijk toekomende deel van het maatschapsvermogen in [maatschap], zou uittreden. Dit is bevestigd in een schriftelijke “Overeenkomst inzake uittreding” van 11 december 2006 (hierna: de uittreedovereenkomst). In de uittreedovereenkomst staat een arbitrageclausule (artikel 9), die bepaalt dat [B], [eisers] en [gedaagden] eventuele geschillen die zouden kunnen voortvloeien uit de uittreding van [gedaagden] ter bindende vaststelling voor moeten leggen aan mr. A.H. van Engelen RA (hierna: de arbiter).

2.5. Artikel 4 van de uittreedovereenkomst luidt als volgt:

“[gedaagden] heeft in het kader van de uittreding uit het door [B] en [eisers] voortgezette ondernemingsdeel uitgaande van de situatie per 31 december 2006 recht op:

1. het door hem opgebouwde kapitaal conform zijn kapitaalrekening zoals uit de slotbalans zal blijken.

2. het uittreedbedrag in verband met de goodwillvergoeding, zoals nader gedefinieerd in artikel 17 lid 2 van de maatschapsovereenkomst.

a. bij de berekening van het uittreedbedrag is overeengekomen dat wordt uitgegaan van de marktkapitalisatiefactor 1,0. De grondslag voor berekening van het uittreedbedrag wordt gevormd door de over 2007 in de vestiging [vestigingsplaats 1] gerealiseerde omzet. In productie 1 wordt deze grondslag (definitie) nader uitgewerkt. Deze grondslag zal nimmer lager worden gesteld dan € 1.800.000,- en nimmer hoger dan € 2.600.000,-.

b. […]

3. een vergoeding voor de stille reserves als bedoeld in artikel 17 lid 5 van het maatschapscontract d.d. 23 april 2006, die door partijen wordt vastgesteld op € 5.000,-.”

2.6. In de bijlage bij de uittreedovereenkomst, waarnaar in artikel 4, lid 2 onder a is verwezen, staat het volgende:

“Onder de aan [gedaagden] toekomende goodwillvergoeding, zoals die door de overige maten aan [gedaagden] is te betalen, wordt het volgende verstaan:

De door DRV accountants-belastingadviseurs en of hiermee gelieerde vennootschappen/resp. de door [eisers] en [B] zelfstandig behaalde omzet exclusief omzetbelasting betreffende:

1. de productie over de periode 01 januari 2007 tot en met 31 december 2007;

2. de klantenkring vestiging [vestigingsplaats 1] en [vestigingsplaats 2] van de huidige maatschap [maatschap] zoals blijkt uit de klantenlijst welke zal zijn gehecht aan de splitsingsakte, plus en min de in 2007 gerealiseerde klantenmutaties.

3. de wegens interne leveringen verleende kortingen op de verrichtte werkzaamheden

Voorbeeld:

Behaalde omzet klantenkring [vestig[vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1] over de

periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 € 2.387.500

bij: verleende kortingen € 12.500

Omzet waarover goodwillberekening plaatsvindt € 2.400.000

Goodwillwaardering marktkapitalisatiefactor 1,0 € 2.400.000

Aandeel van [gedaagden] hierin 1/3 € 800.000”

2.7. De vereffening en verdeling van het maatschapsvermogen van [maatschap] is moeizaam verlopen. [eisers] en [gedaagden] hebben in verband met die vereffening en verdeling een kort geding tegen (onder andere) [A] aanhangig gemaakt. In het vonnis van 3 december 2007 dat de voorzieningenrechter in dit kort geding heeft gewezen staat het volgende (3.16):

“Met betrekking tot het door eisers gedane beroep op een garantieregeling wordt overwogen dat vast staat dat partijen bij aanvang van de maatschap hebben gesproken over een vangnetregeling in verband met ingroeischulden. Uit de van de zijde van gedaagden als productie 22 overgelegde notulen van de maatschapsvergadering van 25 augustus 2005 blijkt echter genoegzaam dat partijen destijds zijn overeengekomen de ingroeischulden voor [eisers] en [B] te verlagen en de discussie hieromtrent verder te sluiten. Een en ander wordt bevestigd door [D] en [C], van wie de verklaringen door gedaagden als producties 23 en 24 in het geding zijn gebracht. Nu uit geen van de bespreekverslagen of de conceptafrekeningen blijkt dat eisers een beroep toekomt op een gegarandeerd winstaandeel is niet aannemelijk dat de vordering van gedaagden onjuist is vastgesteld.”

2.8. [eisers] en [gedaagden] zijn op enig moment een arbitrageprocedure tegen [A] gestart. In het arbitraal vonnis dat is gevolgd op die procedure is het volgende overwogen (5.11):

“De arbiters is niets gebleken van het bestaan van een zogenaamde garantieregeling, afgezien dat partijen blijkens de notulen van de maatschapsvergadering van 25 augustus 2005 zijn overeengekomen de ingroeischulden voor [eisers] en [B] te verlagen en verdere discussies daaromtrent te beëindigen. Van een verdere garantieregeling op basis waarvan de maten recht zouden hebben op een gegarandeerd winstdeel is op grond van de door beide partijen overgelegde stukken niets gebleken. Daarnaast valt een eventueel geschil daarover niet onder de reikwijdte van zowel de arbitrageovereenkomst als de splitsingsovereenkomst.”

2.9. [B] en [eisers] enerzijds en [gedaagden] anderzijds hebben later een conflict gekregen over de vaststelling van het bedrag dat op grond van artikel 4 van de uittreedovereenkomst aan [gedaagden] zou moeten worden betaald. Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagden] bij verzoekschrift van 8 februari 2010 een arbitrageprocedure tegen [B] en [eisers] aanhangig gemaakt. In de loop van die procedure heeft [gedaagden] met [B] een schikking getroffen.

2.10. In het arbitraal vonnis van 27 oktober 2010 staat het volgende:

“[…]

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

Op de zitting van 30 september 2010 waren [eisers] en [gedaagden] aanwezig zo ook hun juridisch adviseur. Tijdens de zitting wordt door betrokken partijen niet betwist dat de overeenkomst inzake uittreding van 11 december 2006 tussen [B], . [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] de basis is voor de afwikkeling van het geschil. Bij de betreffende overeenkomst is een bijlage begrepen inzake de omzetgrondslag, welke de basis is voor de goodwillwaardering, zoals door partijen is overeengekomen en ook bevestigd, zoals blijkt uit de parafering door de betrokken partijen.

Partijen hebben geen verschil van mening omtrent de wijze waarop de uittreedvergoeding moet worden bepaald.

Partijen hebben ook geen verschil van mening omtrent de hoogte van de vergoeding voor de stille reserves zoals deze door partijen is vastgesteld op € 5.000.

Partijen hebben ook geen geschil omtrent de hoogte van de rentevergoeding over de nog verschuldigde bedragen zijnde 6%, zoals afgesproken in de overeenkomst inzake uittreding van 11 december 2006, artikel 5 lid 2.

De partijen [B] en [gedaagde sub 1] hebben hun zakelijk verschil van mening onderling geregeld zodat uiteindelijk slechts de arbitrage overblijft inzake het zakelijk verschil van mening tussen [eisers] en [gedaagden].

[eisers] geeft aan dat volgens hem de garantieregeling/vangnetregeling van toepassing is. Deze garantieregeling/vangnetregeling is gebaseerd op de overeenkomsten inzake de toetreding van [eisers] bij de toenmalige maatschap. Deze garantie hield kort samengevat in dat [eisers] toen werd gegarandeerd dat [eisers] (naast een reële arbeidsvergoeding) zijn inleg in circa 5 tot 7 jaren kon terugverdienen. Wanneer dit niet gerealiseerd kon worden, zou de maatschap het tekort restitueren. Op grond van dat uitgangspunt stelt [eisers] dat hij een tegenvordering heeft en per saldo niets verschuldigd is.

[gedaagden] stelt nadrukkelijk dat hiervan geen sprake kan zijn. Immers, die regeling was slechts van toepassing bij de maatschap [A]. [gedaagden] stelt nadrukkelijk dat [eisers] in het verleden nimmer hierop een aanspraak heeft gedaan bij het uittreden van vennoten uit de maatschap [A].

In de procedure van [eisers], [gedaagden] en [B] tegen [A] werd getracht een beroep te doen op genoemde regeling. Vaststaat dat in die juridische procedure geen erkenning heeft plaatsgevonden van die regeling.

[eisers] stelt dat in deze casus het relevant is dat [gedaagden] wel degelijk heeft erkend dat de regeling bestaat. Immers voor de rechter hebben [eisers], [gedaagden] en [B] zulks betoogd. Het is in de visie van [eisers] duidelijk dat [gedaagden] van het bestaan wist, immers gezamenlijk hebben zij dit juridisch naar voren gebracht. [gedaagden] stelt dat in de arbitrageprocedure tussen [eisers] en [A] is gebleken dat die garantieregeling niet bestaat. Immers in de afspraken zoals die gemaakt zijn in de maatschapsvergadering van 25 augustus 2005 werd de regeling ontkracht. De overwegingen van de voorzieningenrechter in kort geding en die van de arbiters hebben [gedaagden] de overtuiging gegeven dat er geen beroep gedaan kon worden op de garantieregeling in die betreffende procedures. [gedaagden] is dan ook van mening dat die garantieregeling in de onderhavige procedure eveneens niet van toepassing is. Zulks is niet overeengekomen en hij verwijst nadrukkelijk naar de gesloten overeenkomsten.

Het aanbod van [gedaagden] om tot een oplossing te komen wordt door [eisers] niet geaccepteerd. Immers hij is van mening dat niets verschuldigd is indien de garantieregeling van toepassing is. Tijdens de zitting is niet gebleken dat betrokken partijen in comparitie tot een vergelijk zijn gekomen en men volhardt in het ingenomen standpunt.

4. De gronden van de beslissing

In de overeenkomst inzake uittreding van 11 december 2006 is in artikel 9 het arbitragebeding opgenomen dat de basis is voor deze procedure. De arbitrage behelst het zakelijk verschil van mening tussen [eisers] en [gedaagden]. In deze beslissing behoeft geen rekening gehouden te worden met partij [B], immers deze heeft met [gedaagde sub 1] hun zakelijk verschil van mening onderling geregeld.

De garantieregeling/vangnetregeling waarop [eisers] zich beroept moet terzijde worden geschoven. Immers partijen in de splitsingsovereenkomst en de overeenkomst inzake uittreding zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat zij elkaar over en weer volledige en finale kwijting en decharge verlenen ter zake de tussen hen bestaanhebbende maatschap en de financiële afwikkeling daarvan.

Dit wordt tevens versterkt door het feit dat de voorzieningenrechter in kort geding en daarna arbiters reeds negatief geoordeeld hebben over het bestaan dan wel het van toepassing zijn van een dergelijke regeling. [eisers] heeft niet aannemelijk kunnen maken waarom de garantieregeling, voor zover die bestaat in deze procedure, van toepassing is.

5. Beslissing

Op 11 december 2006 is door betrokken partijen een overeenkomst inzake uittreding getekend. Hierin is de uitreedvergoeding geregeld. Deze bestaat uit:

Opgebouwd kapitaal Uittreedvergoeding op basis van de productie 2007;

Vergoeding voor stille reserves ad € 5.000;

De stand van de kapitaalrekening van [gedaa[gedaagde sub 2] BV is per 31 december 2006

negatief € 242.827.

De vergoeding voor goodwill, zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 van de overeenkomst inzake uittreding wordt gebaseerd op de productiewaarde 2007 voor de vestiging [vestigingsplaats 1] van DRV Accountants en Belastingadviseurs en wordt bepaald op

€ 2.344.000 en het toekomende deel voor [gedaagde sub 2] BV wordt vastgesteld op € 781.327;

Dit impliceert dat het volgende verschuldigd is per 1 januari 2007:

Kapitaal € - 242.827

Goodwill € 781.327

Stille reserves € 5.000

Totaal € 543.500

Het aandeel dat toegerekend wordt aan [eisers] bedraagt 50% hiervan, zijnde € 271.750

Dit bedrag is verschuldigd met de rentevergoeding van 6% vanaf 1 januari 2007.

[eisers] wordt veroordeeld in directe betaling van het bedrag van € 271.750 vermeerderd met de daarover verschuldigde rente vanaf 1 januari 2007, uiterlijk te voldoen op 1 december 2010. […]”

2.11. [gedaagden] heeft beslag gelegd op diverse vermogensbestanddelen van [eisers]

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert samengevat - na voorwaardelijke vermeerdering van eis, dat de rechtbank (uitvoerbaar bij voorraad):

a. het arbitraal vonnis van 27 oktober 2010 vernietigt

b. opnieuw recht doet en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] BV niet ontvankelijk verklaart in hun verzoek zoals verwoord in het verzoekschrift van 8 februari 2010, dan wel deze vorderingen afwijst

c. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] BV hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 444.975,25, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, op voorwaarde dat de rechtbank de vordering om opnieuw recht te doen honoreert

d. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] BV aansprakelijk zijn voor alle schade die [eisers] heeft geleden als gevolg van het beslag, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat

e. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] BV veroordeelt tot vergoeding van de proceskosten en de nakosten, alsmede tot vergoeding van de kosten van de arbitrageprocedure ter hoogte van € 6.260,-- (inclusief BTW), te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. Aan zijn vordering tot vernietiging legt [eisers] artikel 1064 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv ten grondslag. Volgens [eisers] is het arbitraal vonnis niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 1057 Rv met redenen omkleed.

3.3. [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [eisers] in de kosten van de procedure.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat zij bij haar onderzoek of er grond voor vernietiging van het arbitraal vonnis bestaat terughoudendheid moet betrachten. Deze regel hangt onder meer hiermee samen dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen in dient te grijpen in arbitrale beslissingen. Vernietiging op grond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv is, voor zover in deze procedure relevant, mogelijk indien het vonnis niet met redenen is omkleed. Dat is het geval wanneer een motivering ontbreekt. Met het ontbreken van een motivering moet op één lijn worden gesteld het geval dat weliswaar een motivering gegeven is, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt (Hoge Raad 9 januari 2004, NJ 2005, 190).

4.2. [eisers] betoogt dat de arbiter zijn vonnis op vijf onderdelen niet met redenen heeft omkleed. Deze onderdelen worden hieronder afzonderlijk besproken.

Onderdeel 1

4.3. [gedaagden] heeft op 8 februari 2010 in de arbitrageprocedure betaling gevorderd van een bedrag van

€ 329.855,58. Op 12 februari 2010 heeft [gedaagden] aan [eisers] en [B] een schriftelijk voorstel gedaan, op grond waarvan [eisers] € 269.249,-- zou moeten betalen. [eisers] heeft het document waarop dit voorstel is gedaan ingebracht in de arbitrageprocedure. Volgens [eisers] kon de arbiter, die hem heeft veroordeeld tot betaling van € 271.750,--, hem naar aanleiding van dit voorstel van [gedaagden] niet veroordelen tot betaling van een bedrag hoger dan € 269.249,--.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat in het arbitraal vonnis op dit punt geen motivering ontbreekt en voldoet aan de eisen van artikel 1057 Rv. Het doen van een schikkingsvoorstel brengt immers niet mee dat degene die dat voorstel doet zijn recht op het meerdere prijsgeeft. Dit feit van algemene bekendheid is zo vanzelfsprekend dat de arbiter niet hoefde te motiveren waarom hij een hoger bedrag dan € 269.249,-- heeft toegewezen.

Onderdeel 2

4.5. [gedaagden] is bij zijn vordering in de arbitrageprocedure uitgegaan van een in 2007 gerealiseerde omzet (in de zin van artikel 4 lid 2 onder a van de uittreedovereenkomst) van

€ 2.344.000,--. Op grond daarvan stelde [gedaagden] recht te hebben op een goodwillvergoeding ter hoogte van een derde van dat bedrag (€ 781.327,--). De arbiter heeft dit uitgangspunt overgenomen en heeft in het arbitrale vonnis overwogen dat partijen geen verschil van mening hadden over de wijze waarop de uittreedvergoeding moest worden bepaald. Volgens [eisers] ten onrechte. In zijn processtukken heeft [eisers] tegen het standpunt van [gedaagden] verweer gevoerd. Dit verweer houdt in dat de omzet in het kader van artikel 4 lid 2 onder a van de uittreedovereenkomst niet moet worden bepaald aan de hand van de productiewaarde (geschreven uren x het toepasselijke uurtarief), maar aan de hand van de gefactureerde en geïncasseerde omzet. In verband daarmee heeft [eisers] erop gewezen dat uit het door [gedaagden] overgelegde overzicht (productie 4 van productie 1) blijkt dat van de totale productie een bedrag ter hoogte van € 145.000,-- niet is gefactureerd en dat een bedrag van € 225.000,-- weliswaar is gefactureerd maar niet is geïncasseerd (totaal € 370.000,--). Volgens [eisers] had de arbiter bij het vaststellen van de aan [gedaagden] toekomende goodwillvergoeding daarom moeten uitgaan van een omzet van € 1.974.000,--.

4.6. De rechtbank stelt vast dat de arbiter geen schriftelijk verslag aan partijen heeft verstrekt met een weergave van hetgeen op de zitting van 30 september 2010 is besproken. Uit het arbitrale vonnis van 27 oktober 2010 blijkt niet dat [eisers] zijn verweer op dit punt tijdens die zitting heeft laten varen. Uit de opmerking van de arbiter, dat partijen geen verschil van mening hebben omtrent de wijze waarop de uittreedvergoeding moet worden bepaald, kan niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat [eisers] zijn verweer heeft ingetrokken. Voorts leidt de tekst in de bijlage bij de uittreedovereenkomst, inhoudende dat de aan [gedaagden] toekomende goodwillvergoeding moet worden gebaseerd op de in 2007 behaalde omzet over de productie, zonder nadere toelichting nog niet tot de conclusie dat moet worden uitgegaan van de productiewaarde. Dat (in ieder geval) de niet gefactureerde uren meetellen bij de in 2007 gerealiseerde omzet (artikel 4 lid 2 onder a van de uittreedovereenkomst), is immers niet vanzelfsprekend. De conclusie luidt dan ook dat in het arbitrale vonnis op dit punt een motivering ontbreekt.

Onderdeel 3

4.7. Op grond van artikel 4 van de uittreedovereenkomst heeft [gedaagden] mede recht op een vergoeding voor stille reserves. Deze vergoeding is vastgesteld op € 5.000,--. In de arbitrageprocedure heeft [gedaagden] de aan hem toekomende vergoeding berekend door zijn negatieve kapitaal, de goodwillvergoeding en voornoemd bedrag van € 5.000,-- bij elkaar op te tellen. [eisers] heeft in die procedure het standpunt ingenomen dat deze berekeningswijze onjuist is omdat [gedaagden] zelf in een door hem overgelegd overzicht bij de vaststelling van zijn kapitaal al rekening heeft gehouden met de stille reserves van € 5.000,--. De arbiter heeft in zijn vonnis de berekeningswijze van [gedaagden] gevolgd. Volgens [eisers] heeft de arbiter dat ten onrechte en zonder motivering gedaan.

4.8. Ook met betrekking tot dit onderdeel geldt dat niet is gebleken dat [eisers] zijn verweer op dit punt tijdens de zitting van 30 september 2010 heeft laten varen. Ter comparitie van 16 november 2011 heeft [gedaagden] verklaard dat hij het met [eisers] eens is dat de arbiter nu twee keer het bedrag van € 5.000,-- heeft meegenomen en dat het aan [eisers] toegerekende aandeel van € 272.750,-- moet worden verminderd met € 2.500,--. De rechtbank stelt vast dat beide partijen thans van mening zijn dat de arbiter op dit punt een fout heeft gemaakt. In ieder geval had de arbiter gelet op het verweer van [eisers] in het vonnis moeten motiveren waarom naar zijn oordeel het bedrag van € 5.000,-- moet worden opgeteld bij het kapitaal en de goodwill.

Onderdeel 4

4.9. Op de splitsingsbalans per 31 december 2006 respectievelijk op de slotbalans van [maatschap] is een bedrag van € 1.071.391,-- geactiveerd ter zake van goodwill (bij de post immateriële vaste activa). Daar is ook vermeld dat de niet geactiveerde goodwill in totaal € 2.406.500,-- bedraagt. Het eigen vermogen van [gedaagden] bedraagt volgens die balansen

€ 428.668,--. Dit bedrag is op de passivazijde vermeld onder de noemer goodwill. Uit het totaal van het eigen vermogen van alle vennoten (€ 2.406.500,--) volgt dat onder de goodwill aan de passivazijde moet worden verstaan de niet geactiveerde goodwill. Volgens [eisers] moet bij de bepaling van de uittredingsvergoeding alleen worden uitgegaan van het niet op de balans geactiveerde deel van de goodwill van [gedaagden] ter hoogte van € 428.668,--, omdat het wel geactiveerde deel al is verwerkt in zijn kapitaalstand. Volgens [eisers] zou [gedaagden] anders een dubbele vergoeding voor zijn goodwill ontvangen; één keer via het kapitaal en één keer via de uittreedvergoeding.

4.10. In zijn “verweerschrift tegenverzoek” dat [gedaagden] in de arbitrageprocedure heeft ingediend heeft hij gesteld dat de geactiveerde goodwill uitsluitend betrekking heeft op van externe partijen gekochte goodwill, welke nooit invloed heeft gehad op de vermogenspositie/kapitaalrekening van de vennoten (alinea 20). Ter comparitie van 16 november 2011 heeft [gedaagden] deze stelling verduidelijkt door daaraan toe te voegen dat die gekochte goodwill betaald is met een lening van de bank, welke lening is verwerkt bij het vreemd vermogen op de passivazijde van de balans. Dit brengt volgens [gedaagden] mee dat de gekochte/geactiveerde goodwill geen invloed heeft op het eigen vermogen. Alleen indien door de vennoten zelf opgebouwde goodwill zou zijn geactiveerd, zou het eigen vermogen met het zelfde bedrag worden verhoogd, aldus [gedaagden].

4.11. Opnieuw stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat [eisers] zijn verweer op dit punt tijdens de zitting van 30 september 2010 heeft ingetrokken. De rechtbank sluit niet uit dat het standpunt van [gedaagden] juist is. Het had echter op de weg van de arbiter gelegen om uit te leggen waarom naar zijn oordeel dat standpunt juist is, gelet op het verweer van [eisers]. De conclusie luidt dan ook dat in het arbitrale vonnis ook op dit punt een motivering ontbreekt.

Onderdeel 5

4.12. [eisers] betoogt dat de arbiter de door hem gestelde garantieregeling zonder enige deugdelijke motivering buiten beschouwing heeft gelaten. Deze stelling wordt verworpen. Met betrekking tot de garantieregeling heeft de arbiter beslist dat deze terzijde moet worden geschoven. Deze beslissing is door de arbiter gemotiveerd, terwijl niet gezegd kan worden dat in die motivering enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt. De arbiter heeft immers verwezen naar de finale kwijting die partijen elkaar in de splitsingsovereenkomst hebben verleend (zie 2.3) en naar de beslissingen van de voorzieningenrechter in kort geding en van de arbiters in de tegen [A] aangespannen arbitrageprocedure, waarin het beroep van [eisers] op de garantieregeling ook is verworpen (zie 2.7 en 2.8). Bovendien kon de arbiter de beide laatstgenoemde beslissingen toetsen doordat de notulen van de maatschapsvergadering van 25 augustus 2005 in de arbitrageprocedure zijn overgelegd (zie 2.1).

Tussenconclusie

4.13. Het arbitrale vonnis is ten aanzien van de hierboven vermelde onderdelen 2, 3 en 4 in strijd met artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d niet met redenen omkleed.

Gedeeltelijke vernietiging

4.14. Het voorgaande brengt mee dat het arbitrale vonnis geheel kan worden vernietigd. De rechtbank zal het arbitrale vonnis echter niet vernietigen ten aanzien van onderdeel 5. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.15. De wet maakt gedeeltelijke vernietiging mogelijk indien de arbiter zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden door meer of anders toe te wijzen dan gevorderd (artikel 1065 lid 1, aanhef en onder c in samenhang met lid 5 Rv). Met betrekking tot de grond voor vernietiging dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (artikel 1065 lid 1, aanhef en onder a) heeft de Hoge Raad beslist dat niet valt in te zien waarom een scheidsrechterlijke uitspraak niet op deze grond voor een deel kan worden vernietigd (Hoge Raad 20 januari 2006, NJ 2006, 77). Beide gevallen doen zich in de onderhavige zaak niet voor, nu hier artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv aan de orde is.

4.16. Een werkgroep onder leiding van Prof. mr. A.J. van den Berg houdt zich bezig met de voorbereiding van een wijziging van de Arbitragewet (de artikelen 1020 tot en met 1076 Rv). Deze werkgroep stelt een aangepast vijfde lid van artikel 1065 Rv voor (zie www.arbitragewet.nl):

“Betreft een grond voor vernietiging slechts een deel van het arbitrale vonnis, dan wordt het niet vernietigd voor het resterende deel, voor zover dit, gelet op de inhoud en strekking van het vonnis, niet in onverbrekelijk verband met het te vernietigen deel staat.”

Deze voorgestelde wijziging is door de werkgroep als volgt toegelicht:

“In de praktijk is gebleken dat een partiële vernietiging van een arbitraal vonnis niet behoeft te zijn beperkt tot het geval van een vonnis dat extra of ultra petita is. Zo kan bijvoorbeeld een vonnis een groot aantal verschillende vorderingen bestrijken doch het vereiste van hoor en wederhoor slechts ten opzichte van één vordering zijn geschonden. Het komt dan nutteloos voor het gehele vonnis te vernietigen vanwege de misstap ten aanzien van slechts één onderdeel daarvan. Dat zou indruisen tegen het uitgangspunt dat vernietiging van een arbitraal vonnis zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.”

4.17. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, brengt het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen in dient te grijpen in arbitrale beslissingen. Met inachtneming van het in 4.15 genoemde arrest van de Hoge Raad en het voorstel van de werkgroep onder leiding van Van den Berg ziet de rechtbank niet in waarom zij zou moeten ingrijpen in de beslissing van de arbiter op het punt van de garantieregeling (onderdeel 5).

4.18. Gedeeltelijke vernietiging is slechts mogelijk indien de scheidsrechterlijke uitspraak verschillende beslissingen bevat die niet onverbrekelijk samenhangen en aldus ten aanzien van een gedeelte vernietiging zou kunnen volgen en een ander daarmee niet onverbrekelijk samenhangend gedeelte in stand zou kunnen blijven (eveneens Hoge Raad 20 januari 2006, NJ 2006, 77). De beslissing van de arbiter ten aanzien van onderdeel 1 (de hoogte van het bedrag waartoe [eisers] is veroordeeld) hangt onverbrekelijk samen met zijn overige beslissingen. Ten aanzien van onderdeel 5 (de garantieregeling) is dit echter niet het geval.

4.19. In het debat tussen partijen is de mogelijkheid van gedeeltelijke vernietiging niet aan de orde geweest. Toch kan de rechtbank daartoe ambtshalve overgaan, nu het mindere (gedeeltelijke vernietiging) besloten ligt in de vordering tot (gehele) vernietiging (Hoge Raad 24 april 2009, NJ 2010, 171). De rechtbank zal het arbitrale vonnis van 27 oktober 2010 dan ook vernietigen, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de garantieregeling.

4.20. Ten aanzien van de vorderingen van [eisers] die verband houden met zijn verzoek aan de rechtbank om inhoudelijk recht te doen zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren. Op grond van artikel 1067 Rv herleeft de bevoegdheid van de gewone rechter om de zaak inhoudelijk te beoordelen immers pas zodra het vonnis waarbij een arbitraal vonnis is vernietigd onherroepelijk is geworden.

4.21. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het arbitraal vonnis van 27 oktober 2010, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de garantieregeling,

5.2. verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen van [eisers] die zijn weergegeven in 3.1 onder b, c en d,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. G.A. Bos en mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.